Parijs behoorde vroeger aan de Parijzenaars; en dit is hoogstens dertig
of veertig jaren geleden. De Franschen waren toen meester van Parijs,
zooals de Engelschen van Londen de Russen van St. Petersburg, enz. Deze
tijden zijn voorbij. Parijs is eene groote toren van Babel geworden,
eene internationale en universeele stad. De vreemdelingen brengen niet
alleen een bezoek aan Parijs; zij gaan er wonen.
De Amerikanen voelen zich zeer tot Parijs aangetrokken. Er bestaat geen
andere stad, waar men zoo gemakkelijk veel geld uit kan geven. Deze
aantrekkingskracht oefende zich ook op mevrouw Scott en miss Percival
uit.
De meest Franschgezinde kolonie is Canada en dat behoort niet meer aan
Frankrijk. Suzie Percival had eene Fransche opvoeding genoten, en zij
had hare zuster dezelfde liefde voor dit land ingeprent.
Zoodra deze goudregen op hen was nedergedaald, waren zij door een en
hetzelfde verlangen bezield: naar Parijs te gaan wonen.
De heer Scott bood eenigen tegenstand.
--Wanneer ik niet meer hier ben, wanneer ik slechts twee of drie
maanden van het jaar in Amerika kom, om over uwe belangen te waken,
zullen uwe inkomsten verminderen.
--Wat doet het er toe! antwoordde Suzie, wij zijn te rijk... Laat ons
vertrekken... Wij zullen zoo tevreden, zoo gelukkig zijn!
De heer Scott liet zich overhalen en Suzie, kon in de eerste dagen van
Januari 1880, den volgenden brief aan hare vriendin, Katie Norton,
schrijven, die reeds sedert eenige jaren te Parijs woonde:
"Victorie! Richard heeft toegestemd. Ik kom in April en word wederom
Française. Je hebt mij aangeboden, om mij bij het zoeken van eene
woning behulpzaam te zijn... Ik neem het aan."
"Ik zou gaarne, zoodra ik mijn voet in Parijs zet, van Parijs willen
genieten en niet de eerste maanden mijn tijd bij meubelmakers,
rijtuigfabriekanten en paardenkoopers verbeuzelen. Ik zou, wanneer
ik uit den trein stapte, _mijn_ rijtuig, _mijn_ koetsier, _mijne_
paarden op het stationsplein willen vinden. Ik zou je op dien dag te
dineeren willen hebben _in mijn huis._ Huur of koop een hotel, huur de
dienstboden, kies de rijtuigen, de paarden, de livrei uit. Ik laat het
geheel aan je over, als de livreien maar blauw zijn, dat is alles."
"Wij brengen maar zes personen naar Frankrijk mede: Richard, zijn
kamerdienaar, Bettina en ik onze kameniers; de twee gouvernantes der
kinderen; dan nog twee boys, Toby en Boby, die ons altijd volgen
wanneer wij paardrijden.--Twee pronkjuweeltjes; zelfde groote, zelfde
houding, bijna dezelfde gestalte; wij zouden nooit zulke palfreniers in
Parijs vinden. Al de rest laten wij in New-York... Neen, niet alles,
ik vergat vier kleine hitjes, vier schatjes, pikzwart met alle vier
witte vlekken aan alle vier pooten."
Wij kunnen zeer goed een vierspan mennen, Bettina en ik.
"Vooral, lieve Katie, wees niet zuinig met geld... Dat is alles wat ik
je vraag."
En zoo kwam het, dat toen mijnheer Scott, Suzie en Bettina den 15^{en}
April met den sneltrein uit Havre, om half vijf, aan het station
Saint-Lazare aankwamen, zij mevrouw Norton zagen, die tot hen zeide:
--De rijtuigen staan op het voorplein. Eerst een calêche, daarachter
een landauer voor de kinderen, en daarachter een omnibus voor de
dienstboden. Gij woont: 24, rue Murillo en daar gij mij twee maanden
geleden te dineeren hebt gevraagd, neem ik het gaarne aan.
