Burgemeester en Wethouders van Nijmegen houden maar vol en hebben
den aanval op de Bottelpoort, die ze willen sloopen, hernieuwd,
nadat ze acht-en-een-half jaar geleden een dergelijk voorstel bij
den gemeenteraad hadden ingediend, dat echter met 15 stemmen van de
19 in de vergadering van 3 November 1900 verworpen werd.
Die ruïne van de voormalige Bottelpoort op het Waalplein staat daar
als een brok geschiedenis en waar er in ons land uiterst weinig
poortgebouwen uit vroegeren tijd bewaard zijn gebleven, zou het
zonde en jammer zijn, zulk een bouwkundig overblijfsel met den grond
gelijk te maken. Daarbij heeft de poort een eigenaardige beteekenis
uit constructief en architectonisch oogpunt, is geen beletsel voor
het verkeer, en het behoud zou geen aanleiding geven tot het brengen
van eenig belangrijk geldelijk offer.
Alleen is er in 1900, toen de voorstanders van het behoud getriomfeerd
hebben, wat wij hopen, dat ze nu weer zullen doen, voorgesteld, dat de
stad de poort beter tot haar recht zou doen komen, door er omheen een
aardig plekje in het leven te roepen, dat met groen en bloemen het
nieuwe leven rondom de ruïne zou vertoonen. Dan zou de Bottelpoort
hebben kunnen strekken tot verfraaiing van het stadsgedeelte, waar
ze zich bevindt; maar dat heeft men verzuimd. Als de naaste omgeving
van de ruïne volgens een zachte glooiing was afgegraven, en men daar
plantsoen had aangebracht, zou de aloude poort een schilderachtig
effect hebben kunnen maken.
Gelukkig is het daarvoor nog niet te laat, en het gemeentebestuur of
liever, de raad van Nijmegen zal thans waarschijnlijk, als zij het
voorstel tot slooping verwerpt, tevens een som uittrekken voor den
aanleg van het "Bottelplantsoen."
Het behoud van het historisch monument heeft toentertijd velen in
beweging gebracht als advocaten, die er krachtig voor pleitten. Daar
was vooreerst de minister van Binnenlandsche Zaken, Mr. Sam. van
Houten, die tot het gemeentebestuur een schrijven richtte; daar was
de Vereeniging "Gelre," die zich de beoefening ten doel stelt van
geldersche geschiedenis, oudheidkunde en rechtswezen, die herhaaldelijk
adressen inzond; daar was de heer Huf van Buren, die in de Nieuwe
Rotterdamsche Courant en daar was Jhr. Victor de Stuers, die in Eigen
Haard argumenten voor het behoud aanvoerde; daar was Dr. Cuypers,
de architect der Rijksmuseumgebouwen, die zijn gewicht ervoor in
de schaal legde; daar waren andere autoriteiten in zake bouwkunst,
die hetzelfde deden, en aan hen allen is het gelukt, de stemming in
den raad in gunstigen zin te doen afloopen.
Het had anders gespannen, want in de vergadering van 6 October 1900 was
het voorstel van Dr. F. Banning, om het sloopingsbesluit voorloopig
niet uit te voeren, met tien tegen acht stemmen verworpen. In de
tusschenliggende vier weken, die toen tot 3 November verliepen, zijn
alle zeilen bijgezet op het scheepje van niet-slooping, en het is de
behouden haven ingeloopen.
Zal dat nu ook weer gelukken? Men doet opnieuw met frisschen moed
zijn best. Onze rijksadviseur in zaken van kunst, Jhr. Victor de
Stuers, hoeft reeds weer zijn stem doen hooren in een nota, aan den
gemeenteraad van Nijmegen gericht, en ook Dr. P. J. H. Cuypers heeft
den raad verzocht, niet te besluiten tot de slooping der voormalige
Bottelpoort.
