erfelijk, zoowel in de mannelijke als in de vrouwelijke linie van het
huis van Oranje. De koning heeft de uitvoerende macht en deelt de
wetgevende macht met de Staten-Generaal. Hij heeft het opperbevel over
de land- en de zeemacht en het opperbestuur der koloniën. Hij benoemt de
ministers, die voor de daden der regeering verantwoording zijn
verschuldigd aan de natie. De Staten-Generaal vertegenwoordigen het
geheele volk. Zij bestaan uit een Eerste en een Tweede Kamer, voor
welker leden de ouderdom van dertig jaren een vereischte is. De leden
der Eerste Kamer, ten getale van negen-en-dertig, worden door de
provinciale staten benoemd uit de hoogst aangeslagenen in de directe
belastingen. Zij hebben zitting voor negen jaren. De leden der Tweede
Kamer worden rechtstreeks door de burgers gekozen, welke meerderjarig
zijn en een zekere som in de directe belastingen betalen. Het aantal der
leden, die voor vier jaren zitting hebben, is thans vijf-en-zeventig.
Voorzitter der provinciale staten is de commissaris des konings.
Het was Willem II niet gegeven, de vruchten te aanschouwen van het werk,
waartoe hij den grond had gelegd. Reeds den 17den Maart 1849 stierf hij
te Tilburg, aan welke plaats hij gedurende zijn leven zeer gehecht was
geweest. Het volk van Nederland betreurt hem als een held, die aan de
grootsche gestalten zijner voorvaderen uit het huis van Oranje
herinnerde, en als een welwillend koning, die in moeielijke dagen met
beleid voor zijn belangen had gewaakt.
Een paar woorden over de regeering van 's konings zoon en opvolger
~WILLEM~ III mogen tot slot van dit hoofdstuk verstrekken. Onder zijn
bewind werd eindelijk in 1853 het droogmaken van 't Haarlemmermeer (zie
blz. 188), een in Juni 1848 aangevangen reuzenwerk, voltooid. In 1853
werd tevens weder een bisschoppelijk bestuur der Roomsch-katholieke kerk
ingevoerd, waarvan Utrecht als aartsbisdom de hoofdzetel is. Onder de
vele wetten, die, als uitvloeisel van de in 1848 uitgevaardigde
grondwet, zijn tot stand gekomen, verdienen de kies-, de gemeente- en de
provinciale wet te worden genoemd. In 1857 verving een wet op het
lager-onderwijs die van 1806. Zij werd in 1863 gevolgd door een wet op
het middelbaar onderwijs, in 1876 door een op het Hooger-Onderwijs.
Zooveel wat aangaat het binnenlandsch bewind. Ten aanzien van de
buitenlandsche betrekkingen behoort het verdrag van Februari 1871 te
worden vermeld, bij hetwelk de Nederlandsche bezittingen op de Kust van
Guin[=e]a (in 't w. van Afrika) voor de som van 24,000 £ sterling aan
Groot-Britannië werden afgestaan. Twee jaar daarna, in Maart 1873, brak,
ter zake van zeerooverij, een oorlog los van Nederland tegen den sultan
van Atjeh (op de westkust van Sum[=a]tra), die nog steeds voortduurt. In
Juni 1877 overleed de koningin (zie blz. 202), in Januari 1879 prins
Hendrik, 's konings broeder (zie blz. 186).
§ 38.
_Eindblik op den toestand des lands._
Zoo is dan het plan, in de eerste paragraaf aangekondigd, volvoerd en
wederom een beknopte geschiedenis van Nederland te boek gesteld. Nog
bestaat dat rijk, aan welks geschiedenis de vorige bladzijden zijn
gewijd. Behalve de bijna 31,000 vierkante mijlen met nagenoeg 18,000,000
inwoners, die het in vreemde werelddeelen bezit, beslaat het in Europa
een oppervlakte van ruim 600 vierkante mijlen, waarop een bevolking
woont van ruim 3-1/2 millioen. Ongeveer 2/3 gedeelte van den grond is
bebouwd. Landbouw, veeteelt, handel, fabrieken en vischvangst blijven
voortdurend de bronnen van het bestaan der ingezetenen. De haringvangst,
ofschoon zij sinds een tiental jaren weder eenigszins begint op te
komen, heeft veel geleden door den wedijver van Engelschen en
Duitschers, en de walvischvangst is van weinig beteekenis. De handel,
dien Nederland drijft, is nog steeds wereld- en binnenlandsche handel.
