Den volgenden morgen zetten wij onze reis door de vallei van den
Erymanthes voort, langs een pad dat tegen de hellingen van den berg
Zembi omhoog klautert en naar Anastasova voert, een klein dorp,
door eeuwenheugende notenboomen omringd. Verder wordt het pad zoo
steil en met steenen bezaaid, dat de paarden elk oogenblik gevaar
loopen in den afgrond te storten, waarlangs de weg loopt. Na over
een bergpas te zijn getrokken, waar een ijskoude wind ons tegenwaait
en van waar men de toppen van alle naburige bergen kan overzien,
van de golf van Korinthe tot het dal van den Alpheios, dalen wij
onophoudelijk. Wij rijden door eene smalle vallei, midden door
een bosch van verschrompelde en onmogelijke eiken, tot aan de stad
Kalavryta, waar wij eindelijk na een tocht van zes uren aankomen,
allen te zamen, menschen en beesten, uitgeput van vermoeienis.
Kalavryta, de hoofdplaats eener eparchie en dus de zetel van een
prefect, is eene kleine stad van ruim tweeduizend inwoners, met eenige
naar europeeschen trant gebouwde huizen en tuinen met moerbeziënboomen,
andere vruchtboomen en zelfs oranjeboomen beplant. Deze laatste
boomsoort lijdt hier evenwel een kwijnend leven, want deze vallei van
den Buraïkos, waar meermalen alle middelen van gemeenschap door de
sneeuw worden gestremd, is een koud land met eene ruwe, woeste natuur.
Er heerscht vrij veel levendigheid in de straten, vooral in den
bazar, waar wij geen enkel produkt aantreffen, dat meer bijzonder
aan het land eigen is, tenzij eene soort van harde en vaste kaas,
die veel overeenkomst heeft met parmesaansche kaas. In de oudheid was
de kaas van Achaje en van Sikyon wijd en zijd beroemd en een van de
onmisbaarste artikelen in elke goede keuken.
Onder de bewoners van Kalavryta is de albaneesche type zeer duidelijk
kenbaar. Vele van de Albaneezen, die ten jare 1770, met de Turken
in Morea doordrongen, hebben zich in het land gevestigd, maar hunne
afstammelingen hebben zich al spoedig met de oorspronkelijke bewoners
vermengd, en zoo is de zuivere albaneesche type nog slechts in de minst
bewoonde, onbeschaafdste gedeelten des lands bewaard gebleven. Zoo
vindt men nog heden, in het hart der bergstreken, echt albaneesche
namen van dorpen en vlekken, als Louhavitza, Martinitza, Khalovo,
Kerpeni en zoo vele anderen. Een aantal dorpen in deze provincie worden
nog heden bewoond door de nakomelingen van de overweldigers, en in
sommigen spreekt men ook nog de albaneesche taal. Het albaneesche ras,
van slavischen oorsprong, onderscheidt zich zeer kennelijk van het
grieksche. De Albaneezen zijn, over het algemeen, zwaar gebouwd; hun
hoofd is rond, het benedenste gedeelte van hun gelaat is breed, hun
voorhoofd is smal en laag; hunne trekken zijn ruw en grof, en hunne
oogen meer levendig dan geestvol. Zij zijn arbeidzaam, geduldig en
matig, maar gierig. In verstandelijk opzicht, in vlugheid van begrip en
scherpzinnigheid, moeten zij ongetwijfeld voor de Grieken onderdoen:
van daar dat zij zich ook in het maatschappelijk leven zelden boven
het middelmatige verheffen; maar de zucht tot intrige en de politieke
razernij, twee zeer leelijke eigenschappen van het grieksche karakter,
zijn hun ook ten eenemale vreemd.
De albaneesche vrouwen zijn rijzig van gestalte, maar haar trekken
zijn hoekiger en forscher dan die der grieksche. Haar gewone
kleederdracht bestaat uit een dik hemd van grove wollen stof, dat
op de borst geopend is; daaroverheen dragen zij een soort van lang
open buis, zonder gordel. Zij verrichten allen huiselijken arbeid,
bereiden de spijzen, en gaan ook, met groote kruiken op haar hoofd,
naar de fontein om water te halen; maar zij gaan nooit naar de markt,
waar de verschijning van eene vrouw algemeen opzien zou baren. De
mannen gaan, met een korfje in de hand, des morgens de noodige
inkoopen doen. Op zon- en feestdagen trekken de albaneesche vrouwen
hare beste kleederen aan en tooien zich met al haar sieraden; maar
ook dan is haar kostuum plomp en onbevallig. Over het wollen hemd
trekken zij dan eene lange gekleurde tuniek aan, benevens een zeer
rijk geborduurd vest. Een korte rok, van zeer sprekende kleur, bedekt
een gedeelte van de tuniek. Een met gouden franjes omzoomde sluier of
doek omgeeft hoofd en hals; langs den rug hangen twee lange vlechten,
die tot bijna aan de voeten reiken en met een dikken knoop van roode
zijde eindigen. Zoo uitgedost zitten zij den ganschen dag voor de
deur harer woning neergehurkt, weinig pratende en nog minder lachende.
