REIS DOOR GRIEKENLAND.

I

Vermoedelijk zullen de meesten mijner lezers het zich niet meer

herinneren, dat ik hen, nu omstreeks zeven jaren geleden, [1] in het

hart van Arkadië, in het dorp Andritzena, heb achter gelaten. Nu,

het is inderdaad mijne schuld niet dat onze reistocht gedurende zoo

langen tijd werd gestaakt; en het is ook een geluk, dat mijne lezers

op hun gemak, in hun eigen huis, het hervatten van de reis hebben

kunnen afwachten. Hadden zij dien tijd werkelijk moeten doorbrengen

in het huis van Alkibiades Koutzavas, onzen gastheer, en zich daar

moeten voeden met de ranzige olie, de bittere olijven en den zuren

wijn van het land:--ik vrees dat zij voor altijd genoeg zouden hebben

gekregen van het oude, het tegenwoordige en het toekomende Griekenland.

Ik hoop dan ook dat mijne lezers gezind zullen zijn om onzen tocht

door den Peloponnesos te voleindigen, waarna wij nog aan enkele

eilanden een bezoek zullen brengen.

Wij verlaten Andritzena om ons naar Olympia te begeven, en volgen

een smallen en steenachtigen weg, die langs de berghelling slingert,

aan welker voet de Alpheios zijne geelachtige wateren tusschen groote

rotsblokken voortstuwt. Nu eens loopt de weg door boschjes, dan weder

door weilanden, waarin runderen loopen te grazen onder de hoede van

eenige in lompen gehulde knapen. Voert de weg door eene of andere

stille schaduwrijke vallei, dan wordt meestal het oor gestreeld door de

muziek van eene overvloedig vloeiende bron, waarvan het kristalheldere

water in vroolijke sprongen over de rotsen huppelt en kleine stille

kommen vormt, waarin mikroskopische schildpadden rondzwemmen, die

zich bij onze nadering haastig verbergen tusschen de bladeren en

stengels van waterlelies.--Stijgt de weg weer langs de berghelling

omhoog, dan ontvouwt zich voor onzen blik het panorama van de breede,

boschrijke vallei, ten noorden begrensd door de bergketen van den

Erymanthes. Van bebouwing is overigens niet veel te ontdekken. Van

tijd tot tijd ziet ge een maïsveld, waaruit ge kunt opmaken, dat

daar in den omtrek menschen wonen, die voedsel noodig hebben om te

leven.--Overigens is de vallei eenzaam en verlaten; geen ander geluid

treft uw oor, dan het ruischen van het gebladerte en het tjilpen en

fluiten der vogels. Als op zoo vele andere plaatsen, heerscht ook daar

de koorts. De Grieken willen van de malaria niets weten en loochenen

haar; doch de vaalbleeke gelaatskleur, de doffe oogen, de ingevallen

wangen, de zwakke krachtelooze gestalte der bewoners van de diepe

valleien, logenstraffen hunne bewering op de nadrukkelijkste wijze.

Een uur nadat wij het dorp Phanari waren doorgetrokken, kwamen wij

op het plateau van Nerovitsa, van waar men geheel het omliggende

land en al de bergen van Arkadië kan overzien. Van Rougozio, een

dorpje waarvan de huizen van takken en slijk zijn gebouwd, voert

een moeilijk begaanbaar pad, met vele kronkelingen, dwars door

steeneiken en mastikboomen, naar beneden, naar den Alpheios. Wij

doorwaden de rivier en vinden op de landtong, waar de Ladon en de

Alpheios samenvloeien, de grondslagen van oude helleensche muren,

half verborgen onder kreupelhout en heestergewas.

