VII.

Den volgenden morgen toen de schietoefeningen afgeloopen waren, wachtte

Paul de Lavardens, Jean op. Hij liet hem nauwelijks tijd om van zijn

paard te stijgen ... en begon reeds dadelijk:

--Hoe is het diner gisteren afgeloopen. Ik heb ze 's morgens gezien.

Ik heb ze gegroet. Hebben ze mij herkend? Wanneer breng je mij naar

Longueval? Maar antwoord toch, geef antwoord!

--Antwoorden, antwoorden!--Op welke vraag?

--Wanneer breng je mij naar Longueval.

--Over een dag of twaalf. Zij willen op dit oogenblik niemand zien.

--Dus ga je eerst over een dag of twaalf weer naar Longueval?

--O, ik! ik ga er van daag weder heen. Maar ik tel niet. Jean Reynaud,

het peetekind van den pastoor! ik kom onder bescherming en waarborg der

kerk... En daarenboven, ik kan als gids dienst doen, ik ken het land...

In een woord, ik ben niemand, terwijl jij, graaf Paul de Lavardens,

iemand bent! Wees dus maar niet bang, jou beurt komt met de feesten en

de bals, wanneer men moet schitteren en dansen. Dan trek ik mij in de

vergetelheid terug.

--Ja, spot maar zoo veel je wilt... Het is toch maar waar, dat je in

die tien dagen een voorsprong zult winnen!...

--Hoe zoo? een voorsprong?

--Kom Jean, wil je mij nu werkelijk doen gelooven, dat je al niet reeds

verliefd op een van de twee vrouwen bent? Hoe is het mogelijk, zooveel

schoonheid! zooveel weelde! En dan die kleine ... Bettina ... is het

niet?

--Ja, Bettina.

--Bettina! ... gravin Bettina de Lavardens. Klinkt het niet aardig! En

wat een ideaal van een mannetje zou zij aan mij hebben! Het is mijn

voorland om de man van eene schatrijke vrouw te zijn! Dat is niet zoo

gemakkelijk als men denkt! Men moet rijk kunnen zijn, en dat talent

bezit ik. Ik heb al wat geld opgemaakt--en wanneer mama mij niet

tegengehouden had!... Maar ik ben bereid, om dadelijk weer te beginnen.

Wat zou zij gelukkig zijn! Ik zou ze niet alleen beminnen, maar ik zou

het haar aangenaam maken... Kom Jean, wees eens goed; breng mij van

daag bij mevrouw Scott.

--Ik verzeker je, ik kan niet.

--Nu, dan in tien dagen; maar dan waarschuw ik je, ik ga naar

Longueval, en kom er niet meer vandaan. Maar dan hoop ik, dat je tegen

dien tijd zoo vriendelijk zult zijn, om mij te waarschuwen ... welke

van de twee je aan mij overlaat: mevrouw Scott of miss Percival.

--Je bent gek. Ik denk er niet aan, en zal er niet aan denken...

--Hoor eens Jean, je hebt de wijsheid in pacht; maar je hebt mooi

zeggen en mooi praten--luister naar hetgeen ik zeg: Jean, je zult in

dat huis verliefd worden.

--Ik geloof van niet, antwoordde Jean lachend.

--Ik ben er echter zeker van... Tot ziens.

Jean was dien morgen volkomen oprecht. Hij had den vorigen nacht

uitstekend geslapen. Bij het tweede bezoek aan de zusters, was de

onrust die zijne ziel beheerschte, als weggevaagd. Er was te veel geld,

als dat de liefde van een armen drommel zooals hij, daar eerlijk plaats

zou kunnen vinden.

Vriendschap, dat was iets anders. Met hart en ziel wenschte hij, en met

alle macht zou hij trachten de achting en de toegenegenheid dezer twee

vrouwen te winnen. Hij zou zijn best doen, om de schoonheid van Suzie

en Bettina niet te veel optemerken. Men had hem oprecht, hartelijk

gezegd: "Gij zult onze vriend zijn." Hij wenschte niets anders! En hij

zou het zijn!

Gedurende de tien dagen die nu volgden, scheen alles tot het welslagen

van deze onderneming mede te werken. Suzie, Bettina, de abbé en Jean

brachten den tijd in de vertrouwelijkste gemeenzaamheid door. In den

morgen maakten de zusters groote rijtoeren met den pastoor; en in den

middag gingen zij met Jean paardrijden.

Jean gaf zich geen rekenschap van zijne gevoelens. Hij was volkomen

gelukkig, volkomen gerust. Dus, hij was niet verliefd, want liefde en

kalmte gaan zelden samen in het menschenhart.

Toch zag hij met spijt en innig leedwezen den dag te gemoet, dien de

Turners, de Nortons, en het geheele Amerikaansche gezelschap naar

Longueval zou brengen. Deze dag naderde met rassche schreden.

Jean kwam Vrijdag den 24^{en} Juni, om vier uur op het kasteel. Bettina

ontving hem zeer verdrietig.

--Wat treft het ongelukkig! zeide zij, mijne zuster is ongesteld. Zij

heeft wat hoofdpijn. Het zal morgen wel over zijn; maar nu durf ik niet

met u alleen uit rijden te gaan. In Amerika zou het kunnen; maar hier,

neen, niet waar?

Zeer zeker niet, antwoordde Jean.

--Nu ben ik wel genoodzaakt om u weg te sturen, en dat spijt mij.

--Het spijt mij ook, want nu zal ik den laatsten avond niet bij u

kunnen zijn. Maar daar het moet!...