Wij mochten niet verzuimen, de overblijfselen te gaan bezoeken van een
frankisch kasteel, dat omstreeks een uur gaans van de stad, op den top
eener hooge en steile rots is gebouwd. Deze top is slechts van eene
zijde, langs een smal en moeilijk pad te genaken; overal ziet men
nog de overblijfselen van den muur, die vroeger den geheelen omtrek
van het rotsterras omgaf: deze muren hebben eene gezamenlijke lengte
van achthonderd el en zijn nog vrij goed bewaard gebleven. Van twee
torens zijn nog gedeelten in stand gebleven; overal ziet men binnen
de ruimte overblijfselen van woningen en waterbakken. Deze vesting,
die nog heden door de Grieken het kasteel der Franschen genoemd wordt,
is eene der belangrijkste, welke ik in Morea heb aangetroffen. Niet
alleen was dit fort van groot strategisch gewicht, daar het de passen
van den berg Khelmos beheerschte, maar de heer van Kalavryta was ook
een der hooge baronnen of pairs van Achaje, die over zijn onderdanen
het recht van leven en dood had.
Toen Villehardouin, in 1208, het door hem veroverde land onder zijne
ridders verdeelde, werd Kalavryta met twaalf leenen aan Raoul van
Doornik gegeven, van wien vele nakomelingen in de kronieken vermeld
worden. Vermoedelijk is deze familie eindelijk uitgestorven, of gingen
hare bezittingen door huwelijk over aan de familie van Trémouille,
heeren van Khalandritza, nabij Patras, want op een heuvel tegenover
het groote kasteel van Kalavryta, ziet men de ruïnen van een klein
fort, waarop nog de naam van Tremoula te lezen is.
Gedurende den onafhankelijkheidsoorlog versterkten de Grieken den
ouden burcht van Kalavryta, van waar zij, door teekenen, gemakkelijk
in verstandhouding konden blijven met de benden, die de ongenaakbare
passen en grotten van den Khelmos bezet hielden. Van Kalavryta en
van het naburig klooster van Hagia Lavria ging het teeken uit tot
den opstand tegen de Turken; Andreas Zaïmis, primaat van Kalavryta,
Germanos, bisschop van Patras en Andreas Loudos, primaat van Vostitza,
waren onder de eersten, die den nationalen weerstand organiseerden, den
door herhaalde nederlagen geknakten moed der Grieken weder opbeurden,
en de hulp of medewerking der vreemde mogendheden inriepen.
"De Hellenen," zoo schreef Germanos aan de consuls der europeesche
mogendheden te Patras "ten prooi gelaten aan de steeds ondragelijker
wordende onderdrukking der Turken, hebben eenstemmig besloten, het
juk af te werpen of te bezwijken. Wij zijn opgestaan om onze rechten
te heroveren; wij houden ons overtuigd dat de koningen en de volken
het goed recht onzer zaak zullen erkennen en dat zij ons hunne hulp
niet zullen weigeren, gedachtig aan de diensten door onze voorvaderen
aan de menschheid bewezen. Wij bidden u daarom, door uwe voorspraak
de welwillendheid en de bescherming van uwe doorluchtige souvereinen
voor ons te verwerven."
Men weet, hoe die souvereinen aanvankelijk op deze dringende roepstem
antwoordden. Frankrijk alleen toonde zich welwillend en edelmoedig
jegens de mishandelde en vertrapte Grieken, en de fransche consul
te Patras, de heer Pouqueville, verborg met gevaar van zijn leven,
honderden vluchtelingen in zijn huis, terwijl Yoessoef-pâsja een
gouden mahmoediëh betaalde voor de afgehouwen hoofden der Christenen,
en terwijl de gouverneur van Tripolitza de primaten en bisschoppen van
den Peloponnesos, die hij zoogenaamd om eene verzoening te bewerken
saamgeroepen had, verraderlijk vermoordde. Germanos en Zaïmis hadden
gelukkig aan de uitnoodiging geen gehoor gegeven.