Daar lag weleer Heraea, eene der rijkste en machtigste steden van

Arkadië, vermoedelijk ook eene der gelukkigste, want zij heeft geene

geschiedenis. Hoe zou zij ook niet gelukkig zijn geweest, omringd

door eene zoo schoone en zoo vruchtbare streek, in een land met des

hemels beste gaven gezegend, en verborgen voor de gierige blikken

van vreemde veroveraars; in een heerlijk klimaat, waar de zwoele

koeltjes van de Ionische-zee afwisselen met de frissche winden van den

Erymanthes.--De stad was gebouwd op een glooiend terrein, dat naar den

Alpheios afloopt; langs de rivier strekten zich lange terrassen uit,

met myrthen en laurieren beplant, en die eene heerlijke wandelplaats

voor de burgers aanboden. Van daar konden zij den loop der rivier

volgen tot waar zij zich plotseling naar het westen wendt; van daar

lieten zij hunne blikken dwalen over het bekoorlijke landschap, over

de malsche groene weiden langs den stroom, over de boschrijke heuvelen

en bergen, over geheel deze rustige, vrede en kalmte ademende omgeving.

De breede en diepe Ladon was niet doorwaadbaar; de paarden moesten

trachten al zwemmende den overkant te bereiken; wij zelven stapten

in eene soort van oude ontwrichte schuit, ongeveer zoo waterdicht

als eene zeef. De oude boer, met de bediening van dit veer belast,

was nergens te vinden; naar het schijnt, was er in het naburige

dorp Paloumba eene vergadering van kiezers, en de veerman zou geen

Griek zijn geweest, indien hij niet zijn plicht had verzuimd, om in

de herberg te gaan redeneeren over de verdiensten der verschillende

kandidaten en over de beste wijze om 's lands zaken te besturen.

De vallei van den Ladon behoort ongetwijfeld tot de schoonste streken

van Griekenland; de reiziger, hij mag archeoloog, schilder of dichter

zijn, kan hier alles vinden wat zijn weetlust of zijne fantasie

kan bevredigen. Dit is werkelijk het zoo vaak bezongen Arkadië, met

zijne kristalheldere rivier, die zich als een zilveren lint door het

liefelijke landschap slingert; met zijne koele, murmelende bronnen,

zijn schaduwrijke bosschen, zijn malsche weiden, waarin de blanke

runderen grazen; met zijn zacht glooiende heuvelen, stralende in

bonte bloemenpracht.

Bij iederen voetstap verandert de aanblik van de vallei; nu eens

verdwijnt de rivier bijna onder de reusachtige platanen, wier breede

takken haar overwelven; dan weder verdeelt zij zich in twee armen,

welke schilderachtige eilandjes omvatten met weelderig geboomte bedekt;

straks wandelt zij, in vrije majesteit, door heerlijke weilanden,

omlijst door heuvelen met donkere dennen begroeid. De berghellingen

zijn met dichte eikenbosschen bedekt; en in de verte straalt, hoog in

de lucht, de besneeuwde top van den Olonos. Als van zelve geeft men

zich over aan den indruk van deze onuitsprekelijk bekoorlijke natuur;

en men kan bijna niet anders dan gelooven, dat dit schoone land slechts

door tevreden, gelukkige menschen werd bewoond, eenvoudig van zeden

en levenswijze en onverschillig voor den zoo duur gekochten roem,

vergeten bij de wereld, maar in rust en vrede genietende van de

onuitputtelijke zegeningen der natuur.

Nauwelijks drie kwartier nadat wij de boorden van den Ladon verlaten

hadden, kwamen wij aan eene andere rivier, waarvan de snelvlietende

wateren den oever hadden ingeschaard. Dit is de oude Erymanthes,

thans de Dogana genoemd, die als een bruisende bergstroom van den

Olonos afdaalt en aanvankelijk haar weg neemt door eene woeste vallei,

omzoomd door steile rotsen, vol scheuren, spleten en holen, waarvan

verscheidenen gedurende den onafhankelijkheidsoorlog door de Klephten

als vestingen en schuilplaaatsen werden gebruikt.--Wij doorwaden de

rivier, waarvan het water tot de borst der paarden reikt, en volgen

dan de lachende vallei van den Alpheios, ingesloten door matig hooge

bergen, met bosschen begroeid en regelmatig van vorm en lijn. Beneden

in de vallei, waarvan de bodem bij uitstek vruchtbaar is, wisselen

wijngaarden en maïsvelden af met weilanden en boschjes van eiken,

mastikboomen, wilde vijgeboomen, langs wier eeuwenoude forsche stammen

en takken, lianen, woekerplanten en wilde wingerden zich slingeren. Op

de zandplaten, die uit de rivier oprijzen, en langs de oevers bloeien

laurieren, cactussen en reusachtige platanen, terwijl de heuvelen

met dennenbosschen zijn gekroond. De krekels piepen in de struiken,

de nachtegalen zingen in de boschjes. Deze geheele liefelijke natuur

is in volkomen overeenstemming met de historische herinneringen en

schijnt in waarheid in onsterfelijk feestgewaad gedost.

