IV

Megaspilion verlatende moeten wij tegen den berg opklauteren, die

zich achter het klooster verheft, en achtervolgens al de noordelijke

contreforten van den berg Khelmos bestijgen. Terwijl wij zoo langs het

smalle en steile pad voortzwoegden, ontmoetten wij enkele monniken te

paard, gemakkelijk gezeten op breede welgevulde pakzadels. Sommigen

keeren terug van de wijngaarden, waar zij de arbeiders hebben

gadegeslagen die de ranken opbinden; anderen zijn tegenwoordig

geweest bij het dorschen van het koren in de vallei van Diakopto,

waar de rijkste boerderijen van het klooster liggen. Een ander ging

den berg op, om een bezoek te brengen aan vijfhonderd bijenzwermen,

die uit het klooster naar het bosch waren overgebracht gedurende

den tijd dat de _pevka_-pijn bloeit, waarvan het zetmeel aan den

honig een heerlijken geur geeft. Het is de gewoonte in Griekenland,

aldus tot twee-, driemalen toe, de bijen naar verschillende plaatsen

over te brengen, in verband met den aard en den overvloed der bloemen

die zij daar kunnen vinden; de naburige dorpen moeten een zeker recht

betalen aan den hegoumenos van Megaspilion, wanneer zij hunne korven

naar de bosschen van het klooster overbrengen.

De weg wordt voortdurend slechter. Wij loopen inderdaad groot gevaar,

den hals te breken, en onze lastdieren, wier vracht telkens tegen de

uitstekende rotspunten stoot, dreigen elk oogenblik in den afgrond

te rollen. Drie uren lang waren wij als verloren te midden van een

baaiert van bergen, tegen de steile toppen opklauterende, in diepe

ravijnen nederdalende om aanstonds weer naar boven te klimmen,

tot wij eindelijk eene hoogvlakte bereikten, van waar wij de golf

van Korinthe konden overzien en op den achtergrond de keten van den

Parnassos, nog met sneeuw bedekt. Voor onze voeten ontrolde zich,

afdalende naar de zee, eene aaneenschakeling van heuvelen en valleien,

met donkere bosschen bedekt, bebouwd, bezaaid met dorpen, waarvan

de roode pannendaken schilderachtig uitkwamen onder het loof der

kastanjeboomen, en doorsneden door tallooze beken, welke zich door

de maïsvelden slingeren.

Om te Peristera te komen, moesten wij eene steile helling bestijgen

langs een pad, bezaaid met losse steenen, die telkens wegrolden onder

de pooten onzer uitgeputte paarden. Alle plantengroei had nu weer

opgehouden, en wij waren omringd door hooge, kale, roodachtige rotsen,

voor welker schilderachtige vormen wij meer oog zouden gehad hebben,

indien zij niet eene zoo ondragelijke hitte hadden uitgestraald en

zoo verblindend het zonlicht weerkaatst.--Alvorens Solos te bereiken,

moesten wij nu naar de vallei van de Krathis afdalen, langs eene zoo

moeilijke en gevaarlijke helling, als wij nog zelden hadden gezien,

glijdende en bij iederen voetstap vallende, terwijl onze paarden,

ondanks de inspanning der geleiders, telkens uitgleden en ter aarde

stortten. Ik heb niet dikwijls in mijn leven zulk een vermoeienden

en gevaarlijken tocht gemaakt. Het was inderdaad eene uitkomst,

toen wij eindelijk het dorp Solos bereikten, in eene bekoorlijke

vallei, te midden van kastanjes en bloeiende vruchtboomen gelegen,

aan de samenvloeiing van de Krathis en de Mavro Nero, ook Drako Nero

genoemd, welke niet anders en niet minder is dan de Styx, de rivier

van de onderwereld, wier sombere wateren dood en verderf verspreidden.

Op omstreeks een uur afstands van Solos voert een woeste, eenzame

pas, waarvan de groene en donkerpaarse rotswanden een fantastischen

indruk maken, naar een soort van circus, in de loodrechte wanden van

den Khelmos uitgehouwen, en van welks top twee dunne waterstralen,

als zilveren linten, naar beneden zweven en zich halverwege in damp

en nevel oplossen. Als, in sommige gevallen, nevels en wolken willen

medehelpen om het effect te verhoogen, en door speling en verdeeling

van licht en schaduw de bergkloof in kille schemering is gedompeld,

terwijl de toppen der rotsen schitteren in vlammenden gloed, dan is het

schouwspel zeker aangrijpend en grootsch; maar toch is het moeilijk

te begrijpen waarom de ouden juist deze plek hadden uitgekozen om

daar den ingang der hel te plaatsen. Nog onder den indruk van onze

klassieke herinneringen, verwachten wij geheel iets anders: een woest

en huiveringwekkend tooneel; zwarte gapende afgronden, waaruit het

dof geluid van rollenden donder u tegenklinkt; geheimzinnige duistere

kloven, waarin de wind huilend en klagend ommegiert en vreeze des doods

sidderend rondwaart...... Gij vraagt u af, waar hier de onderwereld

is; waar de verschrikkingen van den noodlottigen Styx? waar de

afgrond, aan welks donkeren rand Demeter, in ademlooze spanning,

den terugkeer harer dochter afwachtte? Gij zijt teleurgesteld, en

ge kunt een gevoel van wrevel niet onderdrukken jegens de dichters,

die u zoo hebben beet gehad en in zoo hooge mate uwe belangstelling

wisten te wekken voor iets, dat enkel in hunne verbeelding bestond.

