Na ons vertrek van Olympia, thans eene wildernis, volgen wij nog
eenigen tijd de oevers der rivier, die door fraaie platanen worden
overschaduwd, en komen dan aan een met pijnboomen begroeiden pas,
die naar de kleine vallei van Phloka voert. De heuvelen zijn bekleed
met italiaansche pijnboomen, vermengd met steeneiken, beuken, olmen en
hooge varens. In de vlakte is het pad omzoomd door myrthen, acacias
en witte rozenstruiken. In welige weiden grazen kudden van kleine,
slecht gebouwde, maar gespierde en vurige paarden, die uitmuntend
geschikt zijn voor tochten in het gebergte. In eene tweede vallei
liggen, te midden van welbebouwde akkers en wijngaarden, de dorpen
Strephia en Kokoura.
Voorbij het dorp Parbasena, waarvan de witte huisjes te midden
van het geboomte verspreid liggen, maakt de weg plotseling eene
kromming en voert door twee kleine riviertjes, die zich in den
Alpheios uitstorten. Men legt zich hier voornamelijk toe op de
kultuur van rozijnen, die voor de bewoners van Elis en Achaje eene
hoofdbezigheid is geworden, en eene rijke bron van inkomsten, vooral
sedert de phyloxera de fransche wijngaarden zoo goed als vernield
heeft en dien ten gevolge de uit rozijnen bereide wijn in Europa
aftrek heeft gevonden. De krenten, die mede hier worden gekweekt,
worden hoofdzakelijk naar Engeland en Amerika uitgevoerd.
In eenige minuten komen wij aan de kleine stad Pyrgos, waarvan de
witte huizen met hunne roode pannen daken een zeer goed effect maken
te midden van de moerbeziën-, citroen- en olijvengaarden. Na Kalamatta
is Pyrgos een van de voornaamste steden van Morea. Wij stappen af bij
een koopman, wiens schoonbroeder ik te Athene had gekend. Daar, als
overal in Griekenland, werden wij op de meest gastvrije en hartelijkste
wijze ontvangen. Wij vinden hier althans iets terug van de weelde en
het comfort, waar wij, kinderen der overbeschaafde negentiende eeuw,
niet buiten kunnen, en die ons het slechte logies in de bergstreken
doen vergeten. Pyrgos, de residentie van den prefect van Elis, heeft
eene bevolking van meer dan vierduizend zielen; in de laatste jaren
zijn er vele nieuwe, ruime huizen verrezen, vooral sedert de landbouw
vooruitgaat en aanzienlijke winsten afwerpt.
De stad ligt op een afstand van ongeveer twee uren gaans van de kleine
haven van Katakolo, waar de grieksche mailbooten eenige malen per maand
aanleggen, en van waar eigenaardige vaartuigen, sakoleven genoemd,
rozijnen en wijn naar Zante, de voornaamste stapelplaats van dien
handel, vervoeren.
Des avonds werd ter onzer eere een diner gegeven, waaraan de
prefect, de burgemeester, de kapitein der gendarmerie en drie der
voornaamste kooplui deelnamen. Hoewel het woensdag was,--dat wil
zeggen, vastendag voor de Grieken--verschenen er toch verschillende
soorten van vleeschspijzen, die onze gastheer ons zeer aanbeval
als eene schadeloosstelling voor onze ontberingen in het gebergte;
maar noch hij zelf, noch de andere gasten gebruikten iets van dat
vleesch. De Grieken nemen allen, zonder vertoon en zonder valsche
schaamte, zeer streng en nauwgezet de talrijke en strenge vasten in
acht, die hunne kerk hun voorschrijft. Er zijn in het jaar niet minder
dan honderd-dertig meer of minder volledige vastendagen. Behalve de
vier groote vasten, vóór Paschen, het feest der Apostelen, Maria
Hemelvaart en Kerstmis, hebben zij een groot aantal vigiliën, en
vasten bovendien des vrijdags, ter herinnering aan het Lijden, en
des woensdags omdat Judas op dien dag de dertig zilverlingen ontving,
als loon voor het verraden van zijn Meester.