De eerste Parijzenaar, die de eer en het genoegen had om aan de
schoonheid van mevrouw Scott en miss Percival hulde te brengen, was
een kleine koksjongen van ongeveer twaalf jaar, die, geheel in 't wit
gekleed, met zijn mandje op het hoofd stond te kijken, toen de koetsier
van mevrouw Scott het voorplein van het station afreed. De kleine
jongen bleef pal op de stoep staan, zette groote oogen op, keek de twee
zusters vol verbazing aan en wierp hen dit kleine woordje vlak in het
gelaat:
--Drommels!!!
Vijf minuten later reed de koets van mevrouw Scott, door twee prachtige
paarden getrokken, in langzamen gelijkmatigen tred, langs de
boullevard Haussman; Parijs telde twee Parisiennes meer.
Overal waar mevrouw Scott en miss Percival kwamen, verwierven zij een
uitbundig succes.
De schoonheden van Parijs staan niet gelijk met die van Londen. Zij
stellen hunne portretten niet in geïllustreerde of tijdschriften voor
boekwinkels tentoon ... en toch bestaat er altijd een kleinen staf van
een twintigtal dames die de Parijsche bevalligheid, de elegantie en de
schoonheid vertegenwoordigen, en welke dan, na tien of twaalf jaren
dienst, net als oude generaals, tot het reservekader overgaan.
Suzie en Bettina maakten dadelijk deel uit van dezen generalen staf.
Het was het werk van vier en twintig uren; want dit alles gebeurde
tusschen acht uur 's morgens en middernacht, den dag na hunne aankomst.
Stel u een soort van tooververtelling in drie bedrijven voor, waarvan
het succes bij elk tafereel stijgt:
1^o. Een wandelrit te paard, des morgens om tien uur in het Bois, met
de twee verbazingwekkende palfreniers, uit Amerika medegebracht,
achter hen.
2^o. Daarna om zes uur eene wandeling in de allee der Acacias;
3^o. Des avonds om tien uur naar de opera.
De twee nieuwelingen werden dadelijk opgemerkt en naar waarde geschat,
door de dertig of veertig personen, die eene zekere geheimzinnige
rechtbank vormen, en die uit naam van geheel Parijs een oordeel
zonder appel, vellen. Deze dertig of veertig personen hebben van tijd
tot tijd den dwazen inval om zekere dame _bekoorlijk_ te vinden die
ontegenzeggelijk leelijk is. Dat is voldoende. Van dit oogenblik af is
zij _bekoorlijk._
De schoonheid der beide zusters was onbetwistbaar. Men bewonderde des
morgens hunne bevalligheid, hunne elegantie en hunne voornaamheid; des
middags verklaarde men, dat zij den trotschen, zelfbewusten gang van
twee jonge godinnen bezaten; en des avonds, ging er maar een roep op,
over de ideale volmaaktheid van hunnen hals en hunne armen. Het spel
was gewonnen.
Het salon van mevrouw Scott werd weldra zeer gezocht. De vaste
bezoekers van drie of vier groote Amerikaansche huizen begaven zich
allen naar de Scotts, die op hunnen eersten Woensdag drie honderd
menschen ontvingen. Weldra breidde zich hun kring uit; men ontmoette er
zoowat van alles: Amerikanen, Spanjaarden, Italianen, Hongaren, Russen,
en zelfs Parijzenaars.
Toen mevrouw Scott hare geschiedenis aan den abbé Constantijn vertelde,
had zij niet alles gezegd. Zij wist dat zij mooi was, had gaarne dat
men het opmerkte, en vond het aangenaam wanneer men het haar zeide. In
een woord, zij was coquet. Zou zij anders een Parisienne geweest zijn?
De heer Scott had het volste vertrouwen in zijne vrouw en gaf haar
volkomen vrijheid. Hij liet zich zelden zien... Hij was een degelijk
mensch, die zich eenigszins verlegen gevoelde zulk een huwelijk
gesloten, zooveel geld getrouwd te hebben. Daar hij een man van zaken
was, had hij zich geheel aan het beheer van de twee kolossale fortuinen
die hij in handen had gewijd, om ze te vermeerderen en om elk jaar aan
zijne vrouw en zijne schoonzuster te kunnen zeggen...
