Verheugt, o Febi jeugd![2] door dezen zoeten tijd:
De Zomer, door zijn deugd, vertoont zijn groene blaâren;
't Gevogelt' zich vervreugt, 't gediert' in 't Bosch verblijdt;
't Veld lacht elk toe verjeugd; vliedt weg alle bezwaren!
Droefheid, neemt[3] fluks uw keer! nijd, strijd, wilt henenvaren!
Voor u de Bruiloft wijkt, zoo gij daar komt omtrent.
Klein, groot, ja wie 't mag zijn, jong' jeugd of grijze haren,
Zijt welkom in 't gemeen; weest gegroet hier present,
Die om[4] vergad'ren hier, u zoo ootmoedig[5] kent,
In liefd' sticht'lijk verheugd, bij een met rein manieren.
Dus zeg ik nog: vliedt fluks van hier, gij nijdig tieren!
Laat jonst[6] begeerig zijn, gelijk eens Herts bestieren,
En d' Haas-baart[7] zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken,
Snakkend naar 't water Claar[7]; 'k en kan 't[8] beter gelijken?
Geenszins en laat in zang Hymenaeus[9] zijn verhoogd
Noch Thalassus[10] geclangh, maar Godes lof voortbringen,
Hoe hij overvloed schank[11], en 't water gansch verdroogd,
Zonder iemands bedwang, betoond' zoo vreemde dingen,
Uit 't water, wijn zeer klaar, als een fontein deed springen,
Vervuld' zes kruiken vol, in 't Galilesche land;
Te Cana in de Stad, een Bruiloft zonderlingen,
't Eerste teeken Christi, men elk maakte bekand[12].
Door zulks ons merk'lijk leert[13], dat in't Huwlijks-verband
Alleen men eerlijk hoort te houden goed' geruchten:
Den getrouwden hij meest behoeden zal voor schand':
Wie hem met lust bemint, en derft[14] voor niemand duchten,
Zoo liefd' begeerig haakt, als 't Hert doorsnelt gehuchten
En d' Haas-baart zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken,
Snakkend naar 't water Claar; 'k en kan 't beter gelijken.
Wat Christus, met zijn Bruid, elkeen te kennen geeft,
Laat ons, met goed beduid, elkander daarin stichten,
Die hij met zoet geluid, zoo vriend'lijk roept beleefd:
Komt, overschoone spruit, die mijn hart kan verlichten!
Mijn paarl, mijn edelgrein[15], ter weiden komt bedichten!
Schoon' bloem en Roos in 't dal, nooit minnaar mijns gelijk,
Voor niemand zijt bevreesd, Rein' Duivel wilt niet zwichten,
Die uitverkoren zijt! Mijn jonst zonder afwijk,
Al laagt gij hier veracht, in 't bloed, op 't veld, in 't slijk,
Vertreden van elkeen, nochtans u niet begeven[16],
Maar wiesch uw aanschijn schoon, welriekend met praktijk,
Balsemd' uw zoeten reuk, boven al waard verheven[17];
Als gij schier waart vernield, mijn liefd' vurig gedreven,
Als d' Haas-baart zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken,
Snakkend naar 't water Claar; 'k en kan 't beter gelijken.
Gods kerke de Bruid recht, 't lichaam Christi eenpaar
Van Christo, haren echt[18], werd zij zalig naar reden,
Zeer lieflijk hij beslecht al haar zaken eerbaar,
Mint, naar reden en recht, alleen zijns lichaams leden,
Die al ter Bruiloftsfeest lieflijk werden gebeden,
Verkoren volk alleen, uit goedaardig geslacht;
't Bruiloftskleed zij ontfaân[19] door dezen Vorst vol vreden,
Zijn' Bruid wordt bovenal aldaar waardig geacht,
Zittend' in Haar Troon na de genooden wacht[20],
In witte zijd' gekleed, met paarlen fraai behangen;
Een kroone zij ontvangt, van den Bruid'gom gewracht[21],
Een Trouwring, haar bedacht, Zijns geests, heeft zij ontvangen.
Hierom spoedt u ter feest, begeerig met verlangen
Als d' Haas-baart zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken,
Snakkend naar 't water Claar; 'k en kan 't beter gelijken.