Gedurende de groote vasten, de strengste van allen, gebruikt men,
veertig dagen lang, niets dan rijst en in het water gekookte
groenten. Op Goeden Vrijdag onthoudt men zich, tot zonsondergang,
geheel van eten. Mannen, vrouwen, kinderen, grijsaards, allen
onderwerpen zich aan deze strenge wet. Den volgenden zaterdag, na
zonsondergang, is de vasten uit; de oude potten en pannen, waarvan
men zich gedurende dien tijd bediend heeft, worden uit het venster
geworpen, en aller gelaat straalt weer van vroolijkheid. De gewone
vastendagen zijn minder streng; en met vreugde zagen wij op onze
tafel uitmuntende visschen verschijnen, die in groote menigte in den
Alpheios worden aangetroffen. De koffie werd gebruikt op het platte
dak der woning, die door wilgen en oranjeboomen, wier sterke geuren
de lucht vervulden, is omringd. In de tuinen bloeiden kamperfoelie,
jasmijnen en rosemarijn, die hunne geuren uitademden, terwijl thym
en bloeiende wingerden buiten op het veld hetzelfde deden. Duizenden
lichtgevende insekten zweefden als vonken door den donkeren nacht;
uit de bosschen klonk ons het gezang van den nachtegaal tegen.
Doch, helaas! elke medaille heeft hare keerzijde. Pyrgos, dat welhaast
een paradijs schijnt, is omringd door ongezonde moerassen, die hunne
vergiftige uitwasemingen vermengen met de geuren der oranjeboomen;
en in het lager gedeelte van Elis heerschen gedurende den zomer en
nog meer in den herfst, kwaadaardige koortsen. Reeds in de maand Mei
begint de hitte ondragelijk te worden; de heete vochtige dampkring,
waarin de stad als gedompeld is, is allerminst geschikt om het
door de koorts verzwakte gestel weder op verhaal te doen komen. De
sirokko, de vreeselijke wind van Afrika, teistert maar al te vaak dit
westelijk gedeelte van den Peloponnesos, waarover zijn gloeiende adem
rechtstreeks strijkt. De dichterlijke glimwormen en andere lichtgevende
insekten hebben makkers, die geen licht geven, maar gruwelijk bijten,
en u, des avonds en des nachts, in dichte zwermen op het lijf vallen;
nog dien eigen nacht hadden wij gelegenheid met die verschrikkelijke
muskieten kennis te maken.
Omstreeks middernacht barstte een geweldig onweer los, zoo als er
meermalen in deze streken voorkomen; de plassende regen verfrischte
en zuiverde den dampkring. Des morgens beloofden de noordenwind en de
onbewolkte hemel ons een prettigen dag; in vroolijke stemming namen
wij afscheid van onzen gastheer en zijne vrienden, wier voorkomendheid
en wier belangwekkende gesprekken en mededeelingen ons verblijf te
Pyrgos tot een der aangenaamste episoden van onze reis hadden gemaakt.
Onze weg voerde door eene zeer vruchtbare streek met talrijke
dorpen; overal bebouwde velden, boomgaarden van moerbeziën,
oranje- en olijfboomen, die als het ware een gordel van groen
vormen om het aanzienlijke vlek Andravida, waar wij na een rit van
zeven uren aankomen. Andravida is tegenwoordig niet meer dan een
groot dorp, maar men bespeurt nog duidelijk, dat het weleer eene
belangrijke stad moet zijn geweest. Drie ruïnen trokken bovenal
mijne belangstelling: de kerk van Sinte-Sofia, waar het hooge leenhof
zitting hield; de Sint-Stefanuskerk, die aan de Duitsche orde behoorde;
de Sint-Jacobskerk, welke Guillaume de Villehardouin liet bouwen en
aan de Tempelridders ten geschenke gaf, en waarin hij met zijne beide
zonen, Geoffroi II en Guillaume I, werd begraven.