--Gij zijt nog rijker dan verleden jaar...
Men maakte het hof aan mevrouw Scott, men maakte haar zelfs zeer het
hof ... men maakte het haar in het Fransch, in het Engelsch, in het
Italiaansch, in het Spaansch. Want zij sprak deze vier talen ... en
dat is nog een voorrecht, dat de vreemdelingen op die arme Parisiennes
voorhebben, die gewoonlijk slechts hunne moedertaal kunnen spreken en
dus niet de genoegens der internationale hartstochten leeren kennen.
Mevrouw Scott gebruikte geen stok om de heeren de deur te wijzen. Zij
had tien, twintig bewonderaars te gelijk. Niemand kon zich op eenige
onderscheiding beroemen; aan allen bood zij de zelfde vriendelijke
tegenstand... Men zag duidelijk dat zij zich vermaakte, en geen
oogenblik het spel ernstig opnam. Zij speelde uit louter genoegen, voor
de eer, uit liefde tot de kunst. De heer Scott had nooit de minste
vrees; en hij had gelijk... Nog meer, hij verheugde zich over het
succes zijner vrouw; hij was gelukkig wanneer zij gelukkig was. Hij had
haar zeer lief ... nog iets meer, dan zij hem liefhad. Zij beminde hem
dat is alles.
Wat Bettina betrof, om haar was het eene formeele belegering! Zulk een
fortuin! Zulk eene schoonheid! Miss Percival was den 15^{en} April te
Parijs gekomen; er waren nauwelijks veertien dagen verloopen, of het
regende huwe-aanzoeken. In den loop van dit eerste jaar,--Bettina had
er nauwkeurig aanteekening van gehouden--had zij, wanneer zij gewild
had, vier en dertig keer kunnen trouwen... En welk eene verscheidenheid
van pretendenten.
Men vroeg hare hand voor een jongen banneling, die bij zekere
gebeurtenis geroepen zou kunnen worden, eenen troon te beklimmen, een
zeer kleinen wel is waar, maar toch eenen troon.
Men vroeg hare hand voor een jongen hertog, die een goed figuur zou
slaan aan het hof, wanneer Frankrijk--en dat was onvermijdelijk!--hare
dwalingen zou inzien en zich voor haren rechtmatigen heer en meester
zou buigen.
Men vroeg hare hand, voor een jongen prins, die eene plaats kreeg
op de trappen van den troon, wanneer Frankrijk,--en dat was
onvermijdelijk!--de keten der traditiën van Napoleon hernieuwde.
Men vroeg hare hand, voor een jongen republiekeinschen afgevaardigde,
die eene schitterende redevoering in de Kamer gehouden had, en voor
wien eene schitterende toekomst was weggelegd; want de Republiek was nu
in Frankrijk op onverdelgbare grondslagen gebouwd.
Men vroeg hare hand, voor een jongen Spanjaard uit den aanzienlijksten
stand; men gaf haar zelfs te verstaan, dat het huwelijkscontract in het
paleis eener koningin zou gesloten worden, die niet ver van de "Arc de
l'Etoile" woonde... Trouwens, men kan haar adres in den Almanak van
Bottin vinden ... want er bestaan tegenwoordig koninginnen die hun
adres in de Bottin hebben staan, tusschen een notaris en een tuinier.
Alleen de koningen van Frankrijk wonen niet meer in Frankrijk.
Men vroeg hare hand, voor den zoon van een pair van Engeland en
voor den zoon van een lid van het Hoogerhuis uit Weenen; voor eenen
bankierszoon in Parijs en voor den zoon van een Russischen gezant;
voor een Hongaarschen graaf en voor een Italiaanschen prins ... en ook
voor eenige zeer brave jongelingen, die niets hadden en niets waren,
noch naam noch fortuin. Maar Bettina had met hen gedanst, en, daar zij
zich onweerstaanbaar waanden, hoopten zij, dat zij haar kleine hartje
sneller hadden doen kloppen.
