[Voetnoot 1: Daar men in Vondels tijd nog niet gewoon was, de stomme
slot-e met den volgenden klinker te laten samensmelten, was deze
afkorting van 't lidwoord (thans alleen voor _den_ in zwang) noodig.
Verg. ook in den volg. regel _D' ondeugd_, en later _D' ootmoed_.]
[Voetnoot 2: Thans _zich_.]
[Voetnoot 3: Naam der rederijkers-kamer, in welke Vondel dit lied dichtte.]
[Voetnoot 4: _Buiten den kring van 't feest_; dit laatste woord (naar
den aard van 't lat. _festa_) oudtijds vrouwelijk, verscherpte alras,
door de werking der f, de voorafgaande d, en werd daardoor allengs als
onzijdig beschouwd. Evenzoo _venster_ (beter _fenster_) voor 't lat.
_fenestra_.]
[Voetnoot 5: Kristus en zijn kruis.]
[Voetnoot 6: _Het beminde kind_, nam. de Liefde.]
[Voetnoot 7: _Minzaam_, _liefelijk_.]
[Voetnoot 8: _Eenvoudig_.]
[Voetnoot 9: _Verzaakt_.]
[Voetnoot 10: Thans _om te_; verg. vroeger.]
[Voetnoot 11: _niet_.]
[Voetnoot 12: Voor _leed_.]
[Voetnoot 13: _Volkomen_.]
[Voetnoot 14: Voor _beheerschen_.]
De Jacht van Cupido.
In het zoetste van den tijd,
Als Zefyrus Flora vrijdt[1],
Als Febus[2], met helder stralen,
Taurus[3] snel ging achterhalen,
Kwam Cupido, Venus' zoon,
's Morgens tot zijn moeders troon,
Eer Titons bruid[4], met verlangen,
Vertoont haar bloeyende wangen.
Venus lag in ruste zoet,
Die door Lethes[5] werd gevoed;
Cupido, met heuscher spraken[6],
Onverziens haar deed ontwaken:
"Moeder! (riep hij) slaapt gij zacht?
'k Neem oorlof, ik ga ter jacht."
Zij ontsprong[7], en goedertierig
Schoof op haar gordijntjens cierig[8]:
"Wel (sprak zij), mijn zone waard[9]!
Aanvangt[10] gij uwe dagvaart?
Ik wensch, uw kracht zoo vermeere,
Dat niemand uw pijlen keere;
Keert in tijds tot mijn paleis,
Fortuin bejongstig' uw reis!"
Fluks heeft zich Cupido waardig
Tot de jacht snel gemaakt vaardig;
Niet, als Adonis, beangst[11]
Om der wilder[12] dieren vangst,
Maar om hemel en aard' tranig[13]
Zich te maken onderdanig.
Hij streelde zijn haar verguld,
Zijnen koker hij vervuld'
Met zijn pijlen, t'wreed bezuren[14],
Doch verscheiden van naturen,
Waarmeê hij, zonder geschil,
De minnaars pijnt naar zijn wil;
Hij ontsloeg[15] zijn wakkre vlerken,
Om zijn krachten te doen werken;
Eer hij toegemaakt[16] vol jonst
Was, door der Chariten[17] konst
Zag hij 's werelds lamp[18] verschijnen,
Nu hij tot de reis ging pijnen[19].
Aura[20] en Zefyrus beid'
Speurend, dat hij was bereid,
Als voorboden gingen zwieren,
Beekskens, blaadren deden beven;
Cupido haar volgde snel,
Om spelen 't gewoonlijk spel.
Beiden, menschen ende Goden,
Haast vernamen, door dees boden,
Wat kwale hen overviel,
Tot beroering van hun ziel;
Maar eer zij konden ontvluchten
Dezen schutter, 't pijnlijk zuchten,
Werden zij, in korter[21] stond,
Van zijn pijlen wreed doorwond;
Gelijk 't nachtegaaltjen jeugdig,
't Welk, in 't kwinkeleeren vreugdig,
Onverziens zich vindt bezet
In des vooglaars listig net,
Alzoo dees vrijen, in orden[22],
Moesten Liefdes slaven worden;
Jupiter[23], uit den Olimp,
Die voormaals, met spot en schimp,
Dezen jager ging begekken,
Moest nu Liefdes keten trekken;
Apollo, en Pluto rijk[24],
Mercurius, vol praktijk[25],
't Moest al onder zijn juk buigen:
Mars moest Venus borsten zuigen,
Niet de rechter borst vol wijn,
Maar de slinke vol venijn;
Lyaeus[26], voor zijn zoete druiven,
Moest van Liefdes spijze kluiven;
't Kind hield d' overhand in 't perk[27]
Over menschen, Goden sterk,
Ving en schoot stadig vol kwalen,
't Waar te lange om verhalen;
En, gelijk 't vermoeide hert,
't Welk in strikken is verward,
En 's jagers list is beproevig[28],
Schreyet bittre tranen droevig,
Alzoo ook met tranen elk
Moest vervullen Venus' kelk;
Deze schutter, naar zijn wenschen,
Trefte[29] Goden ende menschen.
