ONDERWIJS AAN INLANDSCHE MEISJES.

Mevrouw De Clercq Zubli-Jacobs heeft in Eigen Haard van 27

Februari verteld van een school voor inlandsche meisjes, door haar

te Batoe-Radja in de residentie Palembang opgericht. Zij juicht het

toe, dat de regeering thans ernstig het onderwijs voor de inlanders

gaat behartigen, maar betreurt het, dat bij alle maatregelen tot

verbetering en uitbreiding van onderwijsinrichtingen zoo goed als

niet is gedacht aan de ontwikkeling der inlandsche vrouw.

Daarom moet persoonlijk initiatief voorgaan, en als dan de regeering de

aanvankelijk welgeslaagde pogingen steunt, kan men op grooter schaal

het werk voortzetten. Als ambtenaarsvrouw had Mevrouw De Clercq-Zubli

zich steeds voor de positie der inlandsche vrouw geïnteresseerd van

den beginne af, dat zij met het leven in de binnenlanden kennis

maakte. Haar trof de schuwheid van de vrouwen en meisjes evenals

het gemis aan vertrouwelijkheid. Te Batoe-Radja in de residentie

Palembang trad dat verschijnsel iets minder sterk op en tijdens haar

vijfjarig verblijf aldaar was zij met succes werkzaam in het belang

der inlandsche vrouw. Ze begon met een zestal dochters van inlandsche

hoofden dagelijks ten harent te ontvangen en die meisjes in te wijden

in de geheimen van de nuttige handwerken en het lezen en schrijven,

ook van de nederlandsche taal. Het zestal groeide weldra tot een

vijftiental aan, want de leerlingen brachten uit eigen beweging nieuwe

klantjes aan. Het waren meisjes van zes tot negentien jaar. Het idee

om een school voor haar op te richten, moest toen wel zich voordoen; de

controleur der onderafdeeling hield een conferentie met de hoofden, die

het plan goedkeurden en financiëelen steun toezegden. Dat was in 1904.

Een geschikte localiteit werd gevonden, die ook kon dienen voor de

huisvesting van die meisjes, die niet op de plaats woonden of haar

doesoens of dorpen niet in de buurt hadden, zoodat ze uit verwijderde

marga's, districten, moesten komen. De hoofden droegen drie gulden

in de maand bij, maar de stichtster van de onderneming hoopte, dat de

meisjes door haar werk zelf de zaak zouden kunnen bekostigen en dat ze

door het arbeiden op bestelling wat zouden kunnen verdienen. Het maken

van kant, de beroemde palembangsche kant, werd een bron van inkomsten;

inlandsche vrouwen gaven bij uitbreiding der school er les in, evenals

in weven en batiken; er kwam ook een dame uit Batavia, die zich met de

leiding van het gewone onderwijs belastte, terwijl Mevrouw De Clercq

Zubli het algemeen toezicht behield en het onderwijs regelde.

Er werd subsidie van de regeering verkregen, zoodat er alle kans

bestaat, dat de nuttige inrichting zal blijven bestaan, ook nu de

oprichtster door familieomstandigheden genoodzaakt was, gebruik

te maken van het recht tot verlof wegens langdurigen dienst. Haar

laatste arbeid in 1906 was nog een zending naar de jaarmarkt te

Soerabaya van eenige der bekwaamste leerlingen der school, wier werk

een eerediploma verwierf.

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 99 / 353 题