Toen in de dertiende eeuw Guillaume de Champlitte, de vriend en
krijgsmakker van Villehardouin, op zijn terugkeer van Constantinopel,
zich van Patras had meester gemaakt, besloot hij de provincie
Andravida, de rijkste van het land, in bezit te nemen. De aan
alle zijden open liggende stad was noch door torens, noch door
muren verdedigd; toen dan ook de frankische vendelen in de vlakte
verschenen, gingen al de inwoners, grooten en kleinen, met kruisen en
heiligenbeelden in de hand, hun te gemoet en boden hunne onderwerping
aan. Guillaume de Champlitte ontving hen met veel welwillendheid; hij
beloofde dat hun geen leed zou wedervaren, dat zij hunne bezittingen
zouden behouden en geene oorlogschatting zouden betalen.--Door de
inwoners vriendelijk ontvangen, vestigden de Franken zich in geheel
Elis, bouwden er steden en burchten, en brachten landbouw, handel
en nijverheid tot een hoogen trap van ontwikkeling; gedurende de
twee-en-eene-halve eeuw der frankische heerschappij mocht dit gewest
zich in eene mate van bloei en welvaart verheugen, die het in langen
tijd niet gekend had. In Elis vindt men dan ook de meeste sporen van
hunne tegenwoordigheid in Griekenland; nog niet lang geleden, kon men
in het dialekt van verschillende dorpen fransche woorden herkennen,
die door de oostersche uitspraak maar weinig verbasterd waren.
Van Andravida begeven wij ons, in zuidoostelijke richting, naar Elis,
dat wij na een rit van twee-en-een-half uur bereiken. De vlakte is vrij
goed bebouwd; de korenakkers zijn reeds kaal, want de oogst valt in het
laatst van Mei; maar de wijngaarden staan in vollen bloei en zien er
prachtig uit. De wijngaarden van Elis leveren den besten wijn op van
geheel Griekenland. Iedere eigenaar heeft in zijn wijngaard een open,
vierkanten en goed gemetselden bak of kuip, waarin de druiven getreden
worden; naar gelang het sap in een lager gelegen kom vloeit, schenkt
men het over in lederen zakken, die naar het dorp worden gebracht. Daar
wordt het sap overgegoten in reusachtige aarden kruiken, die tot aan
den hals in den grond staan, en waarin de gisting plaats heeft. Om
den aldus bereiden wijn gedurende eenige maanden te kunnen bewaren,
doet men er hars bij, hetgeen een afschuwelijken smaak geeft.
De wijnoogst gaat gepaard met feestelijkheden van verschillenden
aard. Het treden der druiven geschiedt op de maat van mandolinen en
violen; des avonds dansen mannen en vrouwen in koor bij het licht van
flambouwen, en vergeten de vermoeienissen van den dag in het vroolijke
feestgewoel. Voor dertig of veertig jaren nog trokken de wijnboeren in
lange rijen door de dorpen, het hoofd omkranst met wingerdloof, en in
de hand lange staken houdende met wingerdbladeren omwikkeld en met een
pijnappel aan den top: echte _thyrsen_, die zij heen en weder zwaaiden,
daarbij op eigenaardige wijze springende en dansende. Deze overoude
gebruiken--een wegstervende echo van de antieke bacchanaliën--zijn nu
bijna overal in vergetelheid geraakt.--Vele eigenaars van wijngaarden,
door het uitzicht op winst verlokt, hebben italiaansche wijnboeren
laten komen, persen naar het laatste model ontboden en kelders gebouwd,
waar prozaïsche vaten in rijen naast elkander staan. De wijn is veel
beter, maar het schilderachtige is verdwenen. Men vervaardigt hier
tegenwoordig allerlei soorten van wijn: bordeaux, madera, malaga en
zelfs champagne; de echte, onvervalschte wijn van Elis bevat veel
alkohol, is zwaar en koppig.
Naarmate wij verder komen rijst de grond en wordt meer
heuvelachtig. Rondom de hier en daar verspreide gehuchten, door
aanmerkelijke afstanden van elkander gescheiden, zien wij een aantal
moerbeziënboomen, wier bladeren tot voedsel dienen van duizenden
zijdewormen: de zijde van Elis is de beste die in Morea vervaardigd
wordt. De olijven zijn prachtig en leveren, na behoorlijke enting,
voortreffelijke vruchten; maar de olie, die zonder de noodige zorg
wordt bereid en in slecht onderhouden aarden kruiken bewaard, heeft
een afschuwelijken ranzigen smaak, dien de Grieken echter aangenaam
schijnen te vinden.