Het water van den Styx, dat veeleer uit den hemel schijnt te dalen,

dan uit het schimmenrijk van den Hades op te wellen, is frisch en

helder. De ouden kenden aan dat water eene bijtende, invretende

kracht toe, en beweerden dat men het uitsluitend in hoornen kruiken

kon bewaren. Verwonderlijk inderdaad is, te dezen aanzien, de men

zou haast zeggen kinderachtige naïeveteit, waarmede de beroemdste

geleerden der oudheid in vollen ernst de vraag overwegen, van welk

dier de hoef zulke merkwaardige eigenschappen bezit. Plutarchus hield

het met den ezel; Aelianus was van hetzelfde gevoelen, maar met de

nadere bepaling dat hier alleen van skythische ezels sprake kon zijn;

Pausanias heeft alleen van het paard hooren spreken; Plinius zou aan

de muilezelin de voorkeur geven; Vitruvius aan den muilezel: nog eens,

het is schier onbegrijpelijk, hoe ernstige zeer ontwikkelde mannen

zich met dergelijke kinderachtigheden kunnen bezig houden.

Na Solos verlaten te hebben, klimmen wij langzaam en met inspanning

de steile hellingen van den Khelmos op, geheel van plantengroei

ontbloot; maar aan de andere zijde, naar het zuiden, voert de weg

midden door bosschen van hooge breedgetakte dennen, die ons aan de

majesteit en den indrukwekkenden ernst van de wouden van het noorden

herinneren. Bij eene plotselinge kromming van den weg bespeuren wij het

meer van Pheneia, omgeven door een wijden kring van hooge bergen met

bosschen bedekt, waarvan de steile hellingen bijna loodrecht naar het

meer afdalen, in welks heldere wateren zij zich weerspiegelen. Ware de

hemel niet zoo helder en vol licht, men zou kunnen wanen in Schotland

te zijn, in het zoo schilderachtige en poëtische graafschap Ross. Deze

groote waterkom, die tegenwoordig ruim negen kilometers lang en zeven

breed is, bestond in de oudheid nog niet; maar daar de onderaardsche

kanalen en buizen, langs welke het water van dezen reusachtigen

trechter vroeger wegstroomde, door welke oorzaak dan ook, ten deele

verstopt zijn geraakt, heeft zich langzamerhand een meer gevormd,

waarvan de waterspiegel voortdurend rijst. Sedert lang reeds is de

plaats waar het oude Pheneia stond onder het water bedolven; slechts

de akropolis steekt nog als een rotsige kaap daarboven uit.

Tusschen Phonia en het meer Stymphalos voert onze weg over eene

reeks van woeste en kale plateaux. Niet minder woest en doodsch is de

aanblik van het meer zelf met zijne moerassige oevers, een broeinest

van koortsen, en zijn gordel van kale bergen en vale rotsen. Het

doodelijk zwijgen dat alomme heerscht; de verpeste dampen, die uit

de kloof opstijgen, waarin zich het water van het meer uitstort; de

zware drukkende lucht in deze bedompte, van alle kanten ingesloten

kom:--alles maakt een pijnlijken, benauwenden indruk op de weinige

reizigers, die deze plek bezoeken.--Daarom waren ook wij, ondanks den

aandrang van onze agoyaten, en hoewel de dag reeds ten avond neigde,

niet gezind om te Zaratia te overnachten, maar bleven bij ons besluit

om tot Dousia te gaan. Wij allen waren tot uitputtens toe vermoeid

van de bezwaarlijke reis; onverschilligheid en verveling maakten zich

van ons meester bij dezen eindeloozen tocht door die eenzame, woeste,

zwijgende landschappen, door kale vlakten blakerende in den zonnegloed,

door vochtige valleien, kweekplaatsen van kwaadaardige koortsen. Wij

zagen met ongeduldig verlangen uit naar de zee, naar een ruimer

horizon, naar de beschaafde wereld, waarvan wij afgestorven schenen.

De eenige straat van het dorp Dousia was opgevuld met menschen. De

Grieken zijn altijd uiterst beleefd en voorkomend jegens vreemdelingen

die hun land bezoeken. Men kwam ons te gemoet; wij moesten afstijgen en

in een koffiehuis binnengaan, waar een der notabelen van het dorp ons

koffie aanbood. Wij vernamen dat de buitengewone drukte veroorzaakt

werd door eene bruiloft; weldra kwam de bruidegom zelf, op de meest

wellevende wijze, ons uitnoodigen bij de plechtigheid tegenwoordig te

zijn, en deel te nemen aan het bruiloftsmaal, dat nog dien eigen avond

zou gehouden worden. De kerkelijke plechtigheid was op morgen bepaald.

