VAN DE EHZE IN DE OUDE GRAAFSCHAP ZUTPHEN.

Qui se fait attendre, se fait désirer, dat schijnt wel dezen keer

het devies van het voorjaar te zijn geweest. Onbescheiden heeft het

zich laten wachten, langer dan bestaanbaar was met het goed humeur van

natuurvrienden, en langer dan de voorjaarsbloemen zich met goed fatsoen

schuil konden houden. Maar wat bleven sneeuwklokje en crocus traag in

hun ontwikkeling, wat duurde het eeuwen, eer die zoo welkome, eerste

sporen van de lente in uitbottende knoppen aan enkele vroege heesters

zich vertoonden! Straten en wegen en voetpaden!... nee maar, ze waren

van een grondelooze vuilheid dagen, weken lang, en dus moest wie de

menschen lokken wou »Naar Buiten!« wel aan doovemans deur kloppen.

In die dagen hebben wij een bezoek gebracht aan een oud huis in

heerlijke omgeving, waar de zin voor schoonheid den toon aangaf,

nu in de eerste plaats binnenshuis; in het betere seizoen vooral

niet minder rondom de woning, in park en bosch. Er hebben velen in

die buurt van het echte buitenleven genoten. Slechts door de Berkel

en een paar groote weiden is de Ehze gescheiden van het buiten, waar

Allard Pierson een deel van zijn levensavond doorbracht, de Velhorst,

en talrijk zijn in dit deel van Gelderland de oude kasteelen, die in

onze geschiedenis van zich hebben doen spreken.

Dat heeft ook de Ehze gedaan, al is het nu geen oud slot meer,

maar, uitwendig althans, een deftig groot huis, van rooden

baksteen opgetrokken. Van binnen zijn er nog heel veel sporen over,

die wijzen op het verre verleden, dat het huis reeds achter zich

heeft. De tegenwoordige eigenaar, de heer D. J. van den Honert, die

zijn zaken te Amsterdam heeft en wiens vrouw de dochter is van den

bekenden amsterdamschen philantroop, wijlen den heer P. W. Janssen,

gevoelt zeer veel voor het verleden van het huis, waarvan hij in

1905 bezitter is geworden, toen hij het kocht van mevrouw de weduwe

barones Van Welderen Rengers.

Een bewijs van die piëteit heeft hij gegeven door de opdracht aan

den heer A. A. Vorsterman van Oyen, om de geschiedenis te boek te

stellen van de opeenvolgende geslachten, die »het kasteel Ehze«

hebben bewoond. Zeshonderd jaren geleden werd het goed gesticht

door een tak van het geslacht van Heeckeren, en naar een hof Hese

of Hesni in de nabijheid van het stamslot der Heeckerens bij Emmerik

moeten de heeren van Eese of Ehze hun burcht bij Almen in de gemeente

Gorssel hebben genoemd. In het begin der veertiende eeuw was Frederik

van Heeckeren bezitter van het goed de Ehze, waarnaar hij zich ook

Frederik van Ese noemt.

Ridders en knapen komen verder voor van dien naam, als bewoners

van het kasteel, trouwe volgers van den graaf van Gelre, nu eens

getuigen bij overeenkomsten tusschen den graaf en eenige stad, dan

getuigen bij huwelijken in het grafelijk geslacht of bij plechtige

verzoeningen als in 1355 tusschen Reinout, hertog van Gelre, en zijn

broer Eduard. Ridder Frederik van Ese moet een persoon van gewicht zijn

geweest, want bij een bezoek aan de stad Arnhem in datzelfde jaar 1355,

waarschijnlijk met een grooten hofstoet, moet hem de stadsregeering

veel wijn hebben verschonken »negen kwarten«, zooals vermeld staat

in de stadsrekening van Arnhem van dat jaar. Zijn kleinzoons noemden

zich weer Heeckeren of namen soms, na »deeling volgens magescheid«

verschillende namen aan, dikwijls van aangetrouwde familieleden.

In het werk van den heer Vorsterman, dat in het Genealogisch en

Heraldisch Archief van Arnhem in 1908 is opgenomen, kan men de reeks

der verschillende bezitters van het kasteel de Ehze uitvoerig vinden

nagegaan. Men leest er, hoe een der leden van de familie priester

was en vriend van Geert Groote, hoe een ander schepen was te Deventer

en als man van invloed en kunde stond aangeschreven, en hoe ze zich

vermaagschapten met aanzienlijke geslachten. In de zestiende en

zeventiende eeuw speelt het geslacht Van Lintelo er een groote rol.