Niets had het tot nu toe sneller doen kloppen, en allen hadden
hetzelfde antwoord ontvangen:
--Neen!--Neen! Nog eens neen!... Altijd neen!
Eenige dagen na de opvoering van _Aïda_ hadden de twee zusters lang
en breed over deze groote, eeuwigdurende huwelijksquaestie gesproken.
Mevrouw Scott had een zekeren naam genoemd, waarop miss Percival kort
en bondig een weigerend antwoord gegeven had.
Suzie had lachend tegen hare zuster gezegd:
--Je zult toch wel genoodzaakt wezen ééns te trouwen, Bettina...
--Ja, zeker!... Maar ik zou het vreeselijk vinden, zonder liefde te
trouwen!... Mij dunkt, dat mocht ik daar nog eens toe komen, ik eerst
gevaar zou moeten loopen als oude jongejuffrouw te sterven ... en
zoover ben ik nog niet!
--Neen, nog niet.
--Dat kan ik nog wachten!
--Maar onder al die aanbidders, die je nu al sedert een jaar achter
je aansleept, waren er toch wel aardige, knappe bij, en het is wel
vreemd, dat geen een...
--Geen een!... Suzie, geen een! Waarom zou ik niet de waarheid
spreken? Is het hunne schuld? zijn zij onhandig geweest? Hadden zij
misschien, wanneer zij het beter aangelegd hadden, den weg tot mijn
hart kunnen vinden? Is deze weg misschien onaangenaam, steil, hobbelig,
ongenaakbaar, waar nooit iemand over zal gaan? Zou ik misschien een
ondeugend, koud, koel wezentje zijn, dat veroordeeld is om nooit lief
te hebben?
--Dat geloof ik niet...
--Ik ook niet, maar tot nu toe is het toch zoo! Neen, ik heb nooit iets
gevoeld, dat naar liefde zweemde... Je lacht... Je denkt, wat weet dat
kleine nest van liefde af! Je hebt gelijk, ik weet het niet--maar ik
vermoed het. Beminnen, niet waar Suzie, is iemand boven alles, boven
iedereen liefhebben?
--Ja, dat is het.
--Nooit moede worden, dien persoon te zien, en zijne stem te hooren,
zonder zijn bijzijn niet meer te kunnen leven, en weder plotseling te
herleven, wanneer hij verschijnt? Is het niet dat?
--O! O! dat is verhevene liefde!
--Welnu, dat is het droombeeld mijner liefde...
--En deze liefde komt niet?
--In 't geheel niet--tot nu toe. En toch bestaat zij, de persoon, die
ik boven alles liefheb... Weet je wie het is?
--Neen, ik weet het niet ... maar ik denk--
--Ja, jij bent het, lieveling, en daardoor ondeugende zuster, ben ik
misschien zoo ongevoelig en wreed. Ik houd te veel van je. Mijn hart is
vol! Je hebt het geheel ingenomen, er is voor niemand anders plaats.
Iemand boven je verkiezen! Iemand meer liefhebben!--Dat zal ik nooit
kunnen!...
--O! zeer zeker!
--O! zeer zeker niet!... Op eene andere wijze van iemand
houden--misschien?--Maar meer, neen! Dat moet hij zich maar niet
verbeelden die mijnheer, dien ik verwacht en die niet komt.
--Wees maar niet bang, lieve Betty. Er is plaats in je hart voor
allen die je moet beminnen; voor je echtgenoot, voor je kinderen, en
ook, zonder dat ik er iets bij verlies, voor je oude zuster. Het
menschenhart is klein, maar toch zeer groot.
Bettina omhelsde hare zuster hartelijk; en haar hoofdje zacht op den
schouder van Suzie vlijend:
--Wanneer het je echter verveelde, mij bij je te houden, wanneer je mij
kwijt wildet zijn, weet je wat ik dan doen zou? Ik zou om twee van die
heeren loten... Er zijn er, strikt genomen twee, die ik niet zoo zeer
onaangenaam vind.
