Den volgenden morgen, om half zes steeg Jean te paard, om zich aan het
hoofd zijner compagnie te stellen. Jean had zijn beroep lief; hij hield
gewoonlijk nauwkeurig toezicht op het aanspannen en het optuigen der
paarden en de uitrusting en de houding van zijne manschappen, maar op
dezen morgen gaf hij nauwelijks acht op de kleinigheden die de dienst
medebrengt.
Eene raadselachtige vraag hield hem bezig, kwelde hem, deed hem
weifelen; en dit raadsel behoorde tot diegenen, waarvan men de
oplossing niet op de polytechnische school leert.
--Welke van de twee is de mooiste?--Dit was de vraag waarop Jean zich
geen antwoord geven kon.
Gedurende de eerste oefeningen in het artilleriepark, werkt elke
batterij voor zich zelf, onder het kommando van den kapitein; maar
dikwijls staat deze ook zijne plaats aan een van zijne luitenants af,
om dezen aan de uitvoering van de zes veldstukken te doen gewennen.
Juist op dien dag werd het kommando aan Jean overgegeven. Tot groote
verwondering van den kapitein, die zijnen luitenant voor zeer bekwaam
hield, ging alles mis. Jean wees eenige verkeerde bewegingen aan; hij
wist de afstanden niet te handhaven, nog te herstellen; verscheidene
malen kwam het gespan in botsing. De kapitein moest tusschenbeide
komen; hij diende Jean eene berisping toe, die met deze woorden
eindigde:
--Ik begrijp er niets van. Wat bezielt je van morgen? Het is de eerste
keer dat je dit overkomt.
Het was ook de eerste keer, dat Jean op het exercitieveld iets anders
voor oogen had, dan zijne kanonnen en zijne manschappen. Jean zag niet
de 2^e batterij van het 9^e regiment rijdende artillerie, maar de
gezichtjes van twee Amerikaanschen met zwarte oogen en gouden lokken;
en terwijl hij eerbiedig de rechtvaardige aanmaning van zijnen kapitein
aanhoorde, zeide Jean tot zich zelve:
--De mooiste is mevrouw Scott! Miss Percival is nog een kind. Hij zag
zich weder in de kerk terug. Zij lag daar geknield voor hem, op haren
bidstoel, haar mooi hoofdje in hare kleine handjes verborgen. Toen
hoorde men de tonen van het orgel, en in de verte kon Jean het fijne
figuurtje van Bettina onderscheiden.
Een kind? Was het nog een kind?
Terwijl de oefeningen nog steeds voortduurden, kreeg Bettina in de
gedachten van Jean langzamerhand de overhand boven mevrouw Scott. Hij
zag haar glimlachend, blozend gezichtje tusschen de verwarde krullen
die door de zon beschenen werden.
--Ik vergiste mij, zeide Jean tot zich zelve, de mooiste is miss
Percival.
De manoeuvres waren afgeloopen. Toen Jean met de sabel in de hand,
voorbij de kolonel reed, verwarden en vloeiden de beeltenissen der twee
zusters zoo in elkander, dat zij om zoo te zeggen ineen smolten en
een en dezelfde persoon uitmaakten. Elke vergelijking werd onmogelijk
gemaakt door de verwarring die juist deze vergelijking te weeg bracht.
Zoo bleven voor Jean, mevrouw Scott en miss Percival onafscheidelijk
vereenigd, totdat hij het geluk mocht smaken, hen beiden weer te zien.
Maar de indruk van deze plotselinge ontmoeting werd niet uitgewischt;
zij bleef voortduren, zóó zelfs dat Jean er zich ongerust over maakte.
--Zou ik zoo dwaas geweest zijn, vroeg hij zich zelve af, om op het
eerste gezicht razend verliefd te worden? Maar neen, men wordt verliefd
op ééne vrouw ... en niet op twee tegelijk.
Dit stelde hem gerust. Hij was nog zeer jong voor zijne vier en twintig
jaren. Nooit had de liefde zijn hart geheel beheerscht. De liefde
kende hij slechts uit de boeken. En toch was hij geen engel. Hij vond
de grisettes uit Souvigny heel aardig; hij maakte hen gaarne het hof;
maar, om aan deze korte grillen, die zijn hart nauwelijks sneller deden
kloppen, den naam "liefde" te geven, dat kwam niet bij hem op.
Jean had niet veel van de wereld gezien. Hij was misschien met Paul
hoogstens twaalfmaal op soirees of op bals geweest. Maar hij kwam er
altijd met een vervelend, onaangenaam gevoel vandaan. Deze genoegens
deugden niet voor hem. Hij hield van de eenzaamheid, van werken, van
boeken, van paarden. Hij was nog altijd een weinig boersch. Hij had
zijn dorp lief en alles wat hem aan zijne jeugd herinnerde. Eene
quadrille in een salon maakte hem doodsbenauwd, maar elk jaar danste
hij lustig rond met de meisjes en de boerinnen uit den omtrek, wanneer
zij het feest van hunnen schutspatroon vierden.
Wanneer hij mevrouw Scott of miss Percival bij hun aan huis, te midden
hunner schitterende, elegante omgeving ontmoet had, had hij ze zeker
uit de verte als een kunstvoorwerp bewonderd, en thuis gekomen, zou hij
zoo rustig mogelijk ingeslapen zijn.
Maar dit was niet het geval geweest. Geheel toevallig, had hij de twee
vrouwen in eene omgeving ontmoet die hem bekend en lief was. Eenvoudig,
goed, oprecht hartelijk, dit was de eerste indruk geweest. Daarenboven
waren zij zeer schoon. Jean was geheel betooverd.
