Geruimen tijd geleden werd mij een groot aantal fotographische
portretten in visite-formaat van Maori van Nieuw-Zeeland getoond;
tien van de mooiste--in den zin van belangrijkste en tevens voor
reproductie het best geschikt--heb ik eruit gezocht en welwillend
stond de eigenares mij toe deze in De Aarde te doen afdrukken.
Het zijn mannen en vrouwen van verschillenden leeftijd, in
uiteenloopende kleeding. De heer H. W. Fischer, conservator aan
's Rijks Ethnographisch Museum te Leiden, maakte mij opmerkzaam op
een deugdelijke beschrijving der oorspronkelijke Maori-kleeding in
E. Fregear, Maori-race (1904). Zij luidt aldus:
»Over den gordel wordt een voorschoot (Rapaki) of heupmat
gedragen. Deze bestaat gewoonlijk uit eene verzameling vlasreepen
aan een gordel van hetzelfde materiaal opgehangen. De groene reepen
werden afgeschrapt maar op afstanden van een duim onaangeroerd gelaten;
zij werden ook aan de randen afgeschrapt, zoodat zij er na droging als
riet uitzagen; die losse reepen hingen af tot op de knie en ruischten
harmonisch als de drager zich bewoog. Deze soort matten verborg
de ledematen voldoende en gaf volledige vrijheid van beweging. Een
heupmat was van gelijke lengte, maar opgemaakt vlas, dat niet ruischte.
Het voornaamste kleedingstuk voor beide seksen onder de Maori was een
mantel, om de schouders gehangen; somtijds waren deze zeer groot, tot
tien voet lang bij eene breedte van zeven; deze mantels waren verdeeld
in twee soorten: de fijne, geweven die eigenlijke »kleeding« (kakahu)
genoemd werden en de grove inferieure (mai), die niet als »kleeding«
werden beschouwd. De fijnere soorten hadden elk een eigen naam.
De Korowai was een fijne mantel, door vrouwen en meisjes gedragen en
uit geklopt vlas bestaande; de witte grond was dik bedekt met rijen
gedraaide zwarte nestels van vlas; die nestels waren op verschillende
wijzen gegroepeerd, waardoor het kleed verschillende namen kreeg.
De Korirangi was een groote mat met zwart en gele draden bedekt, de
laatste vervaardigd van gekruld en geschrapt vlas, zoodanig bewerkt
dat de tallooze harde buisjes vroolijk ratelden.
De Kaitaka was een fraaie witte mantel zonder nestels maar met breede,
in zwart, wit en bruin geweven randen, aan onder-, soms ook aan
bovenrand en een smalleren aan de kanten. Alleen hoofden van eenigen
rang waren gewoon deze soort te dragen.
Vedermantels (Kakahu-kura of huruhuru) werden van vlas op dezelfde
wijze geweven, maar tijdens het weven werden vederen in de inslagdraden
bevestigd. Een van de meest fraaie werd gemaakt met de roode vederen
die onder de vleugels van sommige papagaaien gevonden worden, andere
met halsveeren van den woudduif, vaak met een smallen rand in rood
en wit. Op hoogen prijs stelden de Maori ook een mantel waarin de op
haar gelijke vederen van de Kiwi (Apteryx) waren gewerkt; deze soort
vederen waren de eenige waarvan de punten naar boven werden gericht,
zoodat de mantel op bont geleek.
De duurste mantels van alle waren die met bekleeding van
hondenvellen, in 't bijzonder die waarbij de staarten van witte
honden zoo aaneengesloten waren aangebracht, dat de geweven grond
geheel onzichtbaar was. Hierin waren dan nog verschillende variaties
met eigen namen. Voor oorlogsgebruik maakte men mantels geheel van
hondenvellen zonder een onderlaag van vlasweefsel. Zeer zeldzaam zijn
mantels van zeehondenvel.
