In Engelsch en Nederlandsch Nieuw-Guinea bleek de onderzoekingsgeest in
den laatsten tijd sterk en groot; maar van het Duitsche deel van het
groote eiland vernam men in dat opzicht weinig. Na lange pauze is dan
nu weer een aanzienlijk deel van het onbekende Duitsch Nieuw-Guinea
ontsloten geworden. Een opmetingsambtenaar, de heer Fröhlich, heeft
met den heer Dammköhler in December 1907 en Januari 1908 een reis
gedaan van de Huongolf naar de Astrolabebaai, dus over den wortel
van het schiereiland in het Noordoosten van Nieuw-Guinea.
De weg voerde van de Huongolf eerst door de grasrijke vlakte aan de
Markhamrivier, die door het Finisterregebergte en het Krätkegebergte
wordt ingesloten. Toen werd de Ramoerivier bereikt en het tot 1400
meter diepe dal tusschen het Finisterregebergte en het Bismarckgebergte
gevolgd tot het station Konstantinhaven. Verrassend was in dit
gebied de aanwezigheid van een 30 kilometer breede en 300 kilometer
lange, goed te bereizen, vruchtbare en dicht bevolkte vlakte met veel
kokospalmaanplantingen, terwijl men er tot nu toe een ondoordringbaar
gebergte had vermoed. Opvallend was ook, dat die vlakte niet beboscht
was, misschien een gevolg daarvan, dat de inboorlingen er al sedert
lang al het gras verbranden en den verderen plantengroei, om aan hun
zin voor de jacht op wilde zwijnen gemakkelijker te kunnen voldoen.
De inboorlingen van het achterland waren door de menschen, die aan
de Huongolf woonden, afgeschilderd als roovers en moordenaars, die
zeer te vreezen waren. Eerst kwam de expeditie met die achterlanders
niet in aanraking; ze bleven schuw en verlieten hun dorpen; later
namen ze een dreigende houding aan, hielden de expeditie in het
oog en waren door vriendelijke tegemoetkoming niet tot toenadering
te bewegen. (Aangezien nog altijd buurmans leed troost, ligt hier
mogelijk iets van dien troost voor de ervaringen van onze landgenooten,
waar zij in West- en Zuid-Nieuw-Guinea werken en de afwijzende houding
der inboorlingen betreuren).
De bedoelde inboorlingen in Duitsch Nieuw-Guinea waren groote
en forsche menschen, de mannen naakt met halflang hoofdhaar, bij
sommigen voor de helft rood, voor de andere helft zwart geverfd. De
wapens waren een lange speer en een houten zwaard met groote, bijna
het gansche lichaam dekkende schilden. De cirkelvormige hutten hadden
ongeveer drie meter middellijn; het dak rustte op palen van een meter
hoogte en bestond uit een spits toeloopende grasbedekking.
Eénmaal moest de expeditie tweemaal schieten, om er den schrik onder
te brengen, toen men den weg wilde versperren; een aanval waagden
de inboorlingen niet. Later stiet men op vreedzamer menschen, die
volkomen kalm bleven. In een dorp werd een gedoode kip als teeken van
vrede gebracht, in een ander een doode witte kakatoe. De dorpsoudsten
plaatsten zich aan het hoofd van den troep en de dorpelingen sprongen
vroolijk om hen heen. Ook deze inboorlingen, wier taal door niemand van
de dragers en koelies werd verstaan, waren sterk en groot, tot zes voet
lang. Ook hier waren de mannen naakt, hadden speren, houten zwaarden
en schilden, halflang geschoren haar en gladgeschoren gezichten. De
vrouwen droegen rokjes van gras, de oudere vrouwen de langste rokken.
De hutten waren wat hooger en ruimer dan bij de andere stammen. Op
de pleinen in de dorpen liepen tamme kakatoe's rond; er schenen geen
varkens te worden gehouden. De menschen leven er nog volkomen in het
steentijdperk en zagen voor de eerste maal blanken. De steenen bijlen
waren knap afgewerkt, en kunstvaardig waren ook de tabakspijpen van
bamboes van aardige versieringen voorzien.