Wij doorwaden eene breede en snelvlietende rivier, den Peneios,
thans de rivier van Gastouni genoemd, en komen vervolgens aan het dorp
Palacopolis, gebouwd op de plek waar weleer Elis stond, eene stad door
geheel Griekenland beroemd om de veelheid harer monumenten en beelden,
waarin zij slechts voor Athene en Korinthe onderdeed. Te midden der
brokken steen en van het puin, over eene oppervlakte van meer dan
twee vierkante mijlen verspreid en grootendeels verborgen tusschen
wijngaarden, akkers en struikgewas, is het volstrekt onmogelijk,
de gedaante, de bestemming en de afmetingen van eenig gebouw te
onderscheiden. Op den heuvel, die de akropolis droeg, ziet men
nog slechts brokstukken van de muren eener middeleeuwsche vesting,
door de Franken Beauvoir, door de Venetianen Belvedèr en door de
Grieken Kaloskopi genoemd: welke drie namen hetzelfde (schoonzicht)
beteekenen, en hunne verklaring vinden in het feit, dat in deze wijde
vlakte de heuvel van Elis het eenige punt is, van waar de blik een
ruim panorama omvat.--Op omstreeks vijftien mijlen afstands van Elis,
aan den voet van een berg die reeds van verre het oog tot zich trekt,
liggen de dorpen Portes en Santameri. De ruïnen boven op den berg zijn
de overblijfselen van een sterken burcht, omstreeks het jaar 1273
door heer Nicolaas van Saint-Omer gebouwd. Langs de berghellingen
en in de vlakte vindt men nog talrijke bouwvallen van frankische en
byzantijnsche gebouwen en kerken; maar te vergeefs zochten wij naar
eenig opschrift of eenig bas-relief.
Elis verlatende, betreden wij eene der valleien van den Erymanthes,
van waar de Peneios afdaalt. Rechts en links zijn de heuvelen bedekt
met wingerden, wier vruchten, onder den naam van krenten--aldus
genoemd naar de stad Korinthe--heinde en ver verzonden worden. Na
een rit van twee uren, steeds langs den linkeroever der rivier,
zien wij, in de nabijheid van het dorp Klissoura, de armzalige
ruïnen van eene antieke stad, Pylos. De vallei versmalt zich, wordt
woester en schilderachtiger; de bergen zijn bekleed met prachtige
pijnbosschen, eeuwenheugende boomen, waarvan de zware takken langs
den grond slepen. Daar huizen talrijke kudden van wilde zwijnen,
die sedert den dood van Herakles door niemand in hunne rust werden
gestoord. Het steile pad slingert zich omhoog langs de hellingen van
den Erymanthes, en brengt ons eindelijk op een uitgestrekt plateau,
aan welks uiteinde het dorp Lala ligt.
Overal is de bodem begroeid met hooge varens en uitnemend fraai
heidekruid. Rondom de vlakte, bergen en dennenbosschen; ten noorden
rijst, hoog in de lucht, de kale kruin van den Erymanthes; ten zuiden
schemert in de diepte, de vlakte, waardoor de Alpheios zich slingert
als een zilveren lint, schitterend in de zonnestralen; aan den horizon
eindelijk de donkerblauwe zee. De lucht is zuiver, fijn en doortrokken
van aromatische geuren; het klimaat van deze hoogvlakte geldt voor
het gezondste van geheel Morea.
Tijdens de turksche heerschappij werd Lala bewoond door Albaneezen,
die in dienst der turksche regeering stonden, maar die om hun woest
en onhandelbaar karakter bijna evenzeer gevreesd werden door hunne
meesters als door de christelijke bevolking; zij genoten dan ook eene
bijna volkomen onafhankelijkheid. Van tijd tot tijd verlieten zij hunne
bergvesting en streken als gieren neder in de omliggende valleien
of in de vlakte van Elis, plunderende, moordende, brandstichtende,
en vervolgens de bewoners der grieksche steden en dorpen als slaven
medevoerende. In 1821, gedurende den onafhankelijkheidsoorlog,
verijdelden zij alle pogingen der tegen hen afgezonden troepen, tot
het eindelijk aan graaf Metaxas, aan het hoofd van vrijwilligers van
Zante, gelukte hen te verslaan. In hunne vesting opgesloten, verlieten
zij Lala en trokken naar Patras, na vooraf hunne stad in de asch gelegd
en hunne gevangenen gespietst te hebben. De engelsche regeering,
aan wier gezag toen de Ionische-eilanden waren onderworpen, koos
partij voor de Turken, en beval graaf Metaxas en zijn krijgsmakkers
naar Zante terug te keeren en niet meer voor de Grieken te strijden,
op straffe van eeuwigdurende verbanning met verbeurdverklaring
hunner goederen. Allen bleven echter in Morea en namen ijverig deel
aan den onafhankelijkheidsoorlog, in weerwil van de bedreigingen,
de veroordeelingen en verbeurdverklaringen.
