EEN BEZWAAR BIJ EXPEDITIES NAAR DE WEST.

Bij de achtereenvolgende expedities, die in de laatste jaren naar

het achterland van onze kolonie Suriname werden ondernomen, de

Nickerie, de Coppename-, de Saramacca-, de Gonini-, de Tapanahoni-,

de Turaak-Humak- en de Boven-Suriname-expedities, werden geregeld de

booten over de stroomversnellingen in de rivieren geholpen door de

boschnegers. Maar dat het niet altijd zonder protest geschiedde, was

daarbij een schaduwzijde. Men kon de bedoelde werkkrachten inderdaad

niet missen en zou om hun dikwijls voorkomende onwilligheid ze veel

liever niet noodig hebben.

Nu vinden die boschnegers, naar het schijnt, dat wij met onze

expedities in de West het wat al te druk maken, want in den laatsten

tijd wordt hun oppositie lastiger en brutaler. Zoo zou nu onlangs

luitenant W. J. Eilerts de Haan in opdracht van het gouvernement na

zijn tocht naar de Boven Suriname eenige astronomische plaatsbepalingen

doen aan de Marowijne, de grensrivier in het Westen.

Aan genoemde rivier zou worden bepaald de ligging van de monding

der Auca- of Joeka kreek, in welker stroomgebied onlangs gunstige

goudprospecties zijn verricht, en de monding der Grankreek.

Aan de laatste opdracht heeft de heer Eilerts kunnen voldoen. Door

het optreden der boschnegers heeft hij echter niet de monding

der Joekakreek kunnen vastleggen. De boschnegers van de streek,

de Aucaners, weigeren personen en goederen te vervoeren naar die

kreek, die in een soort reuk van heiligheid schijnt te staan. Door

Saramaccaner-boschnegers was de heer Eilerts opgebracht tot op korten

afstand van de monding der kreek. Doch zij weigerden--vermoedelijk

onder den invloed van bedreigingen der Aucaners--den heer Eilerts over

de laatste stroomversnelling te vervoeren, zoodat deze onverrichterzake

in de stad Paramaribo is teruggekeerd.

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 139 / 353 题