De Bottelpoort werd in 1538-1540 gebouwd, toen de ingezetenen van
Nijmegen zich hadden verzet tegen Karel van Egmond en de oorlog
over diens successie tusschen keizer Karel V en Willem van Cleef
ging ontbranden. De gemeente-archivaris van Schevichaven heeft uit
de rekeningen der stad de bijzonderheden van den bouw opgespoord en
aan het licht gebracht. De poort, welke toegang gaf tot de haven,
was uit een strategisch oogpunt gewichtig. Dit blijkt hieruit, dat
men haar in Maart 1574 voorzag van een bolwerk, toen de incursies
van Willem van Oranje in de Bommelerwaard en van Lodewijk van
Nassau bij Maastricht ongerustheid gewekt hadden; andermaal werd
zulk een tijdelijk bolwerk opgeworpen, toen in 1587 engelsche
en staatsche troepen het tegenoverliggend fort Knodsenburg bezet
hadden. Uit datzelfde fort werd de poort met zwaar geschut geteisterd
door Prins Maurits en graaf Willem Lodewijk, die in 1591 de stad
belegerden. Hetzelfde geschiedde tijdens het beleg van Nijmegen door
de Franschen onder Turenne in 1672 en Pichegru in 1794. Dit gebouw is
derhalve een geschiedkundig monument, want het is de stille getuige
geweest van geweldige gebeurtenissen, voor de stad en voor geheel
het land gewichtig. Het leert ons ook, hoe in de middeleeuwen de
verdediging was ingericht; het gebouw is een vierkante toren, zoodanig
in den walmuur geplaatst, dat de schutters den wal bestreken; een nog
aanwezig schietgat laat zien, dat men zich van vuurroeren bediende;
langs een steenen wenteltrap bereikte men de bovenverdieping om uit
de tinnen op den vijand te schieten of hem met steenen en kokend water
of olie te bombardeeren en te begieten. Ook opmerkingswaardig is het,
dat men destijds bij een gebouw, met zuiver prozaïsche bedoelingen
opgetrokken, kunstzin aan den dag wist te leggen; niet alleen is
alles doelmatig, eenvoudig en verstandig geconstrueerd, maar waar
het pas geeft, heeft de bouwmeester smaakvol gewerkt, zooals blijkt
uit de fraaie profileering van den poortboog, uit de vormen van het
basement, uit het kunstig bogenfries, uit de figuren met verglaasde
tegels in het metselwerk aangebracht.
Uit geschiedkundig en oudheidkundig oogpunt dus moet de poort worden
beschouwd, en dan zal ieder toegeven, dat ze waard is, behouden te
blijven, want in dat "zwartgrauwe steengevaarte" klinkt een stem,
die tot jong en oud spreekt van oude tijden, toen de poort aan
een der uiteinden van de stad stond en 's avonds werd gesloten, om
de burgers tegen overvallen of plundering, die van de rivierzijde
altijd konden dreigen, te beschermen. Zij heeft deelgenomen aan den
strijd voor vrijheid en recht, door de voorouders gevoerd, en zij kan
aan dit geslacht leeren, hoe het vroegere heeft geleefd en gewerkt,
opgesloten tusschen hooge muren en wallen, en hoeveel het waard is, dat
het toeval dit brokje verleden, dit restje geschiedenis heeft gespaard.
Het toeval, ja, want bij het sloopen van de vestingwerken had de
Bottelpoort haar behoud te danken aan de omstandigheid, dat ze in 1800
aan een particulier werd verkocht en later in een fabrieksgebouw is
opgenomen. De stad kocht in nog lateren tijd het terrein, amoveerde
de oude fabriek, verlaagde den opgehoogden grond en liet de ruïne te
voorschijn komen.
En nu zou ze die voor goed willen opruimen?
Hoe jammer zou dat wezen, ook voor onze vrienden, die immers ook die
van het gemeentebestuur zijn, de talrijke toeristen en zomergasten,
die Nijmegen liefhebben en er graag hun anker uitwerpen.
Den 14den Juni heeft de Raad het voorstel tot wegruiming zonder
beraadslaging of tegenkanting aangenomen. Zal het ditmaal definitief
zijn?
De eischen der praktijk hebben zich doen gelden, want de directeur
der electriciteitswerken heeft het terrein noodig voor den bouw
van remises en wat er bij behoort ten behoeve van de aan te leggen
electrische tram.