De door Achter-Indië stroomende rivieren zijn daar, waar ze door
nauwe en diepe kloven de indochineesche gebergten doorstroomen,
wel hier en daar door ontdekkingsreizen gekruist; maar tusschen die
plaatsen in is haar loop nog vaak geheel onbekend.
Zoo was de Saloeën in 1895 door prins Henri van Orleans aangedaan
op de breedte van 26 graden en hij was over de rivier getrokken op
28 graden Noorderbreedte. Niemand echter had het gedeelte tusschen
beide punten onderzocht. Die leemte aan te vullen, was het doel van
een onderneming van den Engelschman Litton, die na zijn tocht van
December 1905 overleden is.
Zijn medereiziger George Forrest heeft thans over den tocht geschreven
in het Geographical Journal en aan den tekst een kaart toegevoegd. De
tocht, in Yunnan begonnen, ging eerst noordwaarts tot Pienma op 26
graden N.B. Van daar trok men oostwaarts; de waterscheiding tusschen
Irawady en Saloeën ging men over door een pas van 3200 meter hoogte
en bij de chineesche stad Lutsjang werd de Saloeën bereikt.
De reizigers gingen langs den westelijken oever naar het Noorden,
maar verlieten die richting om de moeilijkheid der proviandeering
en om de vele twisten tusschen de verschillende dorpen van den stam
der Lissu. Een brug, die niet anders was dan een touw, voerde over
de Saloeën op 27.05 graden N.B. Van den oostelijken oever trok men
over een hoogen pas naar de Mekong, die bij Jingpankai werd bereikt,
en van daar werd de terugtocht naar de Saloeën ondernomen ter breedte
van 26.45 graden N.B.
Op het pas onderzochte gedeelte is de Saloeën 80 tot 120 meter breed,
zeer diep en overal afgebroken door stroomversnellingen. Het was
in de droge periode en dus was de waterstand laag; in den regentijd
is die veel hooger, en op een plek vond men de bewijzen, dat in de
vorige maand Augustus het water tot twintig meter hooger had gestaan.
De Lissu, die op de genoemde breedten aan de Saloeën wonen, moeten
aan de Thibetanen verwant zijn. Ze zijn van de Chineezen totaal
onafhankelijk, maar zijn verzwakt door dorpstwisten. Elk dorp blijft
geïsoleerd en heeft een eigen dialect. Hoe noordelijker men in het
land der Lissu doordringt, des te wilder, barbaarscher en armer worden
de menschen. Opvallend waren hun groote bogen en pijlen, waarmee ze
op grooten afstand door dikke planken konden schieten en die vaak
vergiftigd werden, terwijl ze zeer knappe schutters bleken. Van
geregeld verkeer langs de Saloeën was geen sprake, slechts af en toe
komen eens chineesche kooplieden naar de Lissu.