VI.

Op dien zelfden dag, kwam Jean tegen half acht den pastoor halen en

beiden sloegen den weg naar het kasteel in.

Sedert eene maand had zich een geheel leger van werklieden van

Longueval meester gemaakt; de herbergen en de kroegen van het dorp

maakten fortuin. Groote verhuiswagens hadden uit Parijs scheepsladingen

meubels en tapijten gebracht. Acht en veertig uur voor de komst van

mevrouw Scott had juffrouw Marbeau, de post-directrice en mevrouw

Lormier, de vrouw van den burgemeester, zich toegang tot het kasteel

weten te verschaffen; hunne verhalen brachten de hoofden op hol.

De oude meubels waren verdwenen; men liep te midden van eene

opeenstapeling van prachtstukken. En de stallen! en het koetshuis! Een

exprestrein had van Parijs, onder het hooge toezicht van Edwards, een

twaalftal rijtuigen, en welke rijtuigen! een twintigtal paarden, en

welke paarden! aangebracht.

De abbé Constantijn dacht, dat hij wist wat weelde was. Hij dineerde

eens in het jaar bij zijn bisschop, den Hoogwaarden heer Foubert, een

aangenaam en rijk prelaat, die zeer goed ontving. Tot nu toe, had de

pastoor gedacht, dat er op de geheele wereld niets vorstelijkers te

zien was, dan het bisschoppelijk paleis van Souvigny, dan de kasteelen

van Lavardens en van Longueval... Na alles wat hij gehoord had,

begon hij nu te begrijpen, dat de weelde der groote huizen uit den

tegenwoordigen tijd, de ernstige, stijve weelde uit de oude huizen van

den vroegeren tijd, ver overtrof.

Toen de pastoor en Jean een eind de laan van het park, die naar het

kasteel leidde, op waren gegaan, zeide hij:

--Zie eens Jean, welke eene verandering! Dit gedeelte van het park was

geheel verwaarloosd--en nu is alles met zand bestrooid... Ik zal mij

hier niet meer thuis gevoelen... Het zal te mooi worden! Ik zal niet

meer mijn oude leuningstoel terugvinden, waar ik zoo dikwijls na den

eten in geslapen heb. Wat zal ik doen, als ik van avond inslaap? Zal je

er op letten, Jean... Wanneer je ziet dat ik indommel, moet je mij van

achteren in den arm knijpen. Beloof je het mij?

--Ja peetoom, ik beloof het u.

Jean luisterde maar half naar het gesprek van den pastoor. Hij was

zeer nieuwsgierig om mevrouw Scott en miss Percival terug te zien;

maar deze nieuwsgierigheid ging met eene groote angst gepaard. Zou hij

ze in het groote salon van Longueval terugzien, zooals hij ze in de

kleine kamer van de pastorie ontmoet had? Misschien zou hij, inplaats

van deze twee vrouwen die zóó eenvoudig, zóó vriendelijk waren en die

hem van den eersten dag af met zooveel bevalligheid en minzaamheid

ontvangen hadden, twee mooie, elegante, koude en correcte modepopjes

terug vinden. Zou de eerste indruk uitgewischt worden?--verdwijnen? Of

zou hij integendeel nog aangenamer, nog dieper gewaarwording teweeg

brengen?

Zij klommen de zes trappen van het perron op, en werden in de vestibule

door twee lakeien ontvangen. Deze vestibule was vroeger eene groote,

kale ruimte met steenen muren; deze muren waren nu met prachtige

tapijten behangen, die tafereelen uit de mythologie voorstelden. De

pastoor keek er nauwelijks naar, maar dit was genoeg om te bemerken

dat de godinnen die zich onder het lommer bewogen in de zeer luchtige

kleederdracht der oudheid gehuld waren.

Een der lakeien deed de deuren van het salon open. Hier hield de

oude markiezin zich gewoonlijk op, rechts van den hoogen schoorsteen

gezeten, en links stond de groote leuningstoel. Geen leuningstoel

meer! Het oude meubel uit den Empiretijd was verbannen en door een

prachtigen stoel uit het einde der vorige eeuw vervangen. Een aantal

kleine stoeltjes en poufjes van alle kleuren en van alle vormen waren

hier en daar met een schijn van onorde verspreid, die het toppunt van

kunst moest verbeelden. Mevrouw Scott stond op, toen de pastoor en Jean

binnenkwamen, en ging hen te gemoet:

--Het is zeer vriendelijk van u, mijnheer de pastoor, dat gij gekomen

zijt... En gij ook mijnheer ... wat ben ik blij u weer te zien gij

mijne eerste, mijne eenige vrienden in deze streek!

