Naar alle waarschijnlijkheid is Oostenrijk nu blijvend heerscher in
Bosnië en Herzegowina, dank zij het doortasten op den rechten tijd
van minister Aehrenthal, maar toch zal al het water van de zee niet
de schuld van Oostenrijk aan het willekeurig verscheuren van een naar
den eisch tot stand gekomen tractaat kunnen afwasschen. Feitelijk is
het niet met de goede trouw overeen te brengen, dat het groote rijk
blijvend de beide provincies bezet, terwijl het in April 1879 nog in
een plechtige overeenkomst beloofde, niet aan Turkije's souvereiniteit
te tornen.
Met veel mooie woorden moet de zaak worden goedgepraat, en werkelijk
moet het Oostenrijk niet moeilijk vallen, aan te toonen, hoeveel
beter de bedoelde provincies het hebben gekregen bij het stijgen
van Oostenrijks macht en invloed. In de materiëele dingen, die
handel en welvaart betreffen, niet alleen, ook in de geestelijke,
de confessioneele, is er oneindig veel verbeterd, sedert de groote
buur er de hand aan de ploeg heeft geslagen.
Oostenrijk verklaarde zich ten tijde van het Berlijnsche Congres in
1878 des te liever bereid, daar orde op de zaken te stellen, omdat
zijn invloedssfeer na 1866 in Italië, zoowel als in Duitschland sterk
had geleden. Frans Jozef stelde het zich ten plicht, zijn macht elders
uit te breiden, omdat het verlies van Venetië het bezit van Dalmatië
onzeker had gemaakt, als het verband van die provincie met het rijk
niet opnieuw door een achterland werd bevestigd.
De bezetting ging niet van een leien dakje; er moest maanden lang
worden gevochten, eer rust en orde waren hersteld, en de talrijke
rooverbenden hun handwerk onmogelijk was gemaakt. Toen dat eenmaal
gebeurd was, heeft Oostenrijk op verbazend overleggende en handige
wijze in partijtwisten en confessioneele verschillen het rechte weten
tot stand te brengen. Het stelde dadelijk de volkomen gelijke rechten
der verschillende belijdenissen vast. De Mohammedanen, de ergste
vijanden der nieuwe regeering mochten hun godsdienstige gebruiken
onaangetast bewaren en bleven afhankelijk van den sjeich ul Islam
in Konstantinopel. Ze kregen een eigen geestelijk opperhoofd in den
reis al ulema te Serajewo en behielden de toelagen voor moskeeën,
scholen en hospitalen.
De beide christelijke richtingen, de grieksch-orthodoxe en de
katholieke, erlangden nu eerst de rechten, die hun onder de turksche
heerschappij alleen op papier waren geschonken geweest. De eersten
staan onder metropolieten van Serajewo, Mostar en Dolnya Tuzla,
die aan den patriarch in Konstantinopel gehoorzamen. Zij vormen het
talrijkste deel der bevolking, 42 procent, terwijl de Mohammedanen
slechts een derde en de Katholieken maar 23 procent der bevolking
uitmaken. Deze hebben in Serajewo een aartsbisschop en bisschoppen
in Mostar en Banjaluka; zij zijn de oudste bewoners van het land en
werden in de laatstverloopen eeuwen het meest verdrukt. Thans zijn
het meest vrije boeren in een modernen staat.
Het wezenlijke succes, dat het nieuwe bestuur bereikte, was, dat
het gelukte, de hartstochtelijke vijandschap tusschen Mohammedanen en
Christenen, die in het geheele Oosten zoo groot is, hier te verzachten,
zoo niet geheel weg te nemen, doordat er vertegenwoordigers van
beide gelooven in de plaatselijke en provinciale besturen werden
aangesteld. Wel was het den Mohammedanen in den aanvang moeilijk
hun politiek en sociaal overwicht zoozeer te zien verminderen, en
inderdaad zijn duizenden uit het land vertrokken; maar de tijd en
het betere inzicht hebben hen geleerd, zich te schikken en de nieuwe
administratie als ook voor hen heilzaam te leeren waardeeren. De
landverhuizing hield langzamerhand op, en de bevolking is in de
laatste dertig jaren van 1158000 tot 1700000 gestegen.
Een tweede stap, dien de nieuwe regeering deed, om de inwoners
van het land aan den veranderden staat van zaken te gewennen, was
haar zorg voor de volksontwikkeling. Want onder de heerschappij der
Turken was er van een geordend schoolwezen haast geen sprake geweest,
ofschoon een uitgebreide schoolwet op papier stond. Er waren enkel
staatsscholen voor de Mohammedanen en het waren eigenlijk niet anders
dan godsdienstscholen, medressehs en mektaben. Ze bleven ook na
1878 bestaan, maar daarnaast werden ongeveer 250 volksscholen nieuw
opgericht. Jammer, dat ook niet dadelijk leerplicht werd ingevoerd,
want bij den indolenten aard van het landvolk wordt er nu niet genoeg
geprofiteerd, zoodat een groot percentage van het volk nog tot de
analphabeten behoort.
Daar staat tegenover, dat in de steden de ambitie voor onderwijs
en ontwikkeling verbazend groot bleek en dat de regeering daarin
aanleiding vond tot de oprichting van velerlei inrichtingen van
onderwijs, gymnasia, burgerscholen, handelsscholen, technische
scholen, boschbouwscholen en bergbouwscholen en zelfs in Serajewo een
juristenschool, die jonge Mohammedanen voorbereidt voor hun loopbaan
als kadi of rechter. Verder werd er voor het militaire onderwijs
en voor dat van meisjes gezorgd, werden ambachtsscholen geopend en
stichtingen voor de opleiding van onderwijzers. Veeteelt, ooftcultuur
en wijnbouw kregen hun inrichtingen tot opleiding van deskundigen; het
kunsthandwerk, dat van oudsher in tapijten en wapens had uitgemunt in
het land, kreeg geldelijken steun van den staat en een bosnisch museum
werd geopend. Al die beschavingsmiddelen werden door de steedsche
bevolking op prijs gesteld en er werd ijverig gebruik van gemaakt;
zij hebben niet weinig bijgedragen tot de opleving van het land.
De bonnes marques, die Oostenrijk daar op die wijs heeft verdiend,
zullen zeker op de aanstaande conferentie met gratie worden uitgereikt.