Deze maaltijd--zoo als alle dergelijke feestmaaltijden op het platte

land in Griekenland--bestond uit lammeren, die in hun geheel gebraden

en opgedischt worden, uit rauwe uien, uit harde eieren en schapenkaas;

een met wijn gevulde groote kruik ging van hand tot hand, en tegen het

einde van den maaltijd bracht men eene reusachtige kruik met yaourt,

eene soort van gestremde melk, die men slechts in het Oosten vindt,

veel fijner en vetter dan de onze, en waarin de gasten om strijd

hunne houten lepels dompelden. De toebereidselen tot dit feest hadden

gedurende drie dagen aanleiding gegeven tot allerlei symbolische

plechtigheden en handelingen, waarin nog de flauwe herinnering leeft

aan het oude heidendom, dat in het hart dezer naïeve en tegelijk

romaneske bevolking nog niet geheel gestorven is.

Drie jonge meisjes, uit de schoonsten van het dorp gekozen en in

haar feestgewaad gekleed, begeven zich naar de fontein, met haar

groote kruiken op het hoofd en zonder een enkel woord te spreken,

hetgeen voorzeker geene lichte zaak is. Aan de fontein gekomen werpen

zij eenige muntstukjes in het water, als eene gave aan de feeën, en

keeren na hare kruiken gevuld te hebben, in dezelfde orde en wederom

zwijgend huiswaarts. Met het door haar geputte water bereiden zij dan

het brood, dat bij het bruiloftsmaal gebruikt moet worden; terwijl de

mannelijke en vrouwelijke bloedverwanten van den bruidegom liederen

zingen, voor deze gelegenheid bestemd. Den volgenden dag is het de

beurt der jongelieden, die naar het bosch gaan om het noodige hout

te zoeken, dat met een nieuw hennepkoord waarin geen knoopen mogen

gelegd worden, moet worden saamgebonden. De takkebossen moeten onder

muziek en zang naar het dorp gebracht worden.

Op den laatsten dag kiest men de vetste schapen van de kudde uit,

verguldt hunne hoornen, en omkranst hen den kop met bloemen, even

als weleer de offerdieren; vervolgens worden zij, onder begeleiding

van muziek en zang, door het dorp rondgeleid en voor het huis van

den bruidegom geslacht.

Na afloop van den maaltijd wordt het grootste gedeelte van den

nacht met zingen en dansen doorgebracht, op het met flambouwen

verlichte dorpsplein; de genoodigden vormen lange rijen van

dansers en danseressen, die elkander bij de hand houden. De mannen

zijn gekleed in geborduurde wambuizen met lange open mouwen, in

driedubbele witte, netjes geplooide fustanella's, en hooge roode,

witte of blauwe geborduurde slobkousen; de vrouwen, gedost in het

gewone kostuum van Argolis, met een kleine ronde fez op het hoofd,

die geheel met zilveren en soms gouden muntstukken is bedekt, welke

in dichte rijen van de kruin tot het voorhoofd reiken. Twee groote

oorringen van geciseleerd zilver zijn onderling verbonden door drie

of vier kettinkjes, die onder de kin doorgaan en eene niet onaardige

omlijsting van het gelaat vormen.

De keten der dansers en danseressen ontwikkelde zich telkens,

met die eigenaardige beweging der beenen, waarin de danskunst der

Grieken hoofdzakelijk bestaat. Het licht der flambouwen weerkaatste

hier en daar in een gouden muntstuk, in de zilveren belegsels der

gordels of de rijke borduursels der buizen. Aan het hoofd der rei

sprong en huppelde de bruidegom, een groote flink gebouwde jonkman

van twee- of drie-en-twintig jaren, met zware zwarte knevels en een

paar vlammende oogen; hij danste onvermoeid, terwijl de muziekanten

klagende, doffe klanken uit hunne fluiten te voorschijn brachten,

nu en dan half overstemd door het gonzend geklepper der tamboerijnen.

De bruid bleef in haar huis met hare vriendinnen, die voor haar

zongen. Zij moest, volgens het gebruik, op een lage tabouret zitten,

het hoofd en de schouders met een dichten sluier omhuld. Haar gelaat

was met een laag blanketsel bedekt; hare wenkbrauwen waren met eene

fijne zwarte streep een weinig verlengd, en een dunne blauwachtige

kring rondom de oogen deed die buiten verhouding groot schijnen. Boven

de wenkbrauwen waren twee kleine gouden cirkeltjes geteekend; hare

haren, haar hals en haar armen waren overladen met zware en plompe

zilveren sieraden. Het was duidelijk, dat haar gedwongen stilzitten

in de benauwde lucht van eene kleine kamer, doortrokken van scherpe

onaangename geuren, haar hinderde en vermoeide; de groote zweetdroppels

die van haar voorhoofd afvloeiden, teekenden grijsachtige sporen op

haar sterk beschilderde wangen.

