Dezer dagen werd uit Berlijn aan de Nieuwe Rotterdamsche Courant
geschreven over de beteekenis van de kleinere musea voor volkenkunde
en over de bezwaren, verbonden aan de groote verzamelingen, die uit
den aard der zaak zich steeds uitbreiden, en waar gebrek aan ruimte
bijna altijd storend en belemmerend werkt. Het geschiedde naar
aanleiding van het Berlijnsche Museum voor Volkenkunde, dat onder
den last van de uitgebreidheid zijner collecties sterk gebukt gaat,
en waarvoor op dit oogenblik nog zes wetenschappelijke reizigers in
verre landen bezig zijn aan het bijeenbrengen van wat tehuis behoort
in dat centrum van de wetenschap der ethnologie.
Een van de reizigers voor het Museum, de heer Adolf Fischer, verhaalt
in de Gartenlaube over zijn vondsten in Oost-Azië, vondsten van antieke
kunst. Het grootste en innigste, dat de kunst in Oost-Azië heeft
voortgebracht, wortelt in den godsdienst, en dus waren het vooral
de kostbaarheden, die met den godsdienst verband hielden, waar hij
zijn aandacht aan had te wijden. Zijn expedities werkten in China,
Japan en Korea, waar de tochten soms onder allerlei gevaren moesten
worden volbracht, want in de drie jaren van de reizen (1905 tot 1908)
was de oorlogsfakkel nu en dan er ontstoken bij krijg of oproer.
De kunstschatten moesten dikwijls op afgelegen paden worden opgezocht,
vooral in China, dat bij den verwoestenden Taipingopstand schatten van
de grootste waarde heeft zien verloren gaan. Veel provincies werden
verwoest, en de overblijfselen der oude cultuur vielen daarbij als
offers. Als Fischer door verlaten steden en kale landstreken trok,
moest hij denken aan den toestand van Duitschland, zooals ons die
na den dertigjarigen oorlog wordt geschilderd. Het kostbaarste, dat
in de toekomst aan kunstschatten uit China is te verwachten, ligt in
den grond verborgen, waar de stormen, die het land hebben geteisterd,
het niet konden bereiken. Maar voorloopig is daar moeilijk aankomen
aan, want wie het waagt, de rustplaatsen der dooden te verstoren,
haalt zich tegenwoordig nog een doodvonnis op den hals.
In Korea is het haast net zoo gesteld; ijverzuchtig waken de Japanners,
de nieuwe heeren van het land, ertegen, dat kunstschatten uit de
vroegste perioden van Korea niet aan vreemdelingen in handen vallen,
maar naar Japan verhuizen. Trouwens er is niet veel meer, want in
vroeger eeuwen heeft het land veel geleden onder oorlogsgeweld en het
verarmde Korea deed reeds daarom alleen geen rijken oogst verwachten.
In Japan staan de zaken anders; daar vindt men musea, keizerlijke
verzamelingen, oneindig rijke kloosters, een historischen adel, die de
schatten van voorvaderlijke tijden trouw behoedt, en een in de laatste
jaren tot macht en aanzien gekomen plutocratie, die door haar geld,
juist als in Europa, de kunst steunt en tot zich trekt. Ofschoon dus
Japan het land is, waar verreweg de meeste kunstwerken uit vroegere
tijden zijn opgestapeld, is het uiterst moeilijk, er iets werkelijk
goeds te krijgen. Het gevaar, bedrogen te worden, is voor wie niet
grondig ingewijd is en degelijke kennis van zaken heeft, buitengewoon
groot. Japan is het land van vervalschers. Op alle kunstterreinen
worden de geraffineerdste nabootsingen met verbazingwekkende handigheid
uitgevoerd, en de Europeaan, die zonder degelijke voorbereiding komt,
laat zich waardelooze dingen in de handen stoppen.
Het wordt intusschen den vreemdeling in den laatsten tijd
gemakkelijker, ingelicht te worden, als hij de middelen daartoe
niet verwaarloost. Zooals alles in Japan in de laatste vijftien
jaren enorm is vooruitgegaan, zoo is het Museumwezen ook zeer veel
verbeterd. Men heeft nu niet meer alleen het Ujenomuseum in Tokio,
maar ook in Kioto en Nara zijn verzamelingen, waar de heerlijkste
stukken van oud japansche cultuur te zien zijn, en door een herhaald
bezoek aan die musea kan de Europeaan zeer veel leeren, vooral omdat
de kunstvoorwerpen steeds voorzien zijn van uitvoerige bijschriften
in het Engelsch.
Bezoeken ook aan de klassieke schatten, in de kloosters bewaard, aan
tentoonstellingen van kunstvrienden, aanbevelingen aan bezitters van
belangrijke verzamelingen kunnen van nut zijn, en ten overvloede geven
geïllustreerde prachtwerken met engelschen tekst den belangstellende
al, wat hij noodig heeft te weten, om echt en onecht te onderscheiden.
Uit de vroegste tijden van het Boeddhisme heeft de heer Fischer
voor zijn Museum een en ander kunnen veroveren van groote waarde,
beelden en schilderijen en fresco's. Zoo is er een beeld van Jizo,
den beschermer der bedrukten uit de dertiende eeuw na Chr., dat in
kleur en in het kenschetsend goudreliëf van den rand van het kleed
herinnert aan Italiaansche meesters uit denzelfden tijd.
Uit de zevende eeuw na Chr. heeft de verzamelaar een beeld van
den god Enno Gyoya meegebracht, wien de vermoeide pelgrims hun
strooien sandalen offeren, en uit dienzelfden tijd is de demon Myodoki
afkomstig. Van groote historische waarde is de meer dan vier voet hooge
bronzen Kwannonfiguur, de door Borel zoo dichterlijk verheerlijkte
godin der barmhartigheid.
Een meesterwerk van oud japansche beeldhouwkunst is de door den
beroemden beeldhouwer Joche gemaakte en uit den bloeitijd van 1017 tot
1036 afkomstige Jizo, den beschermer der bedrukten, wiens beeld men
op alle japansche kerkhoven en in de boeddhistische tempels vindt. De
val der plooien van het gewaad is klassiek mooi, en het voetstuk in
den vorm eener lotosbloem is zeer harmonieus van lijn.
Merkwaardig is nog een reliëf, dat Fischer heeft meegebracht, een
reeks van figuren voorstellend in drie rijen boven elkander. Het
moet het eerste vóórboeddhistische reliëf wezen, dat ooit China
verliet. Er worden tooneelen op voorgesteld uit het leven van een
hoogwaardigheidsbekleeder. Verrassend is de overeenkomst van dit
steenen grafreliëf uit China met oudassyrische en oudbabylonische
dergelijke werken. De steen is geribd, en de voor stellingen liggen
twee centimeter diep. Bij de zeldzaamheid van oude kunstwerken in
China zijn die oude grafreliëfs, die op het eind van de achttiende
eeuw door een toeval (1786) zijn ontdekt en die als heilige relieken
worden bewaard door de Chineezen, van groote waarde. Zij wekken bij de
onderzoekers een reeks van vragen naar aanleiding van de verrassende
overeenkomst der voorstellingen met die op oudbabylonische reliëfs.
Is het die cultuur geweest, die de oud-chineesche, vóórboeddhistische
beschaving rechtstreeks onder haren invloed kreeg, of ontbreken ons nog
de verbindende leden, die vermoedens tot zekerheid kunnen doen worden?