Zoo was Christiaan Karel, baron van Lintelo, heer van de Ehze, die

in 1707 scholtis of schout van Lochem was, onderhandelaar in zaken,

die de nalatenschap van Willem III betroffen; hij was in groot aanzien

bij zijn tijdgenooten en geëerd om zijn schranderheid en ongemeene

werkzaamheid. Te Lochem huwde hij in 1705 op Ampsen met Clara Elisabeth

van Nagell, was zeer bemind bij zijn onderhoorigen en stierf op de Ehze

in 1736. Aan die vermaagschapping met de familie Van Nagell herinnert

op dit oogenblik nog het wapen in de windvaan op het huis. Daar is de

gesp uit dat wapen duidelijk te herkennen. Toevallig dat de voornamen

van de tegenwoordige vrouwe van de Ehze dezelfden zijn als die van de

eigenares uit de eerste helft der achttiende eeuw. Of die vroegere

Clara Elisabeth bij haar onderhoorigen bemind is geweest evenals

haar man, weten we niet, maar dat men het later van de 20ste-eeuwsche

Clara Elisabeth zal getuigen, is zonder twijfel. Want zij treedt als

een weldoenster onder de menschen op, door de zieken en zwakken te

bezoeken en op te beuren en naar geest en lichaam hun goed te doen,

niet maar eens nu en dan, maar trouw en geregeld. Aan »goede werken«

wordt daar veel gedaan in en om het gemodernizeerde oude huis; er

is een schooltje gebouwd, waar de meisjes dagelijks gratis naailes

krijgen; de kinderen leenen boeken uit de bibliotheek van het huis,

en op honderderlei manieren meer leven de bewoners van het huis met

hun omgeving mee.

Door een der vijf dochters van baron van Lintelo komt in de 18de

eeuw het geslacht van Pallandt van Keppel in het bezit van de Ehze,

maar niet voor langen tijd, want de eerste en eenige bezitter uit

die familie verkocht de Ehze en liet papieren, schilderijen en

merkwaardigheden naar het kasteel Keppel overbrengen. In de laatste

jaren van de achttiende en de eerste helft van de negentiende eeuw is

de historie van het huis het minst glorierijk, en Jan Derk Langenberg,

lid van den raad van Zutfen en houtkooper aldaar, is de schuldige,

die aan het sloopen gaat. Hij liet een groot deel afbreken, namelijk

het middengebouw en een der vleugels, verkocht het prachtige ijzeren

hek, dat voor de streek is bewaard gebleven, want het prijkt nu nog

op het kasteel Medler onder Vorden, maakte de sieraden van het huis

te gelde en liet veel hout onder de bijl vallen.

Dat gedeelte van het huis, dat bewaard bleef, verkocht hij in 1831 aan

baron Van Zuylen van Nijevelt, wiens zoon, Mr. Jacob Pieter Pompejus,

tweemaal minister was, later buitengewoon gezant te Parijs, kamerheer

des konings i. b. d. en lid der ridderschap van Gelderland was. Deze,

gestorven in 1890, vertoefde niet veel op de Ehze en in 1866 verkocht

hij het huis en de landerijen aan zijn zwager, Karel Gerrit Willem,

baron van Wassenaer, met wien zijn zuster getrouwd was. Dat echtpaar

liet het gebouw restaureeren; de baron had den zeedienst verlaten

en vertoefde graag op de Ehze. Hij was lid der Provinciale Staten en

voorzitter van de Geldersche Maatschappij van landbouw.

Hier voelen we ons op modernen grond, dat zijn de posten, nu ook

door de bezitters van de landgoederen in de buurt bekleed. Bovendien

iemand, die den zeedienst verliet, is ook de tegenwoordige eigenaar,

de heer Van den Honert en aan het restaureeren heeft deze op niet

minder grondige manier gedaan dan de Wassenaers. Vooraf heeft de

oud-ritmeester baron van Welderen Rengers van 1894 tot 1898 en heeft

diens weduwe er nog van 1898 tot 1905 gewoond. Zij hadden het goed

gekocht van de jongste dochter van baron Van Wassenaer, aan wie het

bij scheiding was toebedeeld.

