»Toen ik vele jaren geleden op den Wengernalp vertoefde,« schrijft
Siegfried Hartmann in de Welt auf Reisen, »liet een naar mijn
herinnering te oordeelen jong ingenieur mij een blauwe groote teekening
zien, het plan voor den Jungfrauspoorweg. Andere reizigers zagen het
plan ook, en aan tafel maakte het het onderwerp uit van de gesprekken,
en als er weer een nieuwe toerist boven kwam en vol bewondering naar
de met sneeuw en gletschers bedekte bergreuzen keek, werd hem lachend
gevraagd: »Weet u 't al, men zal daar een spoorweg naar boven laten
loopen!« En de meesten keken dan met een blik, die scheen te zeggen,
dat ze het een flauwe grap vonden.
Ik geloofde toen al vast aan de mogelijkheid van de grootste triomfen
voor de techniek, vond het een wonderheerlijk plan, maar stond onder
de toeristen zoo goed als alleen. Enkelen, die wel geloofden aan de
mogelijkheid, spraken van de ontheiliging der natuur; anderen spotten
met het denkbeeld en maakten zich vroolijk over het dwergje mensch,
dat de Jungfrau met rails wou beleggen.
Geen van hen heeft gelijk gekregen. Hoewel thans inderdaad nog geen
trein den top van den grooten zwitserschen berg heeft beklommen, men is
toch al een heel eind gevorderd. De nette, door electriciteit gedreven
treinen van den Jungfrauspoorweg klimmen, door de eigen kracht van den
berg, door het water van de wilde Lütschine, gedreven aan de stang met
tandraderen omhoog. En van ontwijding der natuur kan geen sprake wezen,
want de scherpste kijker kan geen spoordam en geen rails ontdekken,
omdat beide in de tunnel liggen, en geen schrille fluit weerklinkt,
geen rook en roet ontsieren de verheven eenzaamheid.
Was het plan, een spoorlijn daar te bouwen moedig en grootsch, de
uitvoering is inderdaad geniaal geworden. Wat had meer voor de hand
gelegen, dan langs den machtigen Eigerwand direct een pad schuin omhoog
te maken in de rotsen? Men deed het niet, maar ging terstond den berg
in, om zoo van het begin af verhoogde veiligheid en onafhankelijkheid
van de weersgesteldheid te krijgen.
De rit is nu zeer indrukwekkend. Als de reiziger van het station
Scheidegg van de spoor van den Wengernalp op 2000 meter hoogte afrijdt,
gaat de spoorweg eerst door groene weiden langs den Fallbodenhubel. Dan
buigen de rijtuigen een tunnel in en komen in het gebied van het
onbegroeide steenpuin, terwijl op den achtergrond de groote blauwwitte
tong van den Eigergletscher zich vertoont. Daarna wordt het nacht;
de electrische lampen werpen hun geel licht op de angstig of verbaasd
of nieuwsgierig kijkende reizigers. Zacht en gelijkmatig drijft de
electrische draaistoommachine het gevaarte hooger in tegenstelling
met veel door stoom gedreven bergspoorwegen. De muren glinsteren van
het vocht, af en toe doet zich een nis voor, hier en daar komt ook
een klein lichtgat, dat door den tunnelwand in den vrijen bergmuur
is opengebroken. Al hooger en hooger gaat het. Het oog raakt aan
de duisternis gewend, en het bloed begint sneller te vloeien, de
ademhaling neemt ook in snelheid toe in de al dunner wordende lucht,
die niets heeft van de bekende tunnellucht, zoo onaangenaam bij de
groote bergtunnels en ondergrondsche spoorwegen.
Daar staat de trein stil; de tunnel is verwijd tot een grot. Station
Eigerwand, 2876 meter boven de zee. Men is het er niet algemeen
over eens, of die verwijding noodig was. Het uitzicht door de in
de rotsen uitgehouwen vensters in het Wergisdal, op de van hier uit
te overziene velden van den Lauberhorn, en van Tschuggen Männlichen
is zeker schoon, maar niet daarvoor kwam men hier heen. Wij willen
geen groene weiden en geen beboschte hoogten zien, maar ijs, sneeuw
en ijs. Het zou daar ook dwaas wezen, hier den rit af te breken,
zooals zoovelen doen. Het oponthoud moet worden beschouwd als een
pauze in den tocht, waardoor onze ademhalingsorganen een beetje op
hun verhaal komen in de ijle lucht.
Na een vrij langdurig oponthoud gaat de trein verder; er is geen
verschil merkbaar met het eerste deel der reis; we gaan weer door
den tunnel, maar weldra merken we, dat die niet meer rechtuit gaat;
we maken een bocht in den berg. Zonder dat wij iets kunnen zien,
hebben we het groene land den rug toe gekeerd, en het gaat naar de
gletscherwereld van het Berner Oberland. In de verte ontdekken we een
massa licht en we naderen het voorloopig eindpunt van de lijn, het
station Eismeer. Weer een wijde, door de boormachines gemaakte grot
grooter dan die bij Eigerwand. IJskoude lucht stroomt ons tegen, en
de door de spoorwegautoriteiten ter beschikking gestelde dekens worden
vaster omgedaan. Dan gaan we door een gang naar een reuzenrotsvenster,
dat ons een panorama uit het hooggebergte laat zien van eigenaardige
schoonheid. Blauw ijs en witte sneeuw, zoo ver het oog reikt, enkel
links op den achtergrond een paar kale, zwartbruine bergwanden. Rechts
rijzen de ijsmassa's als torens spits en puntig, of in zachte ronde
vormen. Daar leidt een smal, in de sneeuw uitgetreden pad stoutmoedige
wandelaars omhoog langs de Concordiahut naar den top van den Jungfrau,
tot mogelijk over een jaar of tien dit pad overbodig zal zijn geworden,
daar de spoorweg het heeft vervangen.
Wanneer de techniek de taak op zich neemt, die indrukwekkende schoone
natuur te openbaren aan duizenden menschen en dat wat vroeger slechts
te zien werd gegeven aan een klein aantal menschen, die er kracht en
tijd voor hadden, te maken tot gemeengoed van de menschenkinderen,
die midden in den harden levensstrijd staan, dan verdient dat zeker
onze dankbaarheid. En het was werkelijk een zware taak, die ze te
vervullen kreeg.
Op het station Eismeer is met den spoorweg ook de beschaving
gekomen. Er is een klein postkantoor vanwege de zwitsersche regeering
ingericht, waar de tallooze prentbriefkaarten worden afgestempeld,
en ook wordt er voortreffelijk voor het lichamelijk welbehagen
der bezoekers gezorgd. Een gedeelte der in de rotsen uitgehouden
galerij is afgesloten met reusachtige spiegelruiten, en men zit er
dus geheel beschut. Er is een restaurant met electrische verlichting
en electrische stookplaatsen voor de bereiding der spijzen. Wie zelf
eten meebrengt, moet een franc plaatsgeld betalen, maar niemand is
daartoe verplicht, want een kleine tunnel voor voetgangers leidt naar
een plek, waar men met een trap op den gletscher kan komen en zonder
het restaurant aan te doen, de wonderen der verheven natuurtooneelen
kan genieten. Maar buitendien zal bijna ieder dankbaar zijn obool
offeren, opdat de doelmatige inrichtingen hier boven ook voor anderen
mooi en goed in orde kunnen worden gehouden.«