Wij lieten deze brave lieden zingen en dansen en drinken naar

hartelust, en begaven ons naar de kamers, die men ons had afgestaan;

maar nauwelijks hadden wij omstreeks een paar uren onrustig op onze

tapijten omgewoeld en nu en dan geslapen, of wij werden plotseling

door geweerschoten gewekt. Een der jongelieden van het dorp trad

binnen en verwittigde ons dat de bruid en de bruidegom zich naar

de kerk begaven. Te gelijkertijd gaf hij aan ieder onzer een klein

rond taartje, _klouria_ genoemd, dat de plaats inneemt van onze

uitnoodigingskaarten.

Reeds vormde zich de stoet. De bruid, steeds gesluierd en zoo overladen

met kronen en sieraden dat zij nauwelijks gaan kon, trad met langzame

schreden voort, ondersteund door hare moeder en eene harer naaste

vrouwelijke bloedverwanten, voorafgegaan door muziek en gevolgd door

een drom van verwanten, vrienden en vriendinnen. Aan het andere einde

der straat vertoonde zich de stoet van den bruidegom, niet minder

talrijk en luidruchtig. Beide partijen ontmoetten elkander voor de

kerkdeur, waar de pappas wachtte. De kerkelijke ceremonie duurde

zeer kort. Na de jonggehuwden te hebben gezegend, bood de priester

hun een met wijn gevulde kelk aan, waaruit zij even dronken en die

zij vervolgens aan hunne ouders en de getuigen overreikten.

Men begaf zich daarop naar het huis van den bruidegom, waarvan de deur

met kransen van groen en bloemen was versierd. Op den drempel stonden

drie bekers met honig, boter en korenzaad, als zinnebeelden van de

zoetheid, de liefelijkheid en den overvloed, die in het huis steeds

mogen wonen. De bruidegom tilde daarop zijne bruid in zijne armen

en droeg haar in huis, zonder dat haar voet den drempel aanraakte,

hetgeen als een ongelukkig voorteeken zou worden beschouwd.

Nu moest nog een groot feestmaal gehouden worden, gevolgd door

dansen; maar ondanks aller vriendelijken aandrang om ook daarbij

tegenwoordig te zijn, lieten wij onze paarden zadelen. De jonge man,

door zijne vrienden omringd, kwam ons de hand drukken en goede reis

wenschen, en ons nogmaals danken voor de eer, hem bewezen door onze

tegenwoordigheid bij zijn huwelijk.

Wij hadden ongeveer een dag noodig om de bergketen over te trekken, die

ons van de golf van Korinthe scheidde. De met eiken en dennenbosschen

begroeide vallei, die naar de zee afdaalde, werd al breeder en

breeder. Kleine gehuchten vertoonden hunne roode daken tusschen de

met wijngaarden beplante heuvelen. Dit vroeger zoo arme land geniet

thans, dank zij den uitvoer van krenten, eene groote mate van welvaart.

Eensklaps opende zich de horizon, en tusschen de boomen schitterde

een metalen spiegel: dat was de zoo vurig begeerde golf!

Wij kwamen te Sikyon, waarvan het antieke theater een uitzicht biedt,

zoo tooverachtig schoon, als men wenschen kan: de stralende zee;

op den achtergrond de twee toppen van den Kitheron en den Helikon;

ter rechterhand, de landengte van Korinthe met de Aegeïsche-zee,

en in de verte het eiland Aegina.

Den volgenden dag waren wij weder te Athene, uitgerust van onze

vermoeienissen, en van onzen tocht door den Peloponnesos geene andere

herinnering bewarende dan die aan de prachtige landschappen welke wij

hadden aanschouwd, de merkwaardige plekken welke wij hadden bezocht,

en niet minder aan het vriendelijk en hartelijk onthaal, dat wij

overal gevonden hadden.

V

Om mijne reis door Griekenland te voltooien, bleef mij nog slechts

een bezoek te brengen aan de eilanden in de Aegeïsche-zee. Dit

is een zeer gemakkelijk uitstapje, waarvoor men hoegenaamd geene

toebereidselen heeft te maken: het komt er slechts op aan, zich te

verzoenen met de slechte tafel aan boord der grieksche stoombooten en

met de kakkerlakken, waarvan die booten wemelen. Dergelijke kleine

onaangenaamheden, die van eene reis in het Oosten onafscheidelijk

zijn, zouden mij niet afgeschrikt hebben; maar toch was ik zeer

in mijn schik, dat mij vergund werd, de reis mede te maken met het

fransche adviesjacht, dat in den Piraeus was gestationeerd en dat

een kruistocht ging doen door de Cycladen. Ik had daardoor ook het

groote voorrecht, niet aan een bepaalden tijd gebonden te zijn.

De vaart van den Piraeus naar Syra duurt hoogstens acht uren, als de

machinist zuinig is met de kolen. Drie uren lang stoomt men langs

de kale en dorre kusten van Attika, tot de beroemde kaap Sunium,

waarvan de blanke zuilen zich met scherpe lijnen tegen den blauwen

hemel afteekenen. Wij varen dicht langs de zuidpunt van het eiland

Zea, en bijna onmiddellijk daarna langs de noordpunt van het eiland

Thermia, zoo rijk aan patrijzen, dat men de vogels levend, in manden,

naar de naburige eilanden en naar de markt te Athene brengt.