--Welke twee.
--Raad eens...
--Prins Romanelli.
--En de andere!
--Mijnheer de Montessan.
--Ja, dat zijn ze: die twee zijn aanneembaar maar ook niet meer ... en
dat is niet genoeg.
Daardoor kwam het, dat Bettina met ongeduld den dag van hun vertrek
naar Longueval te gemoet zag... Zij voelde zich vermoeid van al de
vermakelijkheden, van zooveel succes en van zoovele huwelijksaanzoeken.
Zij was van het eerste oogenblik af in den Parijschen maalstroom
medegesleurd, die haar niet los had gelaten. Geen oogenblik van rust
of herademing... Zij voelde de behoefte om zich ten minste voor eenige
dagen af te zonderen, om met zich zelve te rade te gaan en in volkomen
rust en eenzaamheid van het landleven, haar hart te onderzoeken.
Vroolijk en blijde, stapte Bettina den 14^{en} Juni in den trein, die
haar naar Longueval zou brengen. Toen zij alleen met hare zuster, in de
coupe gezeten was, riep zij:
--O! wat ben ik gelukkig! Laat ons eens goed ademhalen. Tien dagen met
jou samen! Want de Nortons en de Turners komen eerst den 25^{en}.
Wij zullen onzen tijd te paard, in een rijtuig, in het bosch, in de
weilanden doorbrengen.
Tien dagen van vrijheid! En in dien tijd geen aanbidders! geen
aanbidders meer! En goede hemel, waarop waren al die aanbidders
toch verliefd? Op mij of op mijn geld? Dat is de vraag, het
ondoorgrondelijke geheim.
Toen de trein zich langzaam in beweging zette, overviel Bettina eene
dwaze gedachte; zij boog zich uit het raampje en riep, terwijl zij
hare woorden met eene handbeweging deed vergezeld gaan:
--Dag! aanbidders, dag!
Toen trok zij haar hoofdje snel terug, en barstte in een schaterlach
uit.
--O! Suzie! Suzie!
--Wat is er?
--Een man met eene roode vlag in de hand... Hij heeft mij gezien! hij
heeft het gehoord! ... en hij keek zoo verbaasd!...
--Je bent zoo onverstandig!
--Ja, het is waar, om zoo uit het portier te roepen, ... maar niet,
omdat ik gelukkig ben bij de gedachte, dat wij alleen zullen blijven.
--Alleen! ... niet geheel. Wij hebben, om te beginnen van avond twee
heeren te dineeren.
--O, dat is waar ... maar dat spijt mij niet... Ja, ik ben blij dat ik
den ouden pastoor terug zie, en vooral dien jongen officier...
--Hoedat! vooral?
--Zeker ... het was zoo aandoenlijk, wat dien notaris uit Souvigny
ons verleden verteld heeft, het is eene goede daad van dien grooten
artillerist, toen hij klein was, zoo goed, dat ik van avond eene
gelegenheid zal zoeken het hem te zeggen ... en ik zal haar vinden!
Toen plotseling aan het gesprek eene andere wending gevend, zeide
Bettina:
--Men heeft toch gisteren wel het telegram aan Edwards gestuurd, voor
de hitjes?
--Ja, gisteren, voor het diner...
--Ik mag ze toch tot voor het kasteel mennen; ik zou het zoo prettig
vinden om door de stad te gaan, en met eenen sierlijken zwaai, zonder
ophouden het plein op te rijden, tot voor het perron! Zeg ... mag ik?
--Natuurlijk, jij mag mennen.
--Wat ben je toch goed, Suzie!
Edwards was de pikeur. Hij was reeds drie dagen op het kasteel om
de stallen in orde te brengen, en om den dienst te regelen. Hij
verwaardigde zich om zelf mevrouw Scott en miss Percivall tegemoet
te gaan. Hij wachtte met de vier hitjes voor het stationsplein,
in gezelschap van eene groote menigte. Men kon zeggen dat geheel
Souvigny aanwezig was. Het rijden door de stad met de hitjes, had
opzien gebaard. De bewoners waren uit hunne woningen gesneld en hadden
elkander gretig afgevraagd:
--Wat is dat?
