VOLKEN VAN SUMATRA.

De wetenschappelijke belangstelling in ons Indië is groot in deze dagen

en allerlei deelen van den Archipel treden daarbij naar voren. Men weet

haast niet, waar en waarvoor de ijver grooter is, voor Nieuw-Guinea

of voor Celebes, voor Sumatra of voor Borneo, en de Selenka-expeditie

van Trinil op Java is lang niet het eenige voorbeeld van ijver, door

vreemdelingen betoond, om open vragen in onze koloniën op te lossen

of liever in te vullen met een passend antwoord.

Wat de volkenkunde aangaat, is Sumatra al een zeer bont complex,

een Oostenrijk-Hongarije in het Oosten. Van de oorspronkelijke

bewoners zijn er daar nog stammen en volken bewaard gebleven, die de

wetenschap voor problemen stellen, ongeveer zooals ook het geval is

op Malakka en Ceylon, Celebes en Borneo. De bazelsche heeren Sarasin,

Dr. Paul en Dr. Fritz, hebben veel studie gemaakt van die oervolken

en naast hen moeten in den laatsten tijd genoemd worden Dr. Wilhelm

Volz uit Breslau en Dr. B. Hagen, een Duitscher, die in 1905 een

reis naar Sumatra deed, om voor het ethnografisch museum in Frankfort

a. M. materiaal te verzamelen.

Van Dr. Volz is in Globus van Januari een studie over de bewoners der

door hem bereisde landstreken op Sumatra verschenen. Hij beproeft een

indeeling der verschillende volksgroepen, behandelt hun vermoedelijke

afkomst en geeft van elk der groepen de typische kenmerken op, als

daar zijn de afzondering der als overblijfsels eener oerbevolking

voortlevende Koeboes; de van Hindoeschen invloed getuigende cultuur

der Bataks, hunne sociale inrichtingen, het kannibalisme, melanesisch

van oorsprong, hun huisbouw, en zoo voort.

In een interessante monografie van Dr. B. Hagen, »Die Orang Kubu auf

Sumatra,« in 't begin van dit jaar verschenen, wordt een overzicht

gegeven van de litteratuur over het volk der Koeboes; zij begint

in 1827, toen J. E. de Sturler, de ontdekker der Koeboes, over hen

schreef in de Bataviasche Courant; na dien tijd zijn zij herhaaldelijk

bezocht en beschreven.

Men zoeke de Koeboes in het tot Palembang behoorende deel van de

alluviale vlakte, die ten noorden door de Batang Hari, in het zuiden

door de Moesi begrensd wordt. Toen Hagen de Koeboes van Moeara

Bahar bezocht, waren de »wilde« Koeboes van de Ridan-rivier in het

Rawasgebied nog niet ontdekt; het was de controleur G. J. van Dongen,

die in het begin van 1906 voor het eerst met deze meest oorspronkelijke

en in volkomen afzondering levende Koeboes kennis maakte. Vóór 1830

waren alle Koeboes nomaden; toen is het proces der nederzetting

begonnen; de troep die Hagen te Moeara Bahar te zien kreeg, had zich

eerst kort geleden daar gevestigd en had nog veel van de primitieve

eigenschappen behouden.

Er leeft dus op Sumatra nog geheel in den oer-toestand een deel van de

oer-bevolking, die zich, in het oer-woud bijna hermetisch opgesloten,

heeft kunnen vrijhouden van vreemden invloed. Tusschen Djambi en

Palembang leiden deze zoogenaamde wilde Koeboes een nomadisch leven,

ter plaatse blijvend zoolang zij er voedsel vinden en periodieke

overstroomingen hen niet tot heengaan nopen. Voor alles wat hun vreemd

is zijn zij uitermate schuw en in de wildernis die hun territoor is,

onttrekken zij zich gemakkelijk aan den zoekenden onderzoeker; met

niemand laten zij zich in; de buitenwereld bestaat voor hen niet. Dit

wantrouwen is niet een oorspronkelijke karaktertrek, maar het gevolg

van de wandaden, die de Maleiers zich van oudsher ten opzichte der

Koeboes veroorloofd hebben. De zuivere Koeboes spreken met verachting

over hunne soortgenooten, die van de Maleiers leerden handeldrijven

en stelen.

Het uitvoerige werk mag wel een aanwinst heeten voor onze koloniale

litteratuur, in zoo ver het onze koloniën behandelt, al wordt er de

oorspronkelijke nederlandsche litteratuur over Indië niet mee verrijkt.

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 109 / 353 题