Den tijd, die (steeds onvermoeid)
Gedurig voortvaart en spoeit,
Liet Hesperus[30] zien, terwijlen
Cupido verschoot zijn pijlen;
D'avond dekte 's werelds oog,
't Weeldrig kind van Pafos vloog,
Om zijn moeder te verzellen,
En zijn avontuur vertellen;
Als Venus haar kind vernam,
Zij hem in haar armen nam.
[Voetnoot 1: Als 't Westewindjen met de bloemen koost.]
[Voetnoot 2: De Grieksche Zonnegod.]
[Voetnoot 3: De Grieksch-Latijnsche naam van 't sterrebeeld de Stier.]
[Voetnoot 4: Aurora,'t morgenrood.]
[Voetnoot 5: de vergetelheid.]
[Voetnoot 6: _met heusche taal_.]
[Voetnoot 7: _Sprong op_.]
[Voetnoot 8: Anders _sierlijk_, _fraai_.]
[Voetnoot 9: Thans _mijn waarde zoon_.]
[Voetnoot 10: Thans _vangt aan_.]
[Voetnoot 11: _bezorgd_, _er op uit om_, _begeerig, belust_; 't laatste
ware dan ook wel zoo juist geweest, en 't eerste waarschijnlijk alleen
om het rijm gekozen.]
[Voetnoot 12: Naar den weggeslonken verbuigingsvorm; thans _wilde_.]
[Voetnoot 13: _in tranen_.]
[Voetnoot 14: _Tot wreede kwelling_.]
[Voetnoot 15: _Sloeg open_, _ontvouwde_.]
[Voetnoot 16: _klaargemaakt_.]
[Voetnoot 17: De drie _Graciën_, _Bevalligheden_.]
[Voetnoot 18: _De zon_.]
[Voetnoot 19: _Voor zich op reis ging begeven_.]
[Voetnoot 20: _zacht windjen_.]
[Voetnoot 21: Thans (bij weggeslonken verbuigingsvorm) _korte_.]
[Voetnoot 22: _Naar den rij af_.]
[Voetnoot 23: De Grieksch-Latijnsche hoofdgod, die op den Olymp zetelde].
[Voetnoot 24: Uit dit bijv. naamw. zou men een verwarring van den God
des rijkdoms (Plutus) met dien der onderwereld (Pluto) vermoeden.]
[Voetnoot 25: _vol sluwheid_ (als de God van handel en dieven).]
[Voetnoot 26: Bacchus.]
[Voetnoot 27: _strijdperk_.]
[Voetnoot 28: _beproeft_, _ondervindt_.]
[Voetnoot 29: Verkeerdelijk voor trof.]
[Voetnoot 30: De avondster.]
Dedicatie
AAN DE JONKVROUWEN
VAN FRIESLAND EN OVERIJSEL[1].
Als Venus goedertier[2] de liefd' ter werelt bracht,
Werd Jupiter beroerd, die terstond alle Goden
In 's Hemels hoogste zaal liet dagen door zijn boden,
Die aan dit kinds gedaant'[3] oordeelden, met voordacht,
Dat hij de menschen zoû beroeren met tweedracht;
Dies zij bestemden[4] al dit dartel kind te dooden.
Venus dit haast[5] vernam, is met haar kind gevloden.
En bracht het om te voên bij u, o zoet geslacht!--
Dit kind hebdy[6] gevoed, geleerd, en bovendien
Met boog en pijlen straf gewapend en voorzien;
Het treft (naar uwen wil) ons met zijn scherpe stralen[7],
Dat wij, als zwanen droef, vóór onzen ondergang,
Met een treurig geluid u bieden ons gezang;--
Jonkvrouwen! uw gezicht laat minlijk daarop dalen!
[Voetnoot 1: Onder dezen titel kwam dit klinkdicht in _Den Witten
verbeterden Lusthoff_ (Amsterdam bij Dirk Pietersz, in de Witte Persse,
1607) het eerst voor, en schijnt (naar Van Lenneps opmerking) uit een
handelsreis van den jongen Vondel naar beide provinciën geboren. Later
gaf hij het, onder zijne _Oude Rijmen_, met het opschrift _Aan de
Jonkvrouwen van Nederland_ uit.]
[Voetnoot 2: Thans de goede Venus.]
[Voetnoot 3: Uit de gestaltenis van dit kind wijselijk opgemaakt.]
[Voetnoot 4: _Bepaalden_; verg. over dit woord de juiste opmerkingen van
Mr. A. Bogaers in den _Taalgids_ IV, 1.]
[Voetnoot 5: _ras, spoedig._]
[Voetnoot 6: Saamgetrokken uit _hebt gij_ (of eig. gy.)]
[Voetnoot 7: _pijlen._]