Heeft men Thermia achter den rug, dan bevindt men zich in eene

soort van wijde kom, aan alle kanten door eilandengroepen omzoomd,

die den horizon afsluiten en waartusschen zich schitterende kijkjes

op de oneindige ruimte openen. Achter ons, ten oosten Zea, Thermia en

Seriphos; links, ten noorden, het eilandje Ghioura, Andros, en verder

de punt van Eubea met de zeëengte van Oro; rechts, ten zuiden, Siphnos,

Milos, Paros; eindelijk voor ons, ten westen, Tinos en Syra. Boven

de donkerblauwe wateren der zee, teekenen al die eilanden, tegen

het schitterend azuur van den wolkeloozen hemel, hunne eindeloos

verschillende omtrekken, in fijne, doorzichtige, licht-blauwe tinten,

onuitsprekelijk schoon van effect. Het is een schouwspel, waarvan de

wondervolle bekoring zich niet beschrijven laat: men meent, als in

een hemelsch visioen, de eilanden der zaligen te aanschouwen. Waarom

wijkt die illusie zoo spoedig als men nader komt?

Langzamerhand onderscheiden wij duidelijker de naakte en kale

oevers van het eiland Syra, zonder eenig spoor van plantengroei of

menschelijke woning. Des te grooter is uwe verbazing, als ge, na eene

rotsige kaap te zijn omgevaren, eensklaps eene groote stad voor u

ziet, met fraaie op bogen rustende huizen, met scheepstimmerwerven en

eene druk bezochte haven, waar stoombooten en schepen voortdurend in-

en uitvaren, met kaaien en aanlegsteigers, waarop zich eene woelige,

bontkleurige menigte beweegt. Dat is Hermoupolis, de nieuwe stad,

met haar twintigduizend inwoners.--Daarachter, langs een vrij steilen

rotskegel, klimmen de huizen eener oude stad omhoog naar de kathedraal,

welke op den top der rots troont: dat is Syra, de oude stad, bewoond

door nauwelijks vijfduizend Katholieken en zetel van een bisdom.

Het contrast tusschen deze beide steden, door een open terrein

van ettelijke honderden ellen van elkaar gescheiden, is inderdaad

treffend. Hier drukte, gewoel, rustelooze arbeid, lossen en laden van

schepen, vervoer van goederen, koffiehuizen opgevuld met menschen;

daar stilte en rust, met gras begroeide straten, waar geiten en

varkens rondwandelen; beneden, kantoren waar belangrijke zaken

worden verhandeld en waar ge voortdurend den klank van het geld op de

toonbank hoort, prachtige weelderige woningen met al het comfort der

europeesche beschaving, hooge fabriekschoorsteenen en werkplaatsen;

boven, weinig welvaart en veel armoede, kleine leelijke huizen,

waar alles van achteruitgang getuigt, en somwijlen, in de duistere

diepte van een of ander krot, een weefgetouw, waarvan het eentonige

langzame getik en geklepper alleen de stilte breekt.

Hermoupolis, in de wandeling Syra genaamd, is trouwens eene

kunstmatige, als het ware toevallige schepping, door bijzondere

omstandigheden in het leven geroepen. De oude stad Syra, het

toevluchtsoord voor alle frankische familiën die door de Turken

verdreven werden, stond vroeger onder bescherming van den Koning

van Frankrijk, die door een consul vertegenwoordigd was; gedurende

den onafhankelijkheidsoorlog werd de stad de wijkplaats der bewoners

van de andere eilanden, die aan de verwoestende aanvallen der Turken

waren blootgesteld. Chioten, Ipsarioten, Hydrioten vestigden zich daar

onder de bescherming der fransche vlag en vormden eene kolonie, waaruit

weldra eene nieuwe stad werd. In het midden van den Archipel gelegen,

halverwege tusschen den Piraeus, Smyrna en de Dardanellen, werd deze

stad de geliefde aanlegplaats voor de handelsvaartuigen uit alle havens

van den Archipel, die hier hunne waren aanbrachten, vanwaar ze dan

met de paketbooten naar Marseille, Triëst of Constantinopel werden

gevoerd. Op dit waterlooze eiland, waar geen grasspriet groeit, vindt

men thans vijfduizend huizen, kerken, een theater, hoogere en lagere

scholen, gasthuizen, bibliotheken, uitgebreide werkplaatsen voor de

vervaardiging van machines, en--natuurlijk--een aantal dagbladen. De

over het algemeen nog vrij onregelmatige straten zijn omzoomd door

welvoorziene winkels, waar men allerlei produkten van fransche,

engelsche of duitsche nijverheid vinden kan. Syra is tegenwoordig,

na Athene, de belangrijkste stad van het geheele koninkrijk; maar

het is niet meer den een soort van stapelplaats, eene kosmopolitische

markt, waarvan het bestaan geheel afhankelijk is van het bezoek der

paketbooten, welke hier eenige malen in de week geregeld aankomen.