Al is de eerste, in vergelijking met andere landen en van hetgeen hij is
geweest, niet meer, wat hij weleer was, nog is hij belangrijk en
verdient den naam van wereldhandel. De voorwerpen van dien handel zijn
voornamelijk de voortbrengselen van landbouw en veeteelt, benevens de
koloniale waren.
Wat de Nederlandsche nijverheid betreft, zij heeft geen ongelukkiger
tijdperk gekend, dat het twintigtal jaren, dat verliep tusschen de
omwenteling van 1795 en de oprichting van het koninkrijk der
Nederlanden. Gedurende het vijftienjarig tijdvak, dat met 1815 aanvangt,
begon er wel op nieuw eenig leven te komen in het fabriekwezen van
Noord-Nederland; maar de nijverheid van dit deel van het koninkrijk
bleef verre, zeer verre ten achteren bij die van het Zuiden. Na de
omwenteling van 1830 geraakte de nijverheid in ons vaderland geheel aan
't kwijnen. Dit kwam, behalve uit den staatkundigen toestand en uit de
ophooping der staatsschuld, uit de geringe geneigdheid der fabrikanten
voort, om aan den eisch des tijds te voldoen en de stoomkracht op het
fabriekwezen toe te passen. Doch allengs is de Nederlandsche nijverheid
na de afscheiding der Zuidelijke gewesten weder opgekomen. Daarentegen
kwijnt de scheepsbouw. Moge dus, in vergelijking met vroegere eeuwen,
Nederlands bloei in den handel niet zijn toegenomen, in 't stuk der
nijverheid is dit stellig het geval. Een andere lichtzijde van den
tegenwoordigen toestand ziet men in de staatsschuld, waarvan het bedrag
sinds de laatste twintig jaren regelmatig is verminderd.
Dat de letterkunde sinds den val der Republiek (zie blz. 167) een
belangrijke schrede voorwaarts heeft gedaan, zal wellicht niet met grond
kunnen worden staande gehouden. Toch heeft het zestig- of zeventigjarig
tijdvak, sedert verloopen, op meer dan op één beroemden naam te wijzen.
Er stonden schrijvers op, die aan de voortbrengselen hunner pen
bekendheid of grooten roem verschaften. De namen dier schrijvers heeft
de Geschiedenis der letterkunde opgeteekend. Hier kan slechts op een
paar van de voornaamsten worden gewezen, in de eerste plaats op
Bilderdijk. Op veelzijdiger ontwikkeling, dan ~Willem Bilderdijk~, een
Amsterdammer (1756-1831) zichzelf gaf, kunnen weinigen bogen.
Wijsbegeerte, oude en nieuwe talen, wis- en natuurkunde,
rechtsgeleerdheid, geschiedenis, geneeskunde, godgeleerdheid, niets was
hem vreemd. Een vruchtbaarder schrijver heeft Nederland niet aan te
wijzen. Het hoogst staat hij als dichter. Alle dichtsoorten beoefende
hij, buiten het blijspel, en in alle bracht hij meesterstukken voort. In
het heldendicht leverde hij _den Ondergang der eerste wereld_, een
grootsch maar onvoltooid gewrocht; in het leerdicht _de ziekte der
geleerden_; in den lierzang _de ode aan Napoleon_. Op het gebied der
taal schreef hij een _Spraakleer_. Op het veld van de _geschiedenis van
't Vaderland_ leverde hij een werk, waarvan de hoofdstrekking een
doorloopende bestrijding is van Wagenaar (zie blz. 167). Tot heden toe
is het aan dit geschrift niet gelukt, den ouden Wagenaar te verdringen.
In menig vers heeft Bilderdijk de herstelling van Nederlands
nationaliteit bezongen. In 't jaar dier herstelling stierf een andere
dichter, wiens naam voorzeker bij geen Nederlander onbekend is, welke op
die nationaliteit prijs stelt. Dit is ~Jan Frederik Helmers~, die in
zijn _Hollandsche natie_, een middelsoort tusschen het helden- en het
lierdicht, den roem verheerlijkt, door het Nederlandsche volk behaald,
zoowel te land als ter zee, op het veld der wetenschappen en op dat der
fraaie kunsten.