Lala begint zich langzamerhand te herstellen van den zwaren slag,
die het getroffen had, maar toch is het nog niet meer dan een nederig
dorp, met een khani (herberg), die ook zelfs aan de bescheidenste
eischen niet kan voldoen. Deze herberg is eene ruime schuur; langs de
zijwanden worden de paarden vastgebonden; in het midden is eene ruimte
overgelaten, waar de reizigers hunne tapijten kunnen uitspreiden
en hunne vuren aanleggen, waarvan de rook een uitweg moet zoeken
door de spleten in het dak of door de deur.--Op deze hoogvlakte is
het des avonds koud; en wij waren recht blijde ons te kunnen warmen
aan een vuur, waaromheen reeds andere reizigers gelegerd waren, die
zich evenwel haastten plaats voor ons te maken: beleefdheid jegens
vreemdelingen is in Griekenland een algemeene karaktertrek.
Van Lala voert een pad naar Douka, midden door een ravijn, waar een
ruischende bergstroom zich een weg baant tusschen loodrechte rotsen,
met platanen en steeneiken gekroond, en waar telkens de verrassendste
en schilderachtigste gezichten elkander afwisselen. Steeds langs
het slingerend pad afdalende, komen wij aan de rivier de Erymanthes,
wier boorden wij volgen, dwars door dicht begroeide bosschen, langs
een afschuwelijken weg, telkens afgebroken door kuilen en diepe
ravijnen. Gaandeweg worden de bergtoppen kaler; grauwe kruinen
volgen in vervelende eentonigheid op elkander. Eindelijk, na een
vermoeienden tocht van vier uren door het gebergte, komen wij aan den
kleinen khani van Tripotamos, in eene eenzame wildernis, armoedig,
vuil en van alles ontbloot.
Wij treden binnen. Zwijnen wentelen knorrend in de modder; kalkoenen
stappen kakelend op en neder; twee groote honden krabbelen zich met een
ijver, die wel geschikt is om twijfel te wekken aangaande de zuiverheid
dezer walgelijke herberg. Eenige mannen van ongunstig voorkomen zitten
op den grond neergehurkt, met hunne lange geweren tusschen hunne beenen
en hunne dolken in den gordel. Twee oude vrouwen, gekleed met een wijd
hemd, en een van voren open japon van grove wollen stof, het hoofd
met een doek omwikkeld, zitten aan het spinnewiel.--Geen schoorsteen,
geen keukengereedschap, met uitzondering van drie gebroken potten;
geen tafel en geen stoelen. Ieder bracht den nacht door op den grond,
bij het vuur en in zijn mantel gewikkeld; en terwijl wij vergeefs
krijg voerden tegen legioenen van het walgelijkst ongedierte, hoorden
wij de Grieken snorken als rechtvaardigen.--Bij het aanbreken van
den morgen rekten zij zich uit, wreven hunne oogen uit, en wierpen
den langharigen mantel, die hen als deken gediend had, over hun
schouder. De twee vrouwen vulden een schotel met maïsmeel, met een
weinig water vermengd; kneedden dit deeg op een steen en legden de
aldus verkregen platte koeken onder den gloeienden vuurhaard. Na
verloop van een half uur, werden zij, nog niet half gaar, weer te
voorschijn gehaald en zoo warm door de mannen gegeten met een weinig
melk en eenige in de pekel bewaarde olijven. Daarop gingen de gasten
een voor een naar een aan de zoldering opgehangen, met water gevulden
lederen zak, waarvan een der uiteinden, met een touwtje opgebonden,
als tuit of trechter diende; zij maakten het touwtje los, brachten
de tuit aan hun mond, dronken drie of vier slokken water, en bonden
het touwtje weer vast aan den spijker in den muur. Vervolgens namen
zij hunne geweren weer op en gingen den weg naar Douka op, na ons
vooraf gegroet en goede reis gewenscht te hebben.
Dergelijke tooneelen hernieuwen zich telkens, bij iedere
pleisterplaats; en wie daar eenmaal getuige van is geweest, kent het
voorkomen, de manieren en de levenswijze van een zeer aanzienlijk
deel der inwoners van het grieksche koninkrijk.