Een zeearm van omstreeks twintig kilometers scheidde ons van het

eiland Tinos. Het is eene vaart van anderhalf uur; op het eerste

gezicht schijnt de kust al even naakt en dor als die van Syra; maar

bij nadere beschouwing ontdekt men toch enkele kleine valleien met een

weinig groen, bebouwde velden en witte huisjes. Het vlak San-Nicolo, de

hoofdplaats van het eiland, heeft, in plaats van eene haven, niets dan

een open strand, geheel blootliggend voor de felle zuidenwinden. Wij

moesten dan ook in zee, op vrij grooten afstand van den wal, het anker

uitwerpen. Het stedeke ziet er vroolijk en netjes uit met zijn witte

huizen met gekleurde zonneblinden, zijn kerken en vele torens.

Tegen den heuvel, achter de stad, ligt, te midden van geboomte,

een groot klooster, waarvan de lange, op bogen rustende galerij naar

zee is gekeerd. Het klooster van Maria-Boodschap, een der schoonste

gebouwen van het hedendaagsche Griekenland, en de prachtige kerk aan

de Panagia gewijd, zijn gesticht uit de opbrengst eener kollekte,

die in alle orthodoxe landen gehouden werd, ten einde eene waardige

verblijfplaats te kunnen bouwen voor het beeld der Madonna, dat bij

eene opgraving in 1824 werd ontdekt. Telken jare stroomen, uit alle

deelen van Griekenland en van Klein-Azië, de bedevaartgangers naar

deze gewijde plek.

Nog maar weinige eeuwen geleden, bestond de bevolking der Cycladen

voor een goed deel uit Katholieken, maar hun aantal is sedert veel

verminderd en bedraagt nu niet meer dan omstreeks vijftienduizend. Op

Tinos is de katholieke bevolking nog het talrijkst: van de

twintigduizend inwoners zijn er zeven- à achtduizend katholiek. Zij

zijn in vier dorpen verdeeld en onder het gezag van een bisschop

geplaatst, die te San-Nicolo resideert.

Ruim een uur gaans van de stad, op den hoogsten top van het eiland,

ziet men nog de overblijfselen van de oude venetiaansche vesting. Een

zeer steil pad voert daarheen; men gaat eerst door een verlaten

dorp, waarvan verscheidene huizen nog de gebeeldhouwde wapenschilden

vertoonen der vroegere eigenaars. Van den top der rots overziet men een

gedeelte van de groepen der Cycladen, tot aan de schemerende kust van

Azië; voor onze voeten ligt het eiland uitgespreid, met zijn valleien

en heuvelen, met vijgen- en moerbeziënboomen beplant. Tusschen het

groen teekenen zich een aantal dorpjes met hunne witgepleisterde

huizen en platte daken, die, onder dezen stralenden hemel, aan het

landschap een echt oostersch cachet geven.

Na dit korte, maar alleszins voldoende bezoek aan Tinos, lichten wij

het anker en zetten koers naar het eiland Naxos, op drie-en-een-half

uur afstands zuidwaarts gelegen. Wij varen langs een rotsachtig

eilandje, een naakte verlaten klip:--dat is het wereldberoemde Delos,

het aan Apollon gewijde eiland, dat, naar wij willen hopen, er vroeger

heel anders moet hebben uitgezien.--Te zeven uren waren wij op de reede

van Naxos, waarvan de amphitheatersgewijze oprijzende huizen, beschenen

door de laatste stralen der ondergaande zon, welhaast eene pyramide van

karbonkels geleken, schitterend uitkomend tegen den donker violetten

achtergrond der omringende bergen. Naar het westen teekende het groote

naburige eiland Paros tegen den in vuurgloed stralenden hemel zijne

donkerblauwe silhouette. Griekenland en vooral de eilanden bieden van

die licht- en kleureffecten, waarvan de herinnering u onuitwischbaar

bijblijft. Die kale rotsen, die naakte vale bergen, nemen, juist

omdat zij zelven zoo kaal en zonder kleur zijn, afwisselend al die

onuitsprekelijk prachtige, oneindig geschakeerde tonen en tinten aan,

die de oostersche hemel over hen uitgiet: de rozige glimlach van den

dageraad, de vlammende gloed van den middag, de purperen avondglansen,

het doorschijnende zachte blauw van den nacht:--al deze rijke, warme,

fijne kleuren en tinten weerspiegelen zich in het landschap, waaraan

zij eene bekoorlijkheid, eene majesteit, eene harmonie en een relief

geven, waarvan men, zonder het gezien te hebben, zich geen denkbeeld

vormen kan.

Even als de meeste zeesteden van het Oosten, maakt ook Naxos op het

eerste gezicht een allergunstigsten indruk; maar nauwelijks heeft men

den voet gezet op het met zeewier bedekte strand, of ook deze illusie

vervliegt als een droom. Smalle, bochtige, steile straten, ten deele

als trappen in de rots uitgehouwen, vol steenen, kuilen en vuiligheid,

waarin honden en varkens rondzwerven; oude, bouvallige huizen, zonder

licht en lucht, waarin eene ziekelijke bevolking is opeengehoopt;

ziedaar, wat de hoofdstad van de parel der Cycladen ons te aanschouwen

geeft. De nog geen drieduizend zielen sterke bevolking vermindert met

den dag; meer dan tweehonderd personen per jaar verhuizen naar Athene,

Salonika of Smyrna. Een groot deel van het land ligt onbebouwd,

bij gebrek aan arbeidskrachten. Toch is het binnenland niet zulk

eene wildernis als de naakte dorre kust zou doen verwachten; men

vindt er liefelijke vruchtbare valleien, zoo als die van Drymali,

waar groepen van schilderachtige witte huisjes wegschuilen te midden

van een woud van olijven, eiken en noteboomen; of wel die van Melanes,

minder blootgesteld aan den noordenwind, vol oranje- en granaatboomen

en inderdaad beantwoordende aan de schoone beschrijvingen, welke de

oude dichters ons van dit eiland hebben nagelaten.