Een Nederlander, die zijn vaderland lief had, was Helmers. Niet minder
deed dit ~Hendrik Tollens~ Cz., in 1780 geboren te Rotterdam, overleden
te Rijswijk in 1856. Was Cats de eerste Nederlandsche volksdichter
geweest, de eerenaam van de tweede te zijn geweest komt Tollens toe.
Immers behalve zoo menige andere zang op onderwerpen van Nederlandsche
historie, die dit mede bevestigt, getuigt hiervoor het door hem
vervaardigde volkslied: "Wien Neêrlands bloed door de adren vloeit." Een
groot aantal van 's dichters verzen zijn gewijd aan den huiselijken
haard. De meest bekende zijner gedichten zijn: _het tafereel van den
vierdaagschen zeeslag_, _Beilink_, _het turfschip van Breda_, enz. en op
het gebied der beschrijvende poëzie: _het tafereel van de overwintering
der Hollanders op Nova-Zembla_.
Van de prozaschrijvers uit de eerste helft dezer eeuw behoort bovenal
~Jan Hendrik van der Palm~ te worden aangehaald, hoogleeraar in de
Oostersche talen te Leiden. Hij was de eerste prozaschrijver van zijn
tijd. Onder zijn geschriften bekleeden _de Bijbelvertaling met
aanteekeningen_, _de Bijbel voor de jeugd_ en _de Salomo_, een
uitbreiding van de spreuken, een eerste plaats. In deze en andere zijner
werken vindt men, bij diepte van gedachten, een krachtigen en rijk
geschakeerden, doch ook helderen en lossen stijl. Onder al die werken
staat geheel op zichzelf _het Geschied- en Redekunstig gedenkschrift van
Nederlands herstelling_, dat heden ten dage meer om den vorm, dan om den
inhoud, de aandacht trekt. Van der Palm, die hoogbejaard in 1841
overleed, leefde te midden van een aantal uitstekende mannen op het
gebied der letterkunde, als Kinker, Borger, Da Costa.
Zullen de wijsgeerige, de dichterlijke en de taalkundige geschriften van
~Johannes Kinker~ zijn naam lang voor de vergetelheid bewaren, alleen
_de Ode aan den Rijn_ zal dien van ~El[=i]as Annes~ ~Borger~ doen
voortleven. ~Izaäk da Costa~ is de voortreffelijkste van Bilderdijks
leerlingen. Hij streed, als Bilderdijk, voor de rechtzinnige
gereformeerde leer. Welk een gloed hij als dichter had, ziet men in zijn
_Wachter, wat is er van den nacht?_, waarin hij de omkeeringen op
staatkundig gebied van 't jaar 1848 voorspelt, in zijn _Slag bij
Nieuwpoort_ en andere verzen. In 1860 overleden, was Da Costa een
tijdgenoot van Bogaers, de Génestet, van Lennep en Beets, die, waar men
van de hedendaagsche Nederlandsche letterkunde gewaagt, in de eerste
rijen staan. Als bewijs van het keurige dichttalent van ~Bogaers~ wordt,
onder meer, doorgaans _De tocht van Heemskerk naar Gibraltar_
aangehaald. ~De Génestets~ _Leekedichtjes_ zijn bij jong en oud bekend,
evenzeer als de _Camera obscura_ van Hildebrand, d. i. ~Beets~. Van het
genoemde viertal is Beets de eenige, die nog leeft. Bogaers werd in
1870, de Génestet in 1861, van Lennep in 1868 door den dood weggerukt.
~Van Lenneps~ werken zijn vooral gedichten en romans in proza. De
laatste hebben hem gemaakt tot den gevierden schrijver, van wien elk
iets heeft gelezen. Voor den beste dier romans houdt men _Ferdinand
Huyck_.
TIJDREKENKUNDIG OVERZICHT DER BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN HET VADERLAND.
Jaren n. C.
=§ 1. _Nederland in de laatste eeuwen vóór Christus' geboorte en onder
de heerschappij der Romeinen._=
Oorsprong der Zuiderzee 839.
De Dollard ontstaat 1277.
De Biesbosch ontstaat 18 Nov. 1421.
Men begint op het dijkwezen te letten ongev. 900 of 1200.
De Friezen, de Bataven, de Kaninefaten, de Tubanten, de
Brukteren geraken onder de heerschappij der Romeinen 100-1 v. C.
~Drusus~ onderwerpt de Friezen.