Eenigen hadden deze meening geuit:
--Misschien een kermistroep...
Maar van alle kanten had men geroepen:
--Hebt gij dan niet gezien hoe het er uitzag ... en het rijtuig ... en
het tuig dat als goud blonk ... en de kleine paardjes met hunne witte
rozen aan weerskanten van den kop.
De menigte was nog steeds aangegroeid, en de nieuwsgierigen vernamen
toen, dat zij de eer zouden hebben bij de aankomst van de eigenares van
Longueval tegenwoordig te zijn.
Men was wel een weinig teleurgesteld toen de twee zusters zich
vertoonden, wel is waar zeer mooi, maar zeer eenvoudig in hun
reistoilet. Die goede menschen hadden zeker twee sprookjesprinsessen
verwacht, in zijde en brocaat gekleed, schitterend van robijnen en
diamanten. Maar zij zetten groote oogen op, toen zij Bettina langzaam
om de vier paardjes zagen heengaan, ze één voor één zachtjes met de
hand liefkozen en met een kennersoog het tuig monsteren. Het was
Bettina niet onaangenaam--dat moet bekend worden--om een zekeren indruk
op deze gapende menigte te maken.
--U mag wel oppassen, juffrouw, zeide Edwards; de paarden zijn zeer
wild vandaag.
--Wees maar niet bang, antwoordde Bettina, ik ken ze.
Miss Percival had eene zeer vaste, zeer lichte en toch zeer zekere
hand. Zij hield de paardjes eenige oogenblikken in, en dwong hen om in
de rij te blijven staan; toen, de twee voorste paarden tegelijk met
haren zweep aanrakend, zette zij met eenen slag het gespan in beweging
en met eene onvergelijkelijke handigheid verliet zij op meesterlijke
wijze het voorplein van het station, te midden van het gemompel der
bewonderende, verbaasde menigte.
Totdat zij de stad achter zich hadden, hield Bettina hunnen gang in;
maar, nauwelijks zag zij den grooten weg voor zich, of zij liet de
paardjes langzamerhand den vrijen loop ... en zij liepen als den wind.
--Wat ben ik gelukkig, Suzie! riep zij uit. Wil jij niet eens mennen?
Het is een genot wanneer men ze zoo kan laten draven! Zij zijn zoo vlug
en zoo gedwee! Kom, neem de leidsels.
--Neen, houdt ze, het doet mij genoegen, wanneer ik zie, dat jij je
amuseert.
--O! wat dat betreft! Ik houd er zoo veel van--een vierspan te mennen,
en ruimte om ze te laten draven!... In Parijs, zelf des morgens durfde
ik niet ... men keek mij te veel aan ... dat hinderde mij... En hier
... niemand! niemand!
Op het oogenblik dat Bettina dit "niemand! niemand!" triomfantelijk
uitriep, kwam een ruiter stapvoets aangereden.
Het was Paul de Lavardens... Hij stond daar al sedert een uur op wacht,
om het genoegen te smaken de twee Amerikaanschen voorbij te zien gaan.
--Je vergist je, zeide Suzie, hier is iemand.
--Een boer, dat telt niet ... boeren; die vragen niet om mijne hand.
--Het is volstrekt geen boer. Zie maar.
Paul de Lavardens groette de twee zusters zeer eerbiedig toen hij
voorbij het rijtuig ging; een groet, die duidelijk den Parijzenaar
verraadde.
De paardjes liepen zoo snel, dat de ontmoeting het werk van een
oogenblik was.
Wie is die mijnheer, die ons gegroet heeft? riep Bettina uit.
--Ik kon hem nauwelijks zien, maar ik geloof wel dat ik hem ken.
--Je kent hem?
--Ja, ik wed dat ik hem dezen winter bij mij gezien heb.
--Goede hemel! zou het een van de vier en dertig zijn? Gaat het alweer
beginnen?