Een van die reuzenrampen, als waarvan sommige Oostersche landen het
monopolie schijnen te bezitten, heeft in Britsch-Indië in 't laatst
van September een mooie, groote stad totaal verwoest. Hyderabad even
ten oosten van den Indus aan den spoorweg naar Karatsji gelegen en
hoofdstad van het rijk van den Nizam van Hyderabad, is zoo goed als
geheel van den aardbodem verdwenen door een overstrooming, gevolg
van hevige regens, waardoor een reusachtig waterréservoir zijn inhoud
over de stad uitgoot.
Het had dertig uren aaneen geregend en het regende nog, toen op
Zondagmorgen, den 27sten September, een meer van zeven mijlen in
omtrek, de Hussein Sangor Tank, zich met donderend geweld stortte in
het dal van het riviertje, de Moesi, waaraan Hyderabad is gelegen. Het
waterbekken bevond zich op een hoogte van dertig voeten boven de stad,
en de enorme massa water breidde zich uit over een oppervlakte van
tien vierkante mijlen.
Het hospitaal van Afzul Gunj, waar meer dan honderd patiënten
waren opgenomen, stortte in; het oude paleis en de tuinen van den
engelschen Resident leden groote schade. De resident was toevallig
afwezig. De regen hield nog voortdurend aan en bij de overstrooming
was de stad weldra geheel geïsoleerd. Met booten en olifanten werd
het reddingswerk ondernomen te midden der bruisende wateren, opdat
men onder en tusschen het puin der ingestorte wijken nog zooveel
mogelijk levenden zou kunnen te voorschijn brengen. Maar duizenden
en duizenden hebben er den dood gevonden. Vijftien duizend wordt als
cijfer van de slachtoffers genoemd.
Europeanen en inlandsche ambtenaren ondersteunden de troepen en de
politie van den Nizam bij de reddingstaak. In de buurt van het Afzul
Gunj Hospitaal en den Begum-Bazar was alles als weggevaagd, huizen,
boomen en wegen; er was niets dan puin en water, met lijken en gewonden
ertusschen. Vier groote bruggen waren weggeslagen; de westelijke
voorsteden en de kleine dorpjes in de buurt waren alle verwoest.
Bij hun bezoek in 1906 hadden de prins en de prinses van Wales den
eersten steen gelegd van het Victoria Zenana-hospitaal, waar bij de
ramp nu personeel en patiënten nauwelijks aan den dood ontkwamen,
door op het hoogste deel van het dak van het hevig beschadigde gebouw
een toevlucht te zoeken. Van daar werden ze met booten gered.
De naaste toekomst ziet er voor de geteisterde streek donker uit, omdat
pest en hongersnood, twee niet onbekende gruwelen in Voor-Indië, haast
niet kunnen uitblijven na een ramp als deze. Met groote sommen zijn
de britsch-indische regeering en die van den Nizam de noodlijdenden
te hulp gekomen.