In de Abhandlungen des königlich zoölogischen und anthropologischen
Museums zu Dresden is als twaalfde deel verschenen een verhandeling
van Dr. Oskar Nuoffer over de kleine houten beeldjes, die de Papoea's
van Nederlandsch Nieuw Guinea hoog waardeeren, omdat zij ze beschouwen
als de woonplaatsen van de zielen van bepaalde afgestorvenen. Onze
lezers hebben ze wel in afbeelding gezien en erover gehoord in den
tekst, waarmee de directeur van het Rotterdamsch Museum voor land-
en volkenkunde de afbeeldingen deed vergezeld gaan.
De duitsche schrijver vertelt nu alles, wat er van die korwars
bekend is en belooft dat hij later zal behandelen de herkomst van
die beeldjes in verband met dergelijke figuren uit den indischen
Archipel. Aangaande een groep van die beeldjes, die schedelkorwars
worden genoemd, verschilt hij van meening met onzen ethnoloog
Wilken. Er zijn namelijk korwars, waarbij de echte schedel van den
voorvader in het hoofd van het houten beeld is geplaatst. Nuoffer
beschrijft eenige nieuwe schedelkorwars van die soort, die in het
museum te Dresden aanwezig zijn. Talrijk komen ze niet voor, en de
schrijver zegt, binnen welke grenzen men ze vinden kan. Hij is in
tegenstelling van Wilken van oordeel, dat het eenvoudige, alleen uit
hout bestaande beeldje het oorspronkelijke is, waarop eerst later
het gebruik is gevolgd, om den menschenschedel erin te bewaren.