Opstand der Friezen.
Corb[)u]lo beteugelt hen 47.
Claudius Civ[=i]lis stelt zich aan 't hoofd van den opstand
der Bataven 69.
De Friezen, de Kaninefaten en andere stammen verbinden zich
met de Bataven.
Claudius Civ[=i]lis hernieuwt het verbond met Rome.--
~Cere[=a]lis~ 70.
=§ 2. _De Franken en de Saksen in Nederland en België.--Deze landen
worden een bestanddeel van het Frankische rijk.--De invoering van het
leenstelsel en van den Christelijken godsdienst.--De Noormannen._=
Herhaalde invallen der Franken, n.l. der Saliërs, in de
Nederlanden sinds ongev. 300.
Zij vestigen zich hier ongev. 361.
Nederland en België behooren tot Austrasië sedert 511.
De landstreek bij den IJsel is het gebied der Saksen
sedert ongev. 400-500.
Grenzen der Friezen.
De naam der Bataven en die der Kaninefaten verdwijnen sinds 400-500.
Onderwerping der Friezen aan Karel den groote 785.
~Willebrord~, ~Wulfran~ en ~Winfried~ of ~Bonifacius~
bekeeren of doopen de Friezen.
Willebrord eerste bisschop onder de Friezen.
Ontmoeting van Wulfran met ~Radboud~ te Hoogwoude 719.
Dood van Bonifacius te Dokkum 5 Juni 755.
Kerkrechtelijke verdeeling dezer landen in den tijd der
Franken in bisdommen.--Staatsrechtelijke verdeeling in
hertogdommen, graafschappen, schoutambten.--Burgerlijke
verdeeling in volken of landen, elk land in _gouwen_, elke
gouw in _marken_.--De aloude marken.
Het land bestuurd door drie _hertogen_ en door _graven_.--
Oorspronkelijke beteekenis van 't woord "graaf".--
_Schepenen_.--Aan 't hoofd der schoutambten staan
_schouten_.--De standen der bevolking: _vrijen_, _liten_,
_slaven_ of _lijfeigenen_.
~Heriold~, ~Roruk~ en ~Hemming~ laten zich doopen.--Lodewijk
de vrome geeft Heriold Dorestad of _Duurstede_ en omstreken,
Roruk _Kennemerland_ en Hemming _Zeeland_ 826.
Einde van de heerschappij der Noormannen in deze streken 885.
Verdrag van Verdun.--Lothar[)i]us I verwerft bijna geheel
België en Nederland, Karel de kale Vlaanderen, Artois en een
deel van Zeeland 843.
Het aandeel van Lothar[)i]us I komt aan Duitschland 870 en 879.
=§ 3. _Onderscheid tusschen den toestand van Friesland en dien van
andere streken van ons land.--De wisselingen in de opperheerschappij
dezer landen na het verdrag van Verdun.--Staten, die in het Zuiden en
in het Noorden verrijzen.--Aard en uitbreiding der grafelijke macht._=
De Nederlanden en België zijn een bestanddeel van
Lotharingen, en van Neder-Lotharingen sedert 965.
De meeste Nederlanden worden erfelijke leenen,
waarschijnlijk ongev. 800-1000.
Meerdere gouwen komen aan één graaf sedert 1000-1100.
Het geheele land verdeeld tusschen den graaf van Gelder,
dien van Holland en den bisschop van Utrecht 1100-1200.
In plaats van Neder-Lotharingen ontstaan, voor en na,
verschillende zelfstandige staten, als het hertogdom
_Brabant_, het markgraafschap _Namen_ en het graafschap
_Henegouwen_.
Het bisdom _Luik_.
Het graafschap _Limburg_ wordt een hertogdom sedert 1000-1100.
_Maastricht_ voor een gedeelte een bezitting van den
bisschop van Luik, voor een ander deel een op zichzelve
staande rijksstad.--Karel V scheidt deze stad van het
Duitsche rijk af en voegt ze aan Brabant toe.
Het graafschap _Luxemburg_ wordt een hertogdom 1354.
_Antwerpen_ is een markgraafschap van het Duitsche rijk en
wordt door den hertog van Brabant bestuurd 900-1000.
De heerlijkheid _Mechelen_ komt aan Vlaanderen 1357.
_Artois_ en _Kroon-Vlaanderen_ leenen van Duitschland.
Noordelijk