Alvorens aan boord terug te keeren, gaan wij een vierkanten toren

bezien, het eenige overblijfsel van het oude paleis der venetiaansche

hertogen, die zich schier zonder uitzondering bij hunne onderdanen

bemind wisten te maken. Binnen de nog bestaande omwalling woont de

grootste helft van de vierhonderd Katholieken van Naxos, die allen

beweren van de oude adellijke familiën af te stammen, en die het door

hunne traagheid, hunne ijdelheid en hunne woelige natuur den paters

Lazaristen, die daar op kosten der fransche regeering zijn gevestigd,

zeer lastig maken. Boven hunne deuren prijken nog de wapenschilden

hunner ware of vermeende voorouders; sommige familiën zijn nog in

het bezit van echte dokumenten, die zij met groote zorg bewaren: zoo

als bij voorbeeld de Coronello's, die onder hunne voorvaderen in de

zestiende eeuw een hertog van Naxos tellen.

De steile en bouwvallige trappen afdalende, die naar de Marina voeren,

komen wij langs de grieksche kathedraal, want de latijnsche bisschop

van Naxos heeft een orthodoxen collega: en de goede verstandhouding

tusschen die beide herders laat soms wel eens wat te wenschen over. De

kerk was vol menschen, mannen en vrouwen, die daar gekomen waren

om te biechten. Men vindt hier niet, als in Europa, biechtstoelen,

waar de biechteling, ongezien en met God en zijn geweten alleen,

zijn hart voor den priester kan uitstorten. Hier staan de pappas

en de biechteling, tegen een zuil geleund, tegenover elkander; ook

is de biecht veel beknopter, eene soort van biecht _en bloc_, eene

algemeene schuldbelijdenis: "Ik ben een zondaar"; meer niet.--Zoo

als ik zeide, de kerk was opgevuld met menschen, allen met eene kaars

in de hand. Ieder trad op zijne beurt voor, knielde neder en maakte

herhaaldelijk het teeken des kruises; vervolgens wisselde hij eenige

woorden met den pappas, die haastig de absolutie uitsprak en hem een

pand van zijn stool op het hoofd lei. De vrijgesprokene richtte zich

weer op en stelde den pappas een geldstuk ter hand. In de grieksche

kerk moet voor alle sakramenten worden betaald, voor de biecht en

de communie zoo goed als voor de anderen. Dit is een noodzakelijk

gevolg van de armoede van de geestelijkheid, die niet kan leven zonder

deze inkomsten, waarvan dit wel het ergste is, dat zij de majesteit

en den zedelijken invloed van de godsdienst in bedenkelijke mate

ondermijnen. Er is geen vast tarief: ieder betaalt overeenkomstig

zijn stand en zijn goedvinden, waarbij soms schuldbesef maar meer nog

ijdelheid eene rol spelen. Zonder blikken of blozen steekt de pappas de

hand uit om zijn loon te ontvangen; de arme priester zou geen mensch

moeten zijn, indien hij zijne goede klanten niet met toegevendheid

behandelde; ja, het is niets vreemds dat de biechtelingen vooraf over

den prijs van de absolutie in onderhandeling treden, en hun uiterste

best doen om, door hartstochtelijk loven en bieden, eenigen afslag

te verkrijgen.

Wij verlaten de kerk om naar ons jacht terug te keeren, waarvan de

stoomfluit ons reeds bij herhaling gewaarschuwd heeft. Want de dag

begint te dalen en wij moeten gaan ankeren in eene der havens van

het eiland Paros, waar wij den nacht veiliger kunnen doorbrengen

dan op de zeer slechte reede van Naxos, die zelfs bij noordenwind

gevaarlijk kan zijn. Wij varen ten noorden langs het groote eiland

Paros, volgen dan de westkust en werpen eindelijk het anker uit in

de natuurlijke haven van Parikia, een dorp dat de plaats inneemt van

de spoorloos verdwenen antieke stad. Het eiland Paros is kleiner en

minder vruchtbaar dan het naburige Naxos; maar het was beroemd om het

prachtige, fijne, min of meer doorschijnende marmer, dat daar gevonden

werd en dat de stof heeft geleverd voor zoo vele meesterstukken der

antieke beeldhouwkunst. De oude steengroeven bevinden zich op korten

afstand van Parikia, maar leveren niets bijzonders op. Wij besloten

dus, den volgenden morgen, onze reis te vervolgen naar het eilandje

Antiparos, waarvan wij de vermaarde grot wilden bezoeken.