Ondanks den treurigen afloop van den opstand te Patras, breidde de
beweging zich hand over hand uit, en binnen drie weken zagen de Turken
zich genoodzaakt hunne woningen te verlaten en eene schuilplaats
te zoeken in de versterkte steden Patras, Tripolitza, Navarino en
Modon.--Toen de aanzienlijkste mannen van den Peloponnesos, priesters,
primaten of hoofden, bijeenkwamen en eene vertegenwoordigende
vergadering vormden, werden Germanos en Zaïmis met algemeene stemmen
uitgenoodigd, aan die bijeenkomst deel te nemen; later werd Germanos
opgedragen, zich naar het congres van Verona te begeven, om nog
eenmaal de hulp van de christelijke mogendheden tegen de Turken in
te roepen. Ondanks zijne uitstekende bekwaamheden, zijne veelzijdige
menschenkennis en zijne wegsleepende welsprekendheid, slaagde hij
niet in zijne zending. Wat de mogendheden terughield was toch niet
enkel eigenbelang of onverschilligheid voor het lijden der Grieken,
nog minder sympathie voor hunne verdrukkers, maar de ondervinding had
geleerd, welk een onafzienbare nasleep van jammeren en gruwelen de
zoogenaamde vrijheidsbeweging over Europa had uitgestort; en was de
revolutionnaire vulkaan ook schijnbaar bedwongen, het smeulende vuur
was niet gedoofd en juist om dien tijd schenen herhaalde trillingen
en schuddingen eene nieuwe naderende uitbarsting te verkondigen,
die dan ook weinige jaren later werkelijk plaats had. Geen wonder
dus, dat de mogendheden, ook nog afgezien van andere motieven,
huiverig waren eene beweging te steunen en te bevorderen, die, hoe
rechtvaardig en loffelijk ook op zich zelve, door hare onwillekeurige
verwantschap met andere revolutionnaire woelingen, een bedenkelijk
karakter droeg. Germanos nam zijn terugweg over Rome, had daar eene
samenkomst met Paus Leo XII en trachtte eene hereeniging der grieksche
en latijnsche kerken te bewerken en alzoo de rampzalige breuke te
genezen, die voor de oostersche Christenheid zoo vreeselijke gevolgen
had na zich gesleept; maar ook deze poging slaagde niet: de grieksche
geestelijkheid toonde zich niet gezind, de edelmoedige aanbiedingen
van den Heiligen Stoel te aanvaarden. Hij overleed in 1826, gedurende
het beleg van Missolonghi, een jaar voor den zeeslag van Navarino,
toen de aanstaande zegepraal der zaak, waaraan hij zijn geheele leven
gewijd had, met grond kon worden voorzien.
Wij hadden onzen intrek genomen bij den demarch of burgemeester, wiens
rijkdom voornamelijk in talrijke kudden bestaat: een man van grooten
invloed, die een zeer fraai en comfortabel huis bewoont met zijne jonge
vrouw, zijne moeder en eene zuster zijner vrouw. In Griekenland is
een gast al spoedig een vriend, en schier altijd is de ontvangst van
dien aard, dat zij de aangenaamste herinneringen achterlaat. Zoo als
steeds de gewoonte is wanneer er vreemdelingen zijn, was er des avonds
ten huize van den demarch een talrijk gezelschap bijeen, en wij hadden
te antwoorden op tallooze vragen, waaruit belangstelling, maar vooral
niet minder nieuwsgierigheid sprak. "Van waar komt gij? waar gaat gij
heen? wat is uw beroep? zijt gij gehuwd? hebt gij kinderen? zijt gij
voor de eerste maal in Griekenland? hoe bevalt u dit land?" Is hunne
weetgierigheid bevredigd, dan komt geregeld de eeuwige politiek,
die plaag onzer eeuw, op het tapijt. Maar hoezeer dit onophoudelijk
politiseeren u tegen de borst moge stuiten, toch kunt ge niet nalaten,
het gezond verstand, de scherpzinnigheid en de kennis dezer bewoners
van een nietig stadje in het hart van het gebergte te bewonderen,
en vooral de helderheid, waarmede zij hunne denkbeelden weten uit te
drukken. Overal, ook op het platte land, vindt men diezelfde vlugheid
van begrip en scherpte van blik, die juiste en heldere wijze van
zich uit te drukken, die een der kenmerken zijn van het grieksche
ras, waardoor het ook nu nog boven alle andere christelijke of
mohammedaansche rassen van het Oosten uitmunt. Even als in de oudheid,
staat ook nu nog bij hen verstandelijke ontwikkeling bovenaan. In
dit land, waar nog dezelfde ploeg in zwang is dien Triptolemos
gebruikte, waar de wijn door hars ondrinkbaar wordt gemaakt, waar
rijtuigen genoegzaam onbekend zijn en zelfs zeer vermogende lieden
dikwijls in hun mantel gewikkeld op den grond slapen, waar geene
enkele nuttige kunst of industrie ernstig beoefend wordt;--in dat
zelfde land wemelt het van wijsgeeren, rhetoren, schrijvers, dichters;
vindt men eene universiteit en drie scholen voor hooger onderwijs, eene
akademie van natuurkundige wetenschap, een archeologisch genootschap,
bibliotheken en openbare scholen; men vindt hier meer drukkerijen
dan schoenenwinkels, en jaarlijks verschijnen hier tal van werken
over sociologie, theologie, geneeskunde, nationale geschiedenis,
dichtkunst en philologie; maar groot bovenal is het aantal dagbladen,
die overal en door allen met ijver gelezen worden. Ik zie de zeer
ernstige schaduwzijde van deze eenzijdige ontwikkeling in geenen
deele over het hoofd, maar kan niet nalaten hulde te brengen aan de
intellektueele werkzaamheid van dit zeldzaam begaafde volk.