De mindere soorten mantels, eigenlijk »cape's« werden bij warm of
slecht weer om de schouders gebonden, waren slechts drie bij vier voet
groot en bestonden uit losgeweven ruw vlas, waarin afhangende reepen
waren tusschengestoken op de wijze van de haren van een borstel,
terwijl de losse einden over elkaar hingen. Van deze soort bestonden
ook weder talrijke variaties; een er van werd ook in oorlogstijd
gedragen, nadat de vezels door verzadiging met water opgezwollen
waren, waardoor zij min of meer tegen een lansstoot of pijlschot
beschermden; men droeg dan meerdere mantels boven elkaar. Tegen
speerworpen beveiligde men zich ook wel door een zes duim breeden
gevlochten band van vlas, die door zijne groote lengte--tot 10
vadem--meermalen om het lichaam gewonden kon worden.
In vroegere tijden schijnt men ook in Nieuw Zeeland papierboomen
(Broussonnetia) te hebben gekend, doch alleen in de overlevering wordt
gewag gemaakt van het gebruik van geklopte boomschors voor kleeding.
Voor het aan elkaar naaien der kleedingstukken diende een penneschacht
of een geslepen stuk been van een gevallen vijand als naald, en de
mantels werden met een naald van beren of van walvischtand of van
been of groenen steen op den rechter schouder bevestigd."
In de groote verzameling voorwerpen, die de heer G. Verschuur
een paar jaren geleden aan het Rotterdamsche Museum voor land- en
volkenkunde vermaakte, bevinden zich twee Maori-mantels, waarvan de
afbeeldingen (op een tiende der ware grootte) aan deze regels zijn
toegevoegd. Verschuur bracht de mantels mede van Nieuw Zeeland en
schrijft over de Maori in zijn aardig boek Aux Antipodes (Parijs,
1891) op bladz. 214v.
Het zal den lezer niet ontgaan zijn, dat Fregear in het hierboven
gedrukte citaat den verleden tijd gebruikt. De meeste Maori, zegt de
schrijver der "Brieven uit Nieuw Zeeland" in de Nieuwe Courant, met
uitzondering van de bewoners van King's Country, hebben de Europeesche
kleeding overgenomen. Toen wij in Wellington landden en den volgenden
dag op verkenning uitgingen, zag ik verscheidene Maori, oude en jonge,
maar allen in Europeesche kleederdracht.
In den vijfden brief, opgenomen in de courant van 23 Mei, geeft
de schrijver de indrukken die hij te midden van Maori opdeed als
volgt terug:
"De hedendaagsche Maori is--voor het oog tenminste--min of meer en
soms geheel en al beschaafd. Varkensvleesch, waarvan het gebruik werd
ingevoerd door de eerste blanken, heeft de plaats van menschenvleesch
ingenomen. Openlijk hoort men nooit meer van hun vreeselijke
feestmalen, maar op het Noordelijke Eiland, een gedeelte van het oude
mooie land, King's Country (Koningsland) genaamd, mogen blanken zich
niet vestigen en niemand kan precies zeggen wat daar gebeurt.