De vallei van Olympia was in zekeren zin één groot heiligdom, vol van

tempels, altaren en beelden. Van al deze monumenten en meesterstukken

der kunst is heden ten dage niets meer over dan eenige steenen, enkele

brokstukken van zuilen, bedolven in den moerassigen grond door de

rivier aangespoeld. Wat de Romeinen uit den tijd van het keizerrijk

niet hebben geroofd, dat hebben hunne opvolgers in het byzantijnsche

tijdvak verwoest. Wat nog overbleef, heeft de Alpheios ondermijnd

en omver geworpen, na eerst de dijken te hebben vernield, die de

ouden hadden opgeworpen om het geweld der overstroomingen te keeren;

de niet langer in hare bedding bedwongen rivier overdekte allengs de

vlakte met eene sliblaag van twaalf voet dikte.

De opgravingen, door de Franschen gedurende de expeditie van Morea

gedaan, hebben ons in staat gesteld, ons een vrij nauwkeurig denkbeeld

te vormen van den zoo beroemden Zeustempel, hoewel de grieksche

regeering, met onverantwoordelijke slordigheid, het onverschillig

aanziet dat het uitgegraven gedeelte van het monument weer met den

dag verder begraven wordt. De door Abel Blouet medegevoerde fragmenten

bevinden zich in den Louvre: de leeuw van Nemea, door Herakles geveld;

Artemis Stymphalia, van de hoogte der rotsen de uitroeiing der vogels

van het meer door Herakles aanschouwende; een Hermes, prachtig bewerkt

en bewonderenswaardig schoon in zijne jeugdige bevalligheid; fragmenten

van het westelijk fronton, waarop Alkamenes van Athene het gevecht der

Kentauren en Lapithen had afgebeeld; Herakles, den stier van Kreta

bedwingende, een meesterstuk van den eersten rang, misschien door

geen ander gewrocht der antieke skulptuur overtroffen.--Maar sedert

den dag, waarop ik Olympia onder haar lijkkleed van slib en modder

aanschouwde, heeft daar eene groote verandering plaats gegrepen. De

duitsche regeering, doende wat de heer Beulé zoo herhaaldelijk, doch te

vergeefs aan het fransche gouvernement had voorgesteld, heeft voor hare

rekening, op groote schaal en onder uitmuntende leiding, opgravingen

bewerkstelligd. De uitkomst heeft alle verwachting overtroffen: men

heeft daar niet alleen fragmenten gevonden, die tot de uitnemendste

voortbrengselen der grieksche kunst kunnen gerekend worden, maar ook

eene duidelijke voorstelling verkregen van het oude Olympia, de zoo bij

uitnemendheid gewijde plek, het algemeene heiligdom der helleensche

stammen. Ongetwijfeld zullen mijne lezers mij dankbaar zijn, indien

ik hun eene beknopte schets poog te geven van deze beroemde plaats,

waar om de vier jaren de groote spelen werden gevierd, waaraan de

gansche helleensche wereld deel nam.

