Tot aan de Apulische vlakte gaat de spoorweg naar het Zuiden steeds
langs de zee. Men heeft aan de landzijde de steile rotskust, die
niet bijzonder hoog is, en alle kapen, waar de golven omheen spelen,
zijn bekroond met schilderachtige dorpen en stadjes. In de diep
ingesneden dalen liggen witte villa's tusschen donkere cypressen en
naast olijven- en citroenboomboschjes. Geuren van oranjebloesem komen
door de spoorwegraampjes binnen. Een uur ongeveer vóór Castellamare
komt dan de lijn in de vlakte. Men krijgt een vrij uitzicht naar het
Westen, en de sneeuwtoppen van de Abruzzen duiken op.
Van Pescara af verandert weer het beeld van het landschap, en men
krijgt een licht golvend, zandig heuvelland. En dan de Apulische
vlakte, die herinnert aan beschrijvingen uit het Oosten. Het is een
eindelooze grasvlakte, waar lange heuvelreeksen doorheen loopen. In
het Oosten onderscheidt men in het teedere blauw der lucht het van
boven geheel vlakke tafelland van den Monte Gargano, de spoor van
de italiaansche laars. Van Foggia uit worden dikwijls uitstapjes
naar dat bergland ondernomen, naar dien vroeger wereldberoemden
bedevaartsberg. Een rit van twee uren door een moerassige vlakte met
verspreide gehuchten voert u erheen. Steil daalt het tafelland aan de
kanten naar beneden; het lijkt een stuk aarde, uit een ver verleden
overgebleven, terwijl het omringende land vlak is geworden.
Een kunstwerk leidt ons naar het hooggelegen San Angelo; maar
men kan de plaats ook bereiken langs een steil voetpad met veel
kronkelingen. Men passeert dan veel interessante armoedige woningen,
die natuurlijke uithollingen zijn in het zachte gesteente. Van voren
ziet men de opening, die met een paar planken is dichtgemaakt, door
de hooge steenlaag erboven is een gat geboord voor schoorsteen,
en klaar is het huis.
Door zijn hooge ligging is San Angelo in het voorjaar lang koud, en
in Maart dwarrelt er nog dikwijls sneeuw door de straten. Het is een
eigenaardige plaats, hangend tegen de helling van het kalkgebergte,
met een zwarten toren oprijzend boven de armelijke huisjes van één
verdieping aan de straten, bestaande uit den naakten kalkbodem. Vuil
is alles er, en alleen de belangstelling in het oude heiligdom van den
aartsengel doet er enkele bezoekers komen. Dat is nog dezelfde grot,
waarin reeds de ouden in opgeheven houding met de handen ten hemel hun
gebeden opzonden tot den zeeënbeheerschenden Poseidon. De drakendooder,
de aartsengel Michaël, wordt overal met voorliefde vereerd op plaatsen,
die al in oude tijden heilig waren.
Langs een trap met vijftig treden daalt men in de ruime rotsholte,
bij welker ingang de kerk is gelegen. Het gebouw is half in de rots
uitgehouwen en heeft alleen het licht van den linkerkant. Rechts heeft
men den ingang van de wereldberoemde grot. Het beeld van den aartsengel
is een werk uit den tijd der late Renaissance, een marmeren figuur,
die iets minder dan levensgroot, den engel voorstelt in het pantser
met kroon, vleugels, schild en zwaard.
Zonderling als de stad zagen er ook de bewoners uit. Ze leken opvallend
op bekende typen van Afrika's noordkust, en wie weet, of men hier
niet te doen heeft met nakomelingen van de Saracenen van Frederik II,
die zich in de wildernis hebben teruggetrokken, om veilig te wezen
voor den kerkelijken ban en voor het zwaard van Anjou. Naar Manfred,
den zoon van keizer Frederik II, heet de door hem op de plek van het
oud-romeinsche Sipontum gestichte stad Manfredonia, een onbeduidend
stadje nu, aan zee met een door Manfred begonnen en door Karel van
Anjou voltooid kasteel, een vierkant met stompe torens en andere
vestingwerken, als zooveel in Zuid-Italië alles in diep verval.
Bari en Brindisi steken daarbij gunstig af en van Brindisi naar Reggio
wachten den reiziger naar Reggio dan nog 400 kilometer afstands,
waarvoor men 26 uren noodig heeft. Dat lijkt zonderling, maar het
raadsel wordt opgelost, als men weet, dat de spoorwegmaatschappij
tweemaal een oponthoud van vier uren heeft ingeschakeld, te Metapont,
waar de reiziger meestal de moeite doet, eenige resten van grieksche
zuilen, die aan den horizon verrijzen, te bereiken, en in Catanzaro,
een plaatsje, dat ongeveer acht kilometer van het station is
verwijderd. Het heeft bij de jongste aardbeving veel geleden,
maar wat is de schade, daar aangericht bij de verwoesting, waaraan
Reggio is onderworpen geworden. Als men van Cantanzaro naar Reggio
spoort, heeft men steeds de heerlijk mooie, diepblauwe zee aan zijn
linkerhand en rechts verrijzen de bergen. In tunnels vliegt men door
de met hun voet in het schuim der golven staande kapen, stoute bruggen
spannen zich over diepe, met rotspuin gevulde dalen. Die allen zijn
thans door de vloedgolf, die met de zeebeving gepaard ging gevuld,
en wie vroeger, verrukt over de mooie en belangwekkende dingen, die
hij had aanschouwd op zijn reis in Zuid-Italië, te Reggio aankwam,
vindt nu een stad van ruïnen; de aardige huizen en villa's op de
hellingen aan zee zijn weggevaagd, even totaal is er de verwoesting
als in het tegenover liggende, alleen door de straat van Messina
er van gescheiden Messina, waar dood en verderf als nooit te voren
hebben gewoed op dien onzaligen 28sten dag van December 1908.