Toen hij om negen uur in de kazerne afstapte, begon de abbé Constantijn
vroolijk zijne ronde. Sedert den vorigen avond was de oude priester
geheel in de wolken. Jean had weinig geslapen, maar hij, de arme
pastoor, had in 't geheel niet geslapen.
Hij was heel vroeg opgestaan, en had, nadat alle deuren zorgvuldig
gesloten waren, met Pauline zijn geld geteld en weder overgeteld, en
het als een gierigaard op de tafel uitgespreid. Voor hem, voor zijne
armen. Nadat de mis om negen uur geeindigd was, vertrok hij, en het
regende goudstukken op zijnen weg. Allen kregen hun deel. Elke aalmoes
ging van hetzelfde gezegde vergezeld:
--Van de nieuwe eigenaars van Longueval, twee Amerikaanschen... Mevrouw
Scott en miss Percival. Onthoudt goed hunne namen en bidt voor hen, van
avond.
Daarna maakte hij dat hij wegkwam; over velden en wegen, van gehucht
tot gehucht, van hut tot hut ging zijnen weg, altijd voort ... altijd
voort...
Een soort van bedwelming was hem naar het hoofd gestegen. Overal
waar hij ging, gingen kreten van vreugde, van verbazing op. Al deze
goudstukken vielen, als door een wonder in die arme handen, die slechts
gewend waren kleine zilveren muntstukjes te ontvangen. De pastoor deed
zelfs dwaasheden. Hij gaf aan degenen, die niet vroegen; en altijd
herhaalde hij zijne lofrede op mevrouw Scott en miss Percival. Om zes
uur keerde hij naar huis terug, geheel uitgeput, maar het hart vol
vreugde.
--Ik heb alles gegeven! riep hij tegen Pauline, alles, alles!
Hij zette zich aan tafel, en ging daarna zijn avonddienst houden; maar
toen hij voor het altaar knielde, bleef het orgel ditmaal zwijgen, miss
Percival was er niet meer.
Op dit zelfde oogenblik was de kleine organiste geheel radeloos. In
haar boudoir lagen twee japonnen uitgespreid, de eene wit, de andere
blauw. Bettina vroeg zich zelve af, welke van de twee zij aan zou doen,
om naar de opera te gaan. Zij vond ze beiden beeldig, maar zij kon er
slechts één aandoen. Na lang aarzelen, koos zij de witte. Om half tien
traden de twee zusters hunne loge binnen. Het ballet uit _Aïda_ was
juist begonnen. Twee jongelui Roger de Puymartin en Louis de Martillet,
waren in eene loge der baignoires gezeten. De komst van miss Percival
maakte op beiden een grooten indruk.
--Kijk, kijk! zeide Puymartin, daar is de kleine goudmijn!
Beide richtten hunne kijkers op Bettina.
--De kleine goudmijn ziet er vanavond prachtig uit, zeide Martillet.
Kijk eens--die hals--die armen.--Jong meisje en toch reeds vrouw.
--Ja, zij is bekoorlijk ... en vijftien millioen op den koop toe.
--Neen, vijf en twintig millioen! Een aardig sommetje voor Romanelli!
--Voor Romanelli?
--Nu, men zegt immers dat hij met haar trouwt, dat het huwelijk
vastgesteld is.
Zij hielden met spreken op.
Mevrouw Scott volgde met zeer veel genoegen de verschillende bewegingen
van het ballet; maar Bettina was plotseling stil geworden toen zij in
een der loges een lang, jong mensch zag zitten.
Miss Percival zeide tot zich zelve:
--Wat te doen? Wat te beslissen? Moet ik met dien grooten jongen
trouwen, die daar over mij zit? Straks zal hij wel bij mij komen, en
ik heb slechts te zeggen: "Ja, hier is mijne hand... Ik zal je vrouw
worden." En het is gedaan! Prinses! Prinses Romanelli!
Bettina Romanelli! Dat klinkt heel goed, heel aangenaam: "mevrouw
de prinses is juist thuis gekomen... Zal mevrouw de prinses morgen
paardrijden?... Zou ik het prettig vinden prinses te zijn?... Ja en
neen. Van àl de jongelui, die mij nu sedert een jaar om mijn geld
naloopen, is prins Romanelli nog de beste... Ik zal toch wel eens
moeten trouwen... Ik geloof dat hij van mij houdt... Ja, maar ik,
houd ik van hem? Neen, ik geloof niet ... en ik zou zoo gaarne willen
beminnen!... O, ja, zoo gaarne beminnen!..."
Op hetzelfde oogenblik dat deze gedachten het aardige hoofdje van
Bettina bezighielden, zat Jean alleen in zijn studeervertrek, met
een groot boek voor zich. Hij moest met de onderofficieren van zijn
regiment eenen cursus volgen, en bereidde zich tot de volgende les voor.
Maar plotseling ontdekte hij te midden van zijne getallen: Nordlingen,
1642; Mulhausen en Turckheim, 1674-1675, eene schets... Jean teekende
niet slecht. De beeltenis van eene vrouw was uit zijne pen gevloeid.
Wat deed zij daar, te midden der overwinningen van Turenne? En welke
was het? mevrouw Scott of miss Percival? Zij geleken zoo sprekend op
elkander!... En weder boog Jean zich met veel moeite en inspanning over
zijn werk. En weder op hetzelfde oogenblik smeekte de abbé Constantijn,
voor zijne legerstede geknield, met geheel zijn hart de zegeningen
des hemels voor de twee vrouwen af, die hem zulk eenen aangenamen
en gelukkigen dag bereid hadden. Hij bad God, mevrouw Scott en hare
kinderen te zegenen en aan miss Percival den man harer keuze te geven.