Jean herademde. Het was wel dezelfde vrouw.

--Mag ik u mijne kinderen voorstellen? voegde mevrouw Scott er bij ...

Harry en Bella ... kom hier.

Harry was een aardig ventje van zes en Bella een lief meisje van vijf

jaar; zij hadden de groote zwarte oogen en de gouden lokken hunner

moeder.

Nadat de pastoor de twee kinderen gekust had, zeide Harry, die met

bewondering naar de uniform van Jean keek, tot zijne moeder:

--Mama, moet ik dien militair ook een kus geven?

--Als je wilt, antwoordde mevrouw Scott, en indien mijnheer het

toestaat.

De kinderen waren een oogenblik later op de knieën van Jean gezeten en

overlaadden hem met vragen.

--Bent u officier?

--Ja, ik ben officier.

--Van wat?

--Van de artillerie.

--Artilleristen ... dat zijn die, die een kanon aftrekken... O! wat

zou ik het prettig vinden om dat eens te zien!

--Gij moet ons eens meenemen, wanneer men het kanon aftrekt; zeg, wilt

u?

Mevrouw Scott en de pastoor zaten in dien tusschentijd samen te

praten, en Jean keek, terwijl hij de vragen der kinderen beantwoordde,

naar mevrouw Scott. Zij droeg een kleed van wit neteldoek, maar het

neteldoek was geheel door strookjes van Valencienne bedekt. Het lijf

was van voren laag vierkant uitgesneden. De armen waren tot aan de

ellebogen ontbloot, zij droeg een groote ruiker roode rozen aan haren

boezem, en eene roode roos in het haar, die door een diamanten speld

werd vast gehouden, niets meer.

Mevrouw Scott merkte plotseling dat Jean door hare kinderen in beslag

was genomen.

--O! ik vraag u wel excuus, mijnheer! Harry! Bella!

--Ik bid u mevrouw, laat ze toch.

--Wat spijt het mij, dat ik u zoo lang op het diner laat wachten. Mijne

zuster is nog niet beneden. O! daar is zij.

Bettina trad binnen. Dezelfde japon van wit neteldoek, dezelfde kanten,

dezelfde roode rozen, dezelfde bevalligheid, dezelfde schoonheid en

hetzelfde lachende, vriendelijke, hartelijke onthaal.

--Uwe onderdanige dienares, mijnheer de pastoor. Hebt gij mij mijne

vreeselijke vrijpostigheid van verleden vergeven? Zich toen naar Jean

wendend en hem de hand toestekend:

--Dag mijnheer--mijnheer... Nu heb ik werkelijk uw naam vergeten ... en

toch komt het mij voor alsof wij reeds oude vrienden waren?--

--Jean Reynaud.

--Jean Reynaud ... dat is ook waar. Nu, dag mijnheer Reynaud! maar, ik

waarschuw u, wanneer wij in een dag of tien werkelijke oude vrienden

zijn, dan zal ik u mijnheer Jean noemen... Het is een zeer mooie naam,

Jean.

Men kwam zeggen dat het diner gereed was. De gouvernantes kwamen de

kinderen halen. Mevrouw Scott nam den arm van den pastoor, Bettina, den

arm van Jean.

Het gesprek was weldra zeer levendig... De zusters waren geheel

opgetogen. Zij hadden reeds eene wandeling in het park gedaan, morgen

wilden zij een langen wandelrit in het bosch maken. Paardrijden was

voor hen een genot, een hartstocht! Daar het voor Jean ook een genot

was, vroeg men hem aan dezen rit deel te nemen. Hij nam het met

blijdschap aan. Niemand kende de omstreken zoo goed als hij; het was

zijn land. Hij zou zoo gelukkig wezen, wanneer hij hen alles kon laten

zien!

--Rijdt gij elken dag paard? vroeg Bettina hem.

--Elken dag en gewoonlijk twee maal per dag. Des morgens voor dienst en

's avonds voor mijn genoegen.

--Des morgens vroeg?

--Om half zes...

--En het is al dag?

--O! nu klaar licht en dag.

--Zoo vroeg op te staan, is heerlijk! Wij eindigen onzen dag dikwijls,

wanneer gij den uwen begint. En gij hebt uw beroep lief?

--Zeer. Het is zoo heerlijk om zijn bestaan en plichten duidelijk voor

oogen te hebben.

--Nooit zijn eigen heer en meester zijn, altijd te moeten gehoorzamen,

zeide mevrouw Scott!...

Dat is het, wat mij het beste bevalt. Niets is gemakkelijker dan te

gehoorzamen ... en, te leeren gehoorzamen, is het eenige middel om te

leeren bevelen.

--O! hoe waar is hetgeen gij zegt!

--Ja zeker, vervolgde de pastoor, maar wat hij u niet zegt is, dat hij

de beste officier van zijn regiment is...

Dat weten wij, mijnheer de pastoor, viel Bettina hem in de rede. Wij

zijn zoo onbescheiden geweest om inlichtingen omtrent mijnheer ... ik

had bijna mijnheer Jean gezegd ... mijnheer Reynaud in te winnen.

--Ik zou wel eens willen weten, zeide Jean...

--Niets, gij zult niets weten. Ik wil u niet laten blozen.

Zich toen tot den pastoor wendend:

--Maar wij hebben ook naar u gevraagd. Gij schijnt een heilige te

zijn...

--O! dat, dat is zoo! riep Jean uit.

Deze keer was het de pastoor die een einde aan de welsprekendheid van

Jean maakte. Het diner was afgeloopen. Men diende de koffie op het

terras, voor het kasteel rond; men hoorde in de verte de oude dorpsklok

negen uur slaan. De bosschen en de velden waren in rust gedompeld.

Het park zag er als eene golvende, onzekere massa uit. De maan steeg

langzaam van achter het geboomte op.

Bettina nam eene kist met sigaren van de tafel.--Rookt gij? vroeg zij

aan Jean.

--Gaarne, mejuffrouw.

--Neemt u dan, mijnheer Jean... Maar neen, luister eerst:

--Het is nu donker, en gij kunt naar hartelust blozen. Ik ga u nu

zeggen, wat ik u aan tafel niet zeggen wilde. De oude notaris uit

Souvigny, die vroeger uw voogd geweest is, is mijne zuster in Parijs

komen opzoeken, wegens de betaling van het kasteel. Hij heeft ons

verteld, wat gij na den dood van uwen vader, toen gij nog een kind

waart, voor die arme moeder en dat arme jonge meisje gedaan hebt. Wij

waren er zeer van aangedaan, mijne zuster en ik.

--Ja, mijnheer, vervolgde mevrouw Scott, en daarom hebben wij u

met zoo veel genoegen bij ons gezien. Wij zouden niet iedereen zoo

ontvangen hebben, daar kunt gij verzekerd van zijn. Neem nu uw sigaar;

mijne zuster wacht. Laat ons buiten gaan zitten, in de heerlijke

avondlucht... Neem uwe koffie...

--En laat ons niet spreken, Suzie. Deze landelijke stilte na al dat

gewoel van Parijs, is heerlijk! Laten wij naar den hemel, naar de maan

en naar de sterren kijken.

Alle vier stemden hier in toe. Suzie en Bettina kalm, rustig, geheel

los van hun vroeger bestaan, hechtten zich reeds aan deze streek die

hen opgenomen had en die zij niet meer wilden verlaten.

Jean was minder gerust; de woorden van Miss Percival hadden hem hevig

ontroerd; zijn hart had zijne vroegere kalmte nog niet herkregen.

Maar de gelukkigste van allen was de abbé Constantijn.

De pastoor was in een aangenaam gepeins verzonken; hij gevoelde zich

weer thuis, geheel thuis; zijne gedachten vloeiden langzamerhand

ineen en verwarden zich. Het gepeins werd verdooving, de verdooving

slaperigheid; het onheil was weldra geschied, onherstelbaar. De pastoor

sliep in en sliep vast. Het fijne diner en de twee of drie glazen

champagne, hadden het hunne er toe bijgedragen.

Jean had niets gezien. Hij had de belofte aan zijnen peetoom gedaan,

vergeten. En waarom had hij haar vergeten? Omdat mevrouw Scott en miss

Percival hunne voetjes op de voetbankjes hadden gezet die voor hunne

leuningstoelen met kussens overladen, geplaatst waren. Toen hadden zij

zich lui achterover gevlijd, en door deze beweging waren vier kleine

voetjes te voorschijn gekomen.

Jean keek naar deze voetjes en vroeg zich zelve af:

--Welke zijn de kleinste?

Terwijl hij dit raadsel trachtte op te lossen, zeide Bettina

plotseling, fluisterend:

Mijnheer Jean! Kijk toch eens naar mijnheer de pastoor, hij slaapt.

--O goede Hemel! dat is mijn schuld.

--Hoezoo! uw schuld? vroeg mevrouw Scott, eveneens fluisterend.

--Ja... Mijn peetoom staat 's morgens zeer vroeg op en gaat vroeg

ter ruste; hij heeft het mij zoo op 't hart gedrukt, hem niet in te

laten slapen. Bij mevrouw de Longueval dommelde hij, na den eten, zeer

dikwijls in. Gij hebt hem zoo hartelijk ontvangen, dat hij in zijne

oude gewoonte is vervallen.

--Of hij gelijk heeft, zeide Bettina. Laten wij hem niet storen.

--Dat is lief van u, mejuffrouw; maar de avonden worden frisch.

--Dat is waar--hij zou kou kunnen vatten. Ik zal een mantel gaan halen.

--Ik geloof dat het beter is, mejuffrouw, om hem op eene listige wijze

wakker te maken, dat hij niet merkt dat gij het gezien hebt.

--Laat mij maar begaan; Suzie, laat ons wat zingen, eerst zacht, maar

dan sterker...

--Gaarne. Maar wat?

--Laat ons: Something childish ... zingen. De woorden zijn juist

geschikt.

Suzie en Bettina zongen:

If I had but two little wings

And were a little feathery bird, etc.

De pastoor bewoog zich niet. Harder klonken de stemmen:

But in my sleep to you I fly;

I'm always with you in my sleep! etc.

En nog bewoog de pastoor zich niet.

--Wat slaapt hij rustig! ... zeide Suzie; het is eene schande om hem

wakker te maken.

--Het moet toch!... Luider, Suzie, luider.

En helder klonken de stemmen:

Sleep stays not, though a monarch bids;

So I love to wake ere break of day, etc.

De pastoor werd met schrik wakker. Na een oogenblik van angst,

herademde hij... Niemand had blijkbaar gemerkt, dat hij geslapen had.

Hij richtte zich op, rekte zich langzaam uit... Hij was gered.

Een kwartier later, deden de zusters den pastoor en Jean uitgeleide tot

aan het hek van het park. Toen men dit hek genaderd was zeide Bettina

tot Jean:

--Ik heb eene vraag aan u te richten. Toen wij van morgen aankwamen,

hebben wij een bleek jongmensch ontmoet, met blonde snorren; hij bereed

een zwart paard; hij heeft ons gegroet.

--Dat is Paul de Lavardens, een mijner vrienden. Hij is reeds aan u

voorgesteld ... ofschoon zeer oppervlakkig. Hij brandt van verlangen om

u weder voorgesteld te worden.

--Nu, dan moet gij hem een dezer dagen eens mee brengen, zeide mevrouw

Scott.

--Maar niet voor den 25^{en}, riep Bettina uit. Wij willen niemand zien

behalve u, mijnheer Jean--maar gij, gij telt niet. Ik zeg het misschien

niet goed, maar het is een compliment. Ik wilde u juist iets zeer

vriendelijks zeggen.

--En dat doet gij ook, mejuffrouw.

--Des te beter, wanneer u mij begrepen hebt.--Tot ziens, mijnheer Jean,

tot morgen.

Mevrouw Scott en Bettina sloegen langzaam den weg naar het kasteel in.

--Je zult mij wel zeker beknorren Suzie, zeide Bettina.

--Waarom! beknorren?

Omdat ik te familiaar tegen dit jonge mensch geweest ben.

--Neen, volstrekt niet. Dit jonge mensch, heeft op mij dadelijk een

zeer aangenamen indruk gemaakt. Ik stel het volste vertrouwen in hem.

--En ik ook.

--Ik ben verzekerd dat hij een goed vriend voor ons zijn zal.

--Dat hoop ik van harte... Te meer, Suzie, daar ik reeds, sedert ik

in Frankrijk ben, veel jongelui ontmoet heb... En hij is werkelijk de

eerste, in wiens oogen ik niet dadelijk gelezen heb, "Goede hemel! wat

zou ik blij wezen, wanneer ik de millioenen van dit persoontje trouwen

kon!" Dat kan men duidelijk op het gelaat der anderen lezen, maar niet

op het zijne. Maar nu zijn wij thuis... Nacht Suzie, tot morgen.

Mevrouw Scott ging hare kinderen een goedennacht kus geven.

Bettina stond nog geruimen tijd tegen de balustrade van haar balcon

geleund.

--Ik geloof, zeide zij tot zich zelve, dat ik deze streek zal

liefkrijgen.

De Abbé Constantijn · 第 12 / 16 题