De Grieken, met wie wij dien avond te Kalavryta in aanraking kwamen,
behoorden voor het meerendeel tot de kleine burgerij, maar allen
waren bezield door dezelfde eerzucht, hetzij dan voor zich zelven,
hetzij voor hunne kinderen: allen wenschen hooger op te klimmen,
zich een weg te banen, en om daartoe te geraken hunne kennis te
vermeerderen. Van daar de ijver, waarmede zelfs de kinderen uit
de armste gezinnen de scholen bezoeken.--Zij die geen kans zien,
langs dezen weg, door arbeid--wel te verstaan, door intellektueelen
arbeid--vooruit te komen, wenschen niets vuriger dan een oorlog,
waardoor de grenzen van het koninkrijk zouden worden uitgebreid en
een wijder veld voor hunne eerzucht geopend.
Den volgenden morgen zouden wij in het klooster Megaspilion gaan
ontbijten en, zoo mogelijk, in het gehucht Solos overnachten, aldus
het gebergte langs de golf van Korinthe volgende, om verder over
Sikyon de stad Korinthe te bereiken. Daar de morgenlucht scherp en
koud was, gingen wij te voet vooruit, terwijl de lastdieren werden
beladen. Aanvankelijk loopt de weg door bebouwde velden; de boeren, die
wij tegenkomen, vooral de kinderen, zien er lijdend uit: blijkbaar zijn
zij ondermijnd door de koorts, een gevolg van de overstroomingen van
den Buraïkos. In den zomer en den herfst is de vallei zeer ongezond;
de welgestelde inwoners van Kalavryta verlaten dan ook de stad en
kampeeren op vier mijlen afstand, bij het dorp Kerpeni, waar men eene
gezonde lucht on uitmuntend water heeft.
De weg volgt de rivier en steekt die herhaaldelijk over, en
wel door middel van steenen bruggen, eene groote zeldzaamheid in
Griekenland. Rechts en links verheffen zich roodachtige, kale bergen,
slechts met enkele dennenboschjes op den top; bij den uitgang van het
smalle ravijn bespeuren wij aan onze rechterhand het klooster, als een
zwaluwennest geplakt tegen een loodrechten rotswand van honderdvijftig
el hoogte. Naarmate wij langs het slingerend pad, dat met tallooze
wendingen naar het klooster voert, omhoog stijgen, kunnen wij beter
die verzameling van kleine onregelmatige gebouwtjes onderscheiden,
die als het ware boven de vallei zweven. De aanblik is eenig en zoo
schilderachtig mogelijk: hier een wit, daar een zwart gebouwtje;
sommigen laag en breed, anderen weder hoog en smal, afgewisseld
door galerijen en terrassen, alles zonder orde en symmetrie, in de
bontste wanorde door elkander. Hoe hooger wij klommen, des te meer
scheen ook het klooster boven onze hoofden te stijgen; de helling is
zoo steil, dat wij nu en dan niets anders zagen dan den onderkant der
uitspringende balkons en galerijen. Op zeker punt is de weg afgesloten
door eene gewelfde poort en een bolwerk met vier schietgaten: eene
herinnering uit den tijd toen het klooster veeleer eene vesting dan
een bedehuis mocht worden genoemd en meer dan eenmaal de aanvallen van
Turken of Albaneezen had te doorstaan. De monniken waren toen niet
minder vertrouwd met de behandeling van het geweer dan met die van
hun rozenkrans; op eene schilderij in het klooster kan men zien, hoe
zij met de wapenen in de vuist den aanval van Ibrahim pâsja afslaan,
die verschrikt de vlucht neemt voor de onverschrokken dapperheid
zijner vijanden.