De toegang tot het eilandje is zeer moeilijk, door de vele klippen

en ondiepten; het adviesjacht blijft onder stoom op onze terugkomst

wachten. Wij nemen eenige matrozen mede, voorzien van touwen,

fakkels en ladders; in het dorpje, op twee mijlen afstands van de

zee, vinden wij een man, die onlangs met een russisch admiraal de

grot heeft bezocht en die ook ons als gids wil dienen.

De ingang van de grot heeft niets romantisch af schrikwekkends:

het is een laag gewelf gedragen door eene zware rots, waaraan wij

een lang en stevig touw vastmaken, langs hetwelk wij ons een voor

een naar beneden laten glijden. Na drie of vier el afgedaald te

zijn, gaan wij langs eene zeer steile helling, die op eene ronde

en glibberige rots uitloopt, welke boven een zeer diepen afgrond

hangt. Dit is een gevaarlijk punt, waar het vooral noodig is, zijne

koelbloedigheid te bewaren. Vijf el lager steekt een kleine rots,

bij wijze van balkon, boven den afgrond uit. Wij laten ons afzakken

langs een sterk touw met knoopen, en bevinden ons op nieuw op eene

zeer steile en smalle helling, die rechts tegen den rotswand aanleunt,

en waarlangs, ter linkerhand, diepe en duistere kloven en afgronden

gapen, waarin het licht onzer flambouwen niet kan doordringen. Met

groote behoedzaamheid voortgaande, steeds het touw vasthoudende,

komen wij eindelijk op een meer vlak terrein; wij gaan langs eene

groote rots, die den weg schijnt te versperren, en betreden dan eene

groote zaal, van wier vijftig of zestig el hooge zoldering reusachtige,

fantastisch gevormde stalaktiten afhangen; in het midden van de zaal

verrijst eene agglomeratie van stalagmiten, ruim acht el hoog en het

best te vergelijken bij een reusachtige bloemkorf.

De terugtocht viel ons minder moeilijk; toch zagen wij met groote

blijdschap den zonnigen hemel weder en de eindelooze donkerblauwe zee,

waarop ons schip een zwarte stip scheen.

Wij hebben vier uren noodig om het eiland Milos te bereiken. Halverwege

varen wij langs de zuidpunt van het eiland Siphnos, welks klimaat,

naar men zegt, zoo gezond is, dat grijsaards van honderd-twintig

jaar hier niet zeldzaam zijn.--Weldra krijgen wij nu het eiland

Milos met zijne twee bergtoppen, in het oog. Ten noordwesten opent

zich eene baai, die eene prachtige haven vormt, waar eene gansche

vloot zou kunnen ankeren, en die aan alle zijden door kale, woeste,

gescheurde bergen is ingesloten. Op den achtergrond, tegen de helling

der heuvelen, zien wij de ruïnen van een antiek amphitheater. In

de nabijheid van dat amphitheater werd, door een boer, in een

wijngaard de beroemde Venus van Milo gevonden, een der schoonste

gewrochten van de antieke kunst. Zouden de armen van het heerlijke

beeld wellicht nog onder het puin begraven zijn; of zijn ze, als

zoo vele andere antieke beeldwerken, door een of anderen metselaar

in kalk herschapen? Nauwkeurige onderzoekingen zouden misschien op

deze vraag het antwoord kunnen geven.

Gedurende langen tijd was het eiland Milos vruchtbaar en bloeiend; het

bracht koren, katoen en uitmuntenden wijn voort; in de boomgaarden

vond men ceders, oranjes en citroenen; en er was overvloed van

water. Sedert het laatst der vorige eeuw is dit alles veranderd. Deze

vulkanische bodem is in alle richtingen gescheurd en gespleten, en

kwaadaardige dampen en uitwasemingen verpesten den dampkring; zoute,

zwavelachtige bronnen hebben bij het dorp en rondom de reede moerassen

gevormd, waarvan de stilstaande wateren den omtrek vergiftigen. De

inwoners dragen in hun voorkomen de sporen van deze vergiftiging:

hunne vaal gele kleur, hun ziekelijk bol gelaat, hun opgezette buik en

gezwollen beenen maken een allertreurigsten indruk. Zoo sleepen zij hun

jammerlijk leven voort in ellendige krotten, en sloven zich af bij de

bewerking van eenige steenachtige velden, die slechts een schraal gewas

opleveren. De bevolking slinkt dan ook voortdurend, deels door ziekte,

deels door emigratie. Vroeger telde het eiland zes-en-dertig-duizend

inwoners; tegenwoordig vindt men er ter nauwernood drieduizend, die hun

voornaamste middel van bestaan vinden in het bewerken van molensteenen.

Na een kort bezoek aan het vulkanische, als in rook en vlammen gehulde

eiland Santorin, keerden wij naar Athene terug. Ons uitstapje naar de

Cycladen was hiermede geëindigd en tevens onze reis door Griekenland,

waarvan wij weldra afscheid namen om naar het vaderland weer te keeren.

Reis door Griekenland De Aarde en haar Volken, 1887 · 第 4 / 5 题