De Maori zijn meestal forsch gebouwd en niet heel lang. Hun huid
is donker-olijfkleurig. Zij hebben, mijns inziens, niets van het
antipathieke der negers, en hoewel sommigen, vooral de oudere vrouwen,
bepaald leelijk zijn, heb ik onder hen aantrekkelijke gezichten
opgemerkt, met intelligente klassieke, haast Grieksche lijnen,
prachtige donkere oogen en meestal fijne edele gelaatstrekken. Hun
huizen zijn goed en naar een vast model gebouwd. Zij zijn laag en lang,
met buitengewoon breede daken. Het huis, of liever het "frame work"
(latwerk) is van torara (inlandsch hout), van binnen en van buiten
behangen met droog riet. Aan den zonkant is een soort veranda, waarin
de eenige deur en het raam, beide laag en smal, uitkomen. De vloer
is gewoonlijk uit den grond gehold; schoorsteenen zijn onbekend. De
rieten behangsels zijn met gekleurde teekeningen aan den binnenkant
versierd en aan den buitenkant met vederen overdekt. Het houtsnijwerk
van deur en veranda is hoogst merkwaardig en geeft blijk van een
waar kunstenaarsoog en -hand. Toen ik in Wellington het Maori-museum
bezocht en niet alleen het houtsnijwerk der hutten, maar ook de
kunstige kano's zag, was ik een en al bewondering en verbazing,
want nergens heb ik zulk kunstwerk aanschouwd.«
Ook over het tatoeëeren spreekt deze briefschrijver. Op de afbeeldingen
is alleen aan het middelste vrouwen-portret de getatoeëerde kin te
zien. »Tatoeëeren is een zeer tijdroovend en langzaam werk. Eerst
worden de lijnen met houtskool geteekend, dan centimeter voor
centimeter uitgesneden of geprikt, en, nadat het bloed gestelpt is,
de narahu (blauwe verf) er in gegoten. Tatoeëeren is nog steeds in
zwang [1]. Opperhoofden en hun kinderen zijn allen te herkennen aan hun
moko. Een prinses die ik ontmoette was aan kin en lip getatoeëerd. In
de dagen toen lezen en schrijven in Maoriland geheel onbekend waren,
werden de door de Engelschen opgestelde belangrijke stukken door de
opperhoofden onderteekend met een ruwe kopie van hunne speciale moko.«
Ten slotte nog de volgende regels uit bovengenoemden brief:
»In de nabijheid der steden zijn de Maori beschaafd en hun kinderen
bezoeken de scholen, hoewel zij zich geheel van de Engelschen
afscheiden en een volbloed Maori nooit voor een blanke werken zal. De
Maori--hier kom ik aan een moeilijk punt--hebben hun land voor
het grootste gedeelte aan de Engelschen afgestaan. Oogenschijnlijk
bestaat er volkomen vrede tusschen inboorlingen en vreemdelingen,
maar een zendeling, die al jarenlang onder de Maori werkzaam was,
vertelde mij dat, wanneer de gebeden uit het »Commonbook of Prayer"
der Engelsche Kerk opgezegd worden, de Maori met de grootste aandacht
en ernst de woorden aanhooren en nazeggen--maar als de onervaren
zendeling het gebed voor het behoud van den koning van Engeland
uitspreekt, verlaten alle aanwezigen de kerk, of verhinderen hem
voort te gaan. Zij erkennen maar één koning: hun eigen Maori-koning.
Sommige Maori nemen een groot aandeel in de politiek van het land,
en een der grootste redenaars in het parlement van Nieuw-Zeeland is
een Maori. Dokters, advocaten, schoolmeesters en vooral zendelingen
hebben de Maori opgeleverd. Hun intellectueele gaven zijn volstrekt
niet gering. De zendelingen zijn haast overal doorgedrongen en
geheele dorpen zijn tot het christendom bekeerd. Toch is nog een groot
gedeelte van de Maori-bevolking heidensch en barbaarsch. Ik heb King's
Country op het Noordelijk Eiland reeds genoemd, en niet alleen dáár,
maar in menig eenzaam fjord of ingesloten vallei, vindt men nog ware
Maori-Pa's (dorpen) waar vuile, half-wilde menschen in matten gehuld,
op den grond zitten, de pijp steeds in den mond, en..... ja, wie zal
hun gedachten kennen?«
Het is te hopen, dat men deze Maori-Pa's voorloopig late zooals
ze zijn. Zoolang de beschaving aan deze barbaren niets beters kan
brengen dan zij gewoonlijk aan zulke menschen geeft, moet zij zich
maar achterbaks houden.
Joh. F. Snelleman.
Oostvoorne, 8-VI-'09.
[1] Ook bij ons. Te Rotterdam is zelfs een "Electrische
Tatoueerinrichting" (St. Laurensstraat 89). Achter het venster hangt
een groot papier, waarop een aantal moko's zijn afgebeeld: zeemeermin,
vogels, hondenkop, balletdanseres, zeeman aan een grafzerk waarop
R. I. P., spreuken, als True love, e. d., doorboord hart, schepen,
ineengelegde handen, en velerlei andere voorstellingen.
Sn.