Maar u behoeft toch zoo gauw nog niet weg? Ik moet u spreken. Zet u

daar neder--en luister goed naar mij. Wij hadden afgesproken, mijne

zuster en ik, om na den eten eene kleine toespraak te houden; zij had u

dan datgene gezegd, wat ik nu uit naam van ons beiden, zal trachten te

zeggen. Lach niet, het is zeer ernstig. Wij wilden u beiden hartelijk

dank zeggen, dat gij sedert onze komst zoo vriendelijk, zoo goed, zoo

hartelijk, zoo...

--O! mejuffrouw, wat ik u bidden mag, het is aan mij...

--Val mij niet in de rede ... dan raak ik verward. Dan weet ik niet

meer waar ik ben... Trouwens, ik houd vol, dat wij u moeten bedanken,

niet u ons. Wij kwamen hier als vreemden, en wij hebben dadelijk

vrienden gevonden--ja, vrienden. Gij hebt ons overal heengebracht ...

en overal houdt men zoo veel van u, dat men van den weeromstuit, ook

van ons is gaan houden.--Men aanbidt u in deze streek, weet u dat?

--Ik ben er geboren... Al die goede lieden kennen mij van mijne jeugd

af, en zijn dankbaar voor hetgeen mijn grootvader en mijn vader voor

hen gedaan hebben. En dan ... ik ben van het zelfde geslacht. Mijn

overgrootvader was een landbouwer uit Bargecourt, een dorp, twee mijlen

van hier.

--En gij zijt er trotsch op!

--Noch trotsch, noch vernederd.

--Vergeef mij ... gij maaktet eene trotsche beweging! Welnu, ik zal

u dan ook vertellen, dat de overgrootvader van moederszijde, eene

boerderij in Bretagne had. Hij is naar Canada gegaan, aan het einde der

vorige eeuw, toen Canada nog Fransch was... En gij houdt veel van dit

land, waar gij geboren zijt?

--Zeer veel. Ik zal het misschien spoedig moeten verlaten.

--Waarom?

--Wanneer ik bevorderd word, zal men mij naar een ander regiment

overplaatsen, en dan zal ik van garnizoen, naar garnizoen trekken...

Maar wanneer ik een oude gepensioneerde kolonel of overste ben, zal ik

zeker hier terugkomen om in het huisje van mijn vader te sterven.

--Altijd alleen?

--Waarom alleen?--Ik hoop van niet.

--Zijt gij van plan te trouwen?

--Ja, zeker.

--En gij maakt er werk van?

--Neen, men kan aan trouwen denken, maar er geen werk van maken.

--En toch zijn er menschen die dit doen ... dat verzeker ik u ... en

zelfs gij, men heeft u uit willen huwelijken.

--Hoe weet u dat?

--O, ik weet al uwe aangelegenheden! U is, wat men noemt--eene goede

partij ... en men heeft u willen uithuwelijken.

--Wie heeft u dat gezegd?

--Mijnheer de pastoor.

--Dat was verkeerd van mijn peetoom, zeide Jean haastig.

--Neen, neen, volstrekt niet. Wanneer iemand schuld heeft, dan ben

ik het, en schuldig uit hartelijkheid, niet uit nieuwsgierigheid. Ik

heb opgemerkt, dat uw peetoom nooit gelukkiger is, dan dat hij over u

spreekt; daarom spreek ik, wanneer wij 's morgens alleen zijn, over u,

en dan vertelt hij mij uwe geschiedenis. Gij zijt welgesteld.--Gij

krijgt van het gouvernement twee honderd dertien francs in de maand...

Is het zoo niet?

--Ja, zeide Jean, die zich voornam om de onbescheidenheid van den

pastoor niet kwalijk te nemen.

--Gij hebt acht duizend francs rente.

--Ten naaste bij, niet geheel.

--Voeg daar uw huis bij, dat een dertig duizend francs waard is. Dan

bent u welgesteld, en men heeft reeds om uwe hand gevraagd.

--Om mijne hand gevraagd?--Neen! Neen!

--Zeker, zeker! Twee maal ... en gij hebt twee zeer goede huwelijken

afgeslagen. Zeg mij waarom? Gij moest eens weten hoe nieuwsgierig ik

ben.

--Wel, het waren twee allerliefste meisjes...

--Dat spreekt van zelfs? dat zegt men altijd.

--Maar die ik nauwelijks kende. Men heeft mij gedwongen,--want ik

stribbelde tegen,--men heeft mij gedwongen, om met haar op twee of drie

partijen te komen, verleden winter.

--En toen?

--Toen, ik weet niet goed, hoe ik het u zal uitleggen, toen voelde ik

geen verlegenheid, geen aandoening, geen vrees, geen onrust.

--In een woord, zeide Bettina vastberaden, niet de minste zweem van

liefde.

--Neen, niet de minste ... en ik ben kalmpjes naar huis gegaan; want ik

vind, dat het beter is in 't geheel niet te trouwen, dan zonder liefde

te trouwen.

--En dat vind ik ook.

Zij keek hem aan. Hij keek haar aan; en tot hunne groote verbazing,

wisten zij niets meer tegen elkander te zeggen, niets meer.

Gelukkigerwijze kwamen Harry en Bella, op dit oogenblik naar binnen

stormen.

--Mijnheer Jean! mijnheer Jean is u er! Ga mee naar onze hitjes kijken.

--Edwards is van Parijs teruggekomen, zeide Bettina op eenigszins

onzekeren toon, en hij heeft voor de kinderen miniatuur-paardjes

medegebracht. Zullen wij ze gaan zien?

Men ging naar de paardjes kijken, die werkelijk waard waren, om in de

stallen van den koning der Lilliputters eene plaats te vinden.

De Abbé Constantijn · 第 13 / 16 题