In de receptiezaal werden wij ontvangen door den hegoumenos, een
eerwaardig grijsaard met een langen witten baard, met fijngeteekende
trekken en donkere oogen, vol vuur en vernuft. Er werd koffie met
confituren gepresenteerd, en wij werden in de bloemrijkste taal en met
de uitgezochtste complimenten welkom geheeten. De hegoumenos wilde
ons zelf door het klooster rondleiden. Hij bracht ons eerst naar de
kerk, welke in een der drie ruime natuurlijke grotten in de kalkrots
is gebouwd: eene kleine, donkere, lage kerk, waarvan de pilaren met
zeer middelmatig schilderwerk zijn bedekt. Aan de eene zijde van de
ikonostasis hangt een wonderdoend beeld, het voorwerp van de grootste
vereering in geheel den omtrek. Het is eene soort van wassen pop, die
door den tijd geelachtig bruin is geworden; het beeldje is overigens
plomp en onbeholpen en bij uitnemendheid leelijk, en mist ten eenemale
het naïeve, innig vrome gevoel, dat zich uitspreekt in de schilderijen
van Lucas, den candiootschen schilder uit de twaalfde eeuw, wiens
werk door geheel Griekenland algemeen op naam wordt gesteld van den
Evangelist Lucas.
In eene lagere grot, waarheen een in de rots uitgehouwen, vochtige
en glibberige trap voert, staan rijen vaten geschaard, waarvan het
grootste den naam van Angelika draagt en meer dan twintigduizend kan
bevat. In deze vaten wordt de wijn bewaard, dien de brave monniken
op hunne zeer uitgestrekte akkers aankweeken: een ruwe en zure wijn,
dien wij moesten proeven, en wat meer zegt, als heerlijk prijzen. Als
in alle grieksche kloosters, bestond de bibliotheek ook hier uit
eenige wanordelijk door elkander verspreide boeken, bedekt met stof
en vochtvlekken; eenige evangeliariën uit de elfde en de twaalfde
eeuw, leerreden van Sint-Johannes Chrysostomos en enkele firmans van
de Verheven Porte, met smaakvolle arabesken en bloemen versierd. De
hegoumenos scheen zeer verbaasd, dat wij zooveel aandacht schonken
aan die oude perkamenten, die hij vervolgens weder zonder eenige orde
in eene oude kist gooide, te midden van wolken stof.--De cellen der
monniken, in de benedenverdieping, zijn klein, bedompt en vochtig;
het eenige ameublement bestaat uit een tapijt en een deken, die hun
tot bed en zitplaats dienen; de wanden zijn kaal, zonder eenig sieraad.
De monniken van Megaspilion behooren, als die van alle grieksche
kloosters, tot de orde van Sint-Basilius, die den veldarbeid
voorschrijft en geene strenge kloosterlijke afzondering vordert. Maar
de monniken arbeiden niet en lezen evenmin; doorgaans bepalen zij er
zich toe, het oog te houden op de boeren, die de velden en akkers en
wijngaarden van het klooster bearbeiden; voorts brengen zij hun tijd
door met het nu en dan slordig en onachtzaam opdreunen van gebeden,
waarvan zij de beteekenis zelfs niet trachten te begrijpen, met
dommelend soezen, des winters in den zonneschijn, des zomers in de
schaduw, neergehurkt op de galerijen. Rijst er eenige gedachte in
hun slaperig brein op, dan is het wel die, dat voor hen de dagen
zachtkens vervlieten in ongestoorde rust, zonder zorg of kommer,
altijd even kalm, met denzelfden steeds wederkeerenden sleur, tot
ook zij eindelijk ter ruste worden gelegd naast hunne broederen, die
den eeuwigen slaap slapen daar beneden, op het kleine kerkhof, waar
de vogelkens kwinkeleeren in de groote cypressen. Zulk een klooster
is niets anders dan eene vereeniging van grondbezitters, die zich op
zeer gebrekkige wijze van hunne taak kwijten, en voorbijgaan zonder
eenig spoor achter te laten, zonder eenigen invloed, en wel het minst
een godsdienstigen geestelijken invloed, op hunne omgeving te hebben
uitgeoefend.