Het geheele terrein was in drie deelen gesplitst: vooreerst de met een

muur omgeven tempelruimte, de zoogenoemde _Altis_, die uitsluitend den

goden behoorde en slechts aan de zuidzijde een enkelen hoofdingang had,

waardoor de processies haar weg namen; ten tweede, de daarbuiten

gelegen terreinen en gebouwen voor de verschillende spelen en

wedstrijden; eindelijk, de noodige gebouwen en inrichtingen voor de

priesters en tempeldienaars, voor de huisvesting der feestelingen en

pelgrims, voor gezellig verkeer, voor de uitoefening van verschillende

ambachten en bedrijven. Het middelpunt van de Altis was het groote

altaar van Zeus, dat op een omvangrijken steenen onderbouw, uit de met

water uit den Alpheios vermengde asch van de verbrande beenderen der

offerdieren was gebouwd, en op hetwelk dagelijks geofferd werd. In

de nabijheid, meer westelijk, stonden twee andere heiligdommen:

het Heraion, een dorische, aan Hera gewijde tempel, met kostbare

wijgeschenken; en het heiligdom van Pelops (het Pelopion), eene

gewijde tempelruimte door muren omringd, met boomen beplant en met

standbeelden versierd. Ten zuiden van het Pelopion verrees de kroon

en het schoonste sieraad van de Altis: de beroemde tempel van den

olympischen Zeus, door de Eleaten ter herinnering aan hunne zegepraal

over de Pisaten gebouwd. Deze wijd vermaarde tempel was een dorische

peripteros, in grootte maar weinig onderdoende voor het Parthenon

van Athene, met zes maal dertien zuilen van kalksteen, met fijne

stuc bekleed. Het inwendige der cella en al het beeldwerk was van

wit marmer. Het westelijk fronton bevatte, zoo als ik reeds zeide,

de voorstelling van den strijd tusschen de Kentauren en de Lapithen;

in het oostelijk gevelveld had Paeonios uit Mende de toebereidselen

afgebeeld tot den wedstrijd tusschen Pelops en Oenomaos. In eene

afzonderlijke kapel van de cella bevond zich het grootste en schoonste

werk der helleensche plastiek, het wereldberoemde kolossale beeld

van Zeus, door Phidias uit goud en elpenbeen vervaardigd. De god was,

naar de schildering van Homeros, voorgesteld zittende op zijn troon,

met den langen schepter in de eene, en eene gevleugelde Nike (Victoria)

in de andere hand.--In de onmiddellijke nabijheid van dezen tempel

stond de wilde olijfboom, van welken een knaap, met een gouden mes,

de kransen afsneed voor de overwinnaars; en tusschen den tempel en

het groote altaar zag men, onder een op vier zuilen rustend dak, een

houten pilaar, die, volgens de legende, tot het huis van Oenomaos zou

hebben behoord.--Van de andere gebouwen binnen de gewijde omwalling

der Altis, noemen wij nog het Hippodamion, nabij den hoofdingang

aan de zuidzijde, in hetwelk de vrouwen, eenmaal in het jaar, aan

Hippodamia offers brachten; voorts, aan den noordelijken muur, het

aan Hestia gewijde Prytaneon, waarin den overwinnaars een feestmaal

werd aangeboden; het Philippeion, eene met beelden versierde rotonde,

door Philippus van Macedonië na den slag bij Chaeroneia opgericht;

het Metroön, een aan de moeder der goden gewijde dorische tempel,

en het Bouleuterion, het lokaal waar de kamprechters hunne zittingen

hielden, met een standbeeld van Zeus Horkios, den handhaver der eeden;

eindelijk een oud theater, benevens altaren van Zeus en galerijen en

zalen, waar de feestvierenden samen kwamen.

Buiten den noordelijken Altismuur stonden, op eene rij, aan den voet

van den Kronionheuvel, de schatkamers der verschillende steden; de

laatste van deze schatkamers grensde ten oosten aan het stadion, de

renbaan voor den wedloop, dat van het noorden naar het zuiden eene

lengte van bijna tweehonderd ellen had; verder, meer oostwaarts,

het hippodromos, de tweemaal zoo lange baan voor het wedrennen met

paarden en wagens. In de nabijheid van dit laatste stond een tempel

van Demeter, wier priesteres het recht had, bij de spelen tegenwoordig

te zijn en tegenover de kamprechters plaats te nemen. Buiten de Altis

had men voorts nog het gymnasion, ten westen van den Kronionheuvel,

met de woningen en de oefenplaatsen der athleten; en eindelijk

herbergen, woningen voor de priesters, winkels, werkplaatsen, tenten

en dergelijken, die de gansche oppervlakte tot aan den Alpheios

bedekten. Al deze heiligdommen en gebouwen kennen wij alleen uit

de beschrijving van Pausanias, die in de tweede eeuw na Christus

Griekenland bereisde en al deze monumenten nog met eigen oogen zag;

sedert zijn zij, deels door menschenhanden, deels door aardbevingen,

overstroomingen en andere natuurwerkingen, verwoest, zoodat zij bijna

spoorloos verdwenen zijn.

De beroemde spelen ter eere van Zeus werden om de vier jaren, omstreeks

volle maan na den zomerzonnekeer, gehouden; aanvankelijk tot één dag

beperkt, duurden zij later vijf dagen en omvatten allerlei wedstrijden

in loopen, worstelen, springen, werpen en andere oefeningen, benevens

wedrennen met paard en wagen. Slechts vrije Hellenen van onbesproken

gedrag, die zich gedurende zekeren tijd in een grieksch gymnasion

geoefend hadden, mochten aan deze spelen deelnemen; ter bepaling van de

volgorde moesten de kandidaten loten en zich voor het beeld van Zeus

Horkios onder eede verbinden tot een eerlijken wedstrijd. De leiding

van het feest behoorde aan de Eleaten, wier aanzienlijkste mannen als

Hellanodiken (Hellenenrechters) de wedstrijden regelden en voor de

stipte naleving der vastgestelde wetten en regelen zorgden. Het loon

voor den overwinnaar bestond in een krans, gevlochten van de bladeren

van den heiligen olijfboom, welke door een knaap, wiens beide ouders

nog leefden, met een gouden mes werden afgesneden. De kransen werden in

den tempel van Zeus, aan de voeten van zijn beeld, op eene prachtige

tafel ten toon gesteld en door een der kamprechters den overwinnaars

op het hoofd gedrukt, dat vooraf met een wollen band was omwonden;

bij den krans voegde men nog een palmtak. De naam van den overwinnaar

werd, met dien van zijn vader en van zijne vaderstad, door een heraut

den volke bekend gemaakt. De overwinnaars mochten hun standbeeld in

de heilige tempelruimte laten oprichten; hun werden feestmaaltijden

aangeboden, en de beroemdste dichters, zoo als Simonides en Pindaros,

verheerlijkten hen in hunne liederen. In hunne vaderstad werden

de overwinnaars in triomf ingehaald en hun ter eere standbeelden

opgericht. In Athene werden zij op staatskosten in het Prytaneon

onthaald; in Sparta mochten zij in de onmiddellijke nabijheid des

konings ten strijde gaan; zij waren van alle belastingen en diensten

vrijgesteld en genoten nog andere belangrijke privilegiën. Uit alle

deelen van Griekenland en uit de afgelegenste grieksche volkplantingen

stroomden tallooze toeschouwers naar het vierjaarlijksche feest;

vrouwen evenwel werden daarbij niet, of misschien behoudens enkele

uitzonderingen, toegelaten. Bovendien zonden de afzonderlijke staten

plechtige gezantschappen, waartoe de voornaamste en aanzienlijkste

mannen werden aangewezen. Optochten, processies, godsdienstige

plechtigheden verhoogden den luister van het feest, waarmede niet

alleen eene zeer druk bezochte jaarmarkt gepaard ging, maar waarvan ook

dichters, redenaars, beeldhouwers en andere kunstenaars gebruik maakten

om hunne werken aan het oordeel van eene zoo doorluchtige vergadering

te onderwerpen. Bekend is de overlevering, dat Herodotos stukken uit

zijn geschiedenis te Olympia zou hebben voorgelezen.--De bloeitijd

dezer spelen valt in de derde en in de vijfde eeuw vóór Christus, tot

op den peloponnesischen oorlog; maar ook daarna bleven zij in stand,

ondanks de onophoudelijke oorlogen tusschen de grieksche staten en

stammen, die met den gemeenschappelijken ondergang eindigden; zelfs

nog in den romeinschen tijd werden zij gevierd, zij het dan ook niet

meer met den vroegeren luister.

Reis door Griekenland De Aarde en haar Volken, 1887 · 第 1 / 5 题