Van de activiteit der Nederlandsche Alpenvereeniging gaf de
jaarvergadering, die onlangs te Amsterdam werd gehouden, een gunstig
getuigenis. Er is veel belangstelling en het ledental neemt flink
toe, ook bij de verhoogde jaarlijksche bijdrage van gewone leden,
die nu tien gulden bedraagt.
Als clubgebied voor den aanstaanden zomer werd aangewezen Zermatt
en omstreken, waar de leden van de vereeniging kunnen samenkomen om
gezamenlijk tochten in het hooggebergte te ondernemen.
Op voorstel van het bestuur werd besloten een gedenkplaat aan te
brengen in de rotsen bij den Col de Géant ter nagedachtenis van
mr. Sillem, die aldaar in 1907 op noodlottige wijze is verongelukt.
Een warm woordje tot opwekking tot de beoefening der Alpensport
heeft de secretaris, de heer P. C. Visser, in de Nieuwe Rotterdamsche
Courant tot het publiek gericht. Hij wees er daarin op, hoe de vele
afschrikkende verhalen van ongelukken met doodelijken afloop een
verkeerd idee geven van de gevaarlijkheid dezer sport. Zij is inderdaad
niet gevaarlijker dan andere takken van sport en met sprekende cijfers
toont de schrijver dat aan, cijfers, die hij ontleent aan de bekende
Mittheilungen des deutschen und oesterreichischen Alpenvereins.
Van de ongelukken in de Hoogalpen, die in 1908 een aantal van 72
bedroegen, komen er 42 op rekening van hen, die de tochten zonder
gids ondernamen, 15 die niet alleen zonder gids, maar ook zonder
tochtgenooten er op uit trokken, terwijl de overige 14 zich bevonden
onder geleide van gidsen.
Wanneer men de oorzaken der ongelukken nagaat, dan komt men tot de
volgende conclusie: dat 40 personen den dood vonden in de rotsen, 8
personen op sneeuw of ijs, 15 tengevolge van steenslag, 8 tengevolge
van het weer (d. i. door sneeuwstorm, onweer e.d.g.).
Meer dan de helft zijn dus omgekomen bij z.g. klautertoeren in de
rotsen, iets dat niet te verwonderen is, daar er veel meer tochten
ondernomen worden op z.g. rotsbergen, dan over gletschers. De
ongeoefende en lichtzinnige bergbestijger, die er zonder gids op
uittrekt, toont een heimelijken angst voor de uitgestrekte ijsvelden
met hun vele, vaak onzichtbare kloven en voelt zich meer aangetrokken
tot de rotswanden met hun schijnbare degelijke steunpunten voor handen
en voeten.
De ongelukken in het middelgebergte (Vogezen, Sächs-Schweiz e.a.) nemen
geregeld toe, wat een gevolg is van het feit, dat tegenwoordig als
het ware ieder rotspuntje als oefenterrein gebruikt wordt.
1908 is voor den bergbestijger al bijzonder ongunstig geweest,
voornamelijk door het zeer slechte weer van dezen zomer. Verscheidene
ongevallen zijn b.v. een gevolg van de omstandigheid, dat de rotsen
veelal met een ijslaag waren overdekt.
De zoo juist genoemde cijfers hebben evenwel niet de minste waarde,
wanneer men ze niet beschouwt in verband met het aantal tochten
dat er in de Alpen wordt ondernomen. Dit met juistheid te noemen
is vrijwel onmogelijk, maar toch heeft men dit getal bij benadering
kunnen vaststellen door middel van de boeken, welke in iedere Alpenhut
aanwezig zijn en waarin het grootste gedeelte der toeristen hun naam
schrijven, met bijvoeging van de door hen ondernomen bestijging. In
het jaar 1901 bedroeg dit cijfer voor de Duitsche en Oostenrijksche
Alpen 78.000, voor de Zwitsersche en Fransche Alpen 20.000, te zamen
100.000. Wanneer men nu nagaat welk een uitbreiding het ski-loopen
heeft ondergaan en bovendien rekening houdt met het feit, dat het
aantal bergbestijgers de laatste jaren schrikbarend is toegenomen,
dan is het ongelukkenpercentage buitengewoon klein, zelfs kleiner dan
bij het voetbalspel, roeien, zwemmen enz. Ten slotte vergete men niet,
dat de meeste ongelukken vermeden hadden kunnen worden, wanneer de
regels waren opgevolgd, die ieder bergbestijger moest kennen.