Dat in vroeger tijden de reglementen, die aan badplaatsen golden,
nog vrijwat strenger waren dan die, waaraan de badgasten tegenwoordig
moeten gehoorzamen, blijkt uit een verordening, die op den eerwaardigen
leeftijd van 360 jaren kan terugzien. Ze is afkomstig uit het jaar
1548 en gold in het toen beroemde badplaatsje Tobelbad bij Graz. Het
Hertogdom Stiermarken, dat toenmaals in het bezit van de plaats en
de geneeskrachtige bronnen was, had de verordening uitgevaardigd.
Er was een paragraaf in, die bepaalde, dat van de beide baden het
eene alleen door edelen, hoogwaardigheidsbekleeders en burgers mocht
worden gebruikt, terwijl het andere voor de armen was bestemd en voor
menschen met besmettelijke ziekten.
De baduren waren van des morgens vier uur tot negen en van twaalf uur
's middags tot vier uur; in den overigen tijd waren de baden gesloten,
opdat de "ketelknecht" het water kon laten afloopen, de baden weer
vullen en de kamertjes schoonmaken kon.
Schelden en vloeken waren streng verboden; wie het gebod overtrad,
werd vóór een rechtbank gedaagd van zes mannen, die uit en door de
badgasten gekozen werd. Als men weigerde te verschijnen, kon men
zelfs met zweepslagen ertoe gedwongen worden. Betaalde boeten werden
door een daarvoor aangestelden penningmeester in ontvangst genomen
en maandelijks onder behoeftige badgasten verdeeld.
Ook voor de zedelijkheid zorgde een der paragrafen. Men mocht in
het bad niet gaan zonder hemd, dat bovendien met een gordel om het
lijf moest worden vastgehouden. Wie tegen het voorschrift zondigde,
kon door het gerecht der zes mannen met boete of met lijfstraf worden
getuchtigd.