En hoe ziet nu de Ehze eruit, het oude kasteel in nieuwen vorm?

Een flink terras is vóór het huis gebouwd, met twee breede trappen

en antieke sfinxen aan weerszijden, beelden, die een oud kasteel in

Verona hebben gesierd. De hal is bijzonder smaakvol ingericht en

vormt een waardige entrée voor het deftige huis. Daar bloeiden de

mooiste aronskelken en de heerlijkste hyacinthen, zooals er overal

in het huis bloemen te bewonderen vielen. Rondom die ruime hal zijn

de verschillende vertrekken gelegen, waar de werkelijk mooie dingen

en de vele kunstvoorwerpen het rondwandelen als een gang door een

met zorg samengesteld museum maken.

Duidelijk is er overal naar gestreefd, om aan de oudheid van het huis

recht te doen weervaren; hier is een eerbiedige hand aan het werk

geweest. Hoe prachtig zijn die schouwen gerestaureerd, hoe pieus

zijn de wapens der oude geslachten, waar ze herstelling behoefden,

onder handen genomen en op een eereplaats gehangen, hoe trouw is

betimmering en kleur in harmonie gehouden met het oude karakter! In

modernen vorm doet alles aan, als volkomen passend bij wat er van het

oude over is. Een delftsch tegeltableau achter de schoone schouw der

eetzaal stelt de geboortehuizen voor van den eigenaar en zijn vrouw,

die beide te Amsterdam het levenslicht zagen. Die schoorsteen is

van dezen tijd, nagemaakt antiek, wondermooi werk van de haagsche

firma Mutters, terwijl in een ander vertrek het witsel, dat de oude

bekleeding van een schouw bedekte, met zorg is verwijderd, zoodat het

heerlijke beeldhouwwerk weer in al zijn fijnheid van uitvoering voor

den dag komt.

Het blijkt hier, dat het gemakkelijke en comfortabele van onze moderne

meubels, als men ze maar met smaak kiest, zich uitstekend aansluiten

bij een huis van ouden stijl, en zoo is inderdaad de hoofdindruk

van dit bezoek de mooie harmonie van het oude en het nieuwe. Vooral

treft die, als men let op de vele nieuwere inrichtingen, die de heer

Van den Honert heeft laten aanbrengen. Hij heeft bij den ingang een

nieuwe steenen brug laten bouwen over de gracht ter vervanging van

het houten brugje, waarvan reeds Craandijk in 1875 zei, dat op die

plek »een nietig brugje het geheel ontsierde«. Tot de brug geeft

een prachtig hoog ijzeren hek toegang, een van de schatten uit den

voorraad van een parijsch antiquaar.

Maar van de moderne instellingen trekt vooral de modelboerderij

de aandacht, waaraan die van Oud-Bussum tot voorbeeld heeft

gestrekt. Volkomen hygiënisch en dus met de uiterste zindelijkheid,

zijn de stallen ingericht; de behandeling van de koeien en die van de

herhaaldelijk gefiltreerde en daarna snel afgekoelde en machinaal in

flesschen gebrachte melk waarborgt de algeheele zuiverheid, en die

op het landgoed gebruikte en verder tot boter verwerkte melk is een

waardige pendant van het gezuiverde water.

Er is namelijk een ontijzeringsinrichting, die noodig was, omdat het

overigens goede water in den bodem te veel ijzer bevat. De electrische

installatie van het goed maakt het mogelijk, het water omhoog te voeren

in een kleinen toren, waar het in fijne verdeeling van boven neervalt

en door oxydatie van het ijzer wordt ontdaan, om daarna op en door een

bedding van cokes vloeiend, een nog verdere zuivering te ondergaan. Zoo

rein en helder vangt het weldoend vocht dan in leidingsbuizen zijn

wandeling aan door de verschillende gebouwen van het landgoed, door

de vele nieuw gebouwde woningen van het personeel, door de stallen,

de vertrekken der woning, de kelders, die in bewoonbare ruimten zijn

herschapen, de kassen en waar niet al meer.

Het voedt in de nieuwe kelderruimte onder het terras den voorraad,

die uit de stooktoestel voor de centrale verwarming het gansche huis

van een aangename warmte voorziet; het plast neer in het bekken, waar

mevrouw Van den Honert in de donkere kamer haar photografieplaten

wascht, het stroomt uit de warm- en koudwaterkranen boven het bad

voor het personeel, het vult een bassin in de warme plantenkas, waar

men dus voor de flora-kinderen altijd water op temperatuur heeft,

en eindelijk voedt het de stoommachine in het machinehuis, die de

electriciteit opwekt.

Wagenhuis en paardestal zijn in overeenstemming met de nieuwste

eischen, die een kieskeurig eigenaar kan stellen, en de mooie paarden

worden er met liefde verzorgd, al bevat de nieuw-bijgebouwde garage

twee auto's, die hen overbodig schijnen te maken. Maar als overbodig

worden ze daar in het geheel niet beschouwd, dat merkte het mooie

zwartje, waarvan de bezitter met trots vertelde, dat het, nog geen

drie jaar oud en in zijn tijd geboren was.

Ook in de modern ingerichte vertrekken bemerkt men den ouderdom

van het huis aan de diep inspringende vensters en de verbazend

dikke muren. Die zijn voor de buitenmuren een meter dik en enkele

binnenmuren zijn niet veel minder soliede. Sterk krijgt men daarvan en

van de oudheid een indruk in de kelders met hun verwulften en bogen,

hun oude blauwgeverfde deuren als middeleeuwsche toegangen en hun

breede, lage gangen. Van die ruimten heeft de eigenaar een veelvuldig

gebruik gemaakt. Daar zijn de keukens, daar wordt de wasch in een

paar vertrekken behandeld, daar is Mevrouw met haar photografie bezig,

daar zijn bergruimten en daar is nog een opening in den dikken muur met

het vizier voor het kanon, dat van hier uit den vijand bestookte. Aan

licht behoeft nooit gebrek te wezen in de onderaardsche gewelven,

waar ook overvloedig frissche lucht kan komen, want op ieder plekje,

waar het maar even noodig zou kunnen zijn, heeft men maar op een knop

te drukken, en het electrisch licht straalt helder in het rond.

A propos van dien vijand, mag wel verteld, dat hier de historische plek

is, waar de langdurige strijd is gevoerd tusschen die van Zutfen en

die van Deventer over de overbrugging van de Berkel. De Spitholderbrug

op vijf minuten afstands van het huis was het punt van het ergste

geschil. Het is een ophaalbrug met hooge, witte wip. De Zutfenschen,

zich grondend op oude voorrechten, wilden geen bruggen over de Berkel

toelaten en herhaaldelijk trokken gewapende mannen onder aanvoering

van leden der stadsregeering naar Almen en braken de brug af. Dan

herstelde Deventer de brug weer, zooals in 1704 gebeurde, waarna

Zutfen ze weer afbrak, een spelletje, dat zich in het volgend jaar

herhaalde. Trouwens, dat het vaak meer dan spel was, bleek, toen een

der boeren van de Ehze bij zulk een schermutseling werd gedood.

Het twistpunt werd niet eerder dan 1712 uit den weg geruimd; toen werd

de brug bij Spitholt herbouwd, de groote Hessenweg van Duitschland naar

Amsterdam, die een tijdlang gesloten was geweest, werd weer geopend

en alles werd weer pais en vree. De heeren der betrokken steden en

gewesten waren indertijd te paard of per chais of koets naar Gorssel

komen rijden en hadden daar ten huize van den predikant geconfereerd.

Hoe vreedzaam staat daar onze tijd tegenover, nu de bedrijvigheid zich

richt op het winnen van wat bruikbaar is en mooi, nu in den moestuin,

die ook gemodernizeerd is met gecementeerde muren en ijzeren latjes

achter de leiboomen, de groenten voor de talrijke huishoudingen,

op het goed wonend, worden gekweekt, nu de kassen vol zijn met de

heerlijkste primula chinensis en cyclamen en begonia's, met calla's en

anthuriums, met varens en orchideeën, die ieder haar eigen verzorging

eischen! Hoe wonderheerlijk zal het er zijn, als in den vollen zomer

het aardig aangelegde Rosarium prijkt met zijn groepen van La France's,

Caroline Testout en Frau Karl Druschki!

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 114 / 353 题