Prinsen, de Bruid present, voor al die zijn vergaârd,
Laat ons voor 't slot en end, 't geluk haar lieflijk bieden;
Dat God zijn zegen wendt, als David ons verklaart,
In zijn Psalm maakt bekend, klaarlijk voor alle lieden:
Wel, die den Heere vreest! Geluk zal hem geschieden,
In al zijn wegen zal[23] verleenen overvloed,
Uw wijf zal gelijk zijn den wijnstok, na 't bedieden[24],
Die vrucht draagt t' zijner tijd, zij zal ontvangen spoed[25];
Aan den Disch, als een kroon, uw kinders lieflijk zoet,
Als olijfranken schoon, zult gij ze klaar aanschouwen,
Met veel weldaden meer, van God verkrijgen goed:
De Heer geev' haar doch kracht, om inliefd' niet te flaauwen,
Maar Jonst hen voege t' zaâm, begeerig na vreeds-dauwen,
Als d' Haas-baart zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken,
Snakkend naar 't water Claar; 'k en kan 't beter gelijken.