INTERESSANTE STUDIE OVER JONG-TURKIJE.

Prof. D. Snouck Hurgronje heeft van 25 Juli tot 23 September 1908

gewoond in Konstantinopel, en geeft over zijn verblijf aldaar en over

de nieuwe toestanden in het turksche rijk een beschouwing in de Gids

van Januari. Hij kwam juist een dag na de afkondiging van de nieuwe

grondwet aan in de belangwekkende stad, den juisten observatiepost

voor hem, die het leven en denken der huidige Mohammedanen tot voorwerp

zijner studie heeft gekozen.

(Tusschen haakjes zij hier even gezegd, dat Dr. Kuyper's boek »Om

de oude Wereldzee« een veer van beteekenis moet laten, omdat hij

verscheiden onjuiste mededeelingen heeft opgenomen en zich aan

vergissingen schuldig maakt, die lang zijn weerlegd door de mannen

der wetenschap.)

Onze geleerde kenner van oostersche toestanden kwam wel op een

uitgezocht oogenblik in de turksche hoofdstad aan, juist toen de

verbijsterende indruk, dien de afkondiging der grondwet maakte,

aanleiding werd tot een »kermis der vrijheid«, zoo volkomen in

tegenstelling met de oude toestanden. Ongeveer drie weken duurde de

opwinding met de vele en velerlei betoogingen. De ministers werden door

volksoploopen gedwongen om onder het oog van de leidende demagogen met

een plechtigen eed te beloven, liever hun laatsten druppel te zullen

plengen, dan ooit mede te werken tot wederafschaffing der grondwet.

Leest men in het Gidsartikel, wat de intellectueele demagogen

zich durfden veroorloven, om bij voorbeeld te beletten, dat

de staatsdienaren van het oude regime zich met de gestolen

millioenen uit de voeten maakten, dan staat men verbaasd over

zooveel stoutmoedigheid. De zin voor orde moet intusschen bij de

bevolking boven allen lof zijn geweest, en dat terwijl de politie door

afwezigheid schitterde, daar men inzag, hoe zij, de uitvoerster der

vroegere impopulaire dwang- en geweldmaatregelen, zoozeer den haat

en de verachting zich op den hals had gehaald, dat het niet mogelijk

zou zijn geweest, de bevolking van uitspattingen te weerhouden,

indien ze haar woede op de politie had kunnen koelen.

Vooral was die ordelijkheid verrassend, als men bedenkt, dat in die

stad van een millioen inwoners de deuren der gevangenissen waren

opengezet zoowel voor de gewone misdadigers als voor de politiek

verdachten; maar Jong-Turken, als de wijsgeer-geneeskundige Dr. Riza

Tewfik, deden dan ook al het mogelijke, om de zaak in de goede baan

te leiden.

Dr. Snouck Hurgronje behandelt in het Gidsartikel den invloed

van de gewonnen vrijheid op militairen en schriftgeleerden,

dagbladschrijvers en staatsambtenaren. De bevoorrechting van Europeanen

in regeeringsbureau's en bij maatschappijen of groote instellingen

is, merkwaardig genoeg, door den coup d'état opgeheven, en zoo is

een eind gemaakt aan een grief der inheemsche bevolking. De oude

regeering was voor die financiëele bevoorrechting steeds te vinden,

om toch maar de vreemde mogendheden te vriend te houden.

Het Comité van eenheid en vooruitgang had soms alleen moeilijkheden

met de uiteenloopende belangen van de verschillende nationaliteiten,

maar het ontzag diepgewortelde vooroordeelen met veel tact en beleid.

Wat de lezers ook zeer zal treffen in het artikel is de opmerking

over de openheid van de Turken in hun gesprekken en het weinige

standsverschil, dat er gemaakt werd. Wat een kolossale verandering, dat

wij het denkbeeld van die gesloten en trotsche Turkennaturen van ons

moeten zetten! Hoe verderfelijk heeft daar de druk van boven gewerkt!

De hoopvolle stemming van de jong-turksche leiders strekte zich ook

uit over de toekomst, die Armeniërs en Grieken, Arabieren en Koerden

en al die andere nationaliteiten aan het nieuwe zouden bereiden, en

de nederlandsche geleerde acht hun optimisme haast al te groot. Maar

»zonder optimisme komt niets groots tot stand«, en het zou gewaagd

zijn, zich aan profetieën te wagen.

Eén vraag bespreekt de schrijver nader, namelijk deze, welke

gevolgen de revolutie zal hebben voor het Panislamisme. Dat ideaal is

inderdaad een der grootste moeilijkheden voor de europeesche staten,

die Mohammedanen onder hun onderdanen tellen. Mooi zijn de weinige

bladzijden, aan dat onderwerp gewijd, en duidelijk als het geheele

artikel, dat wij heel veel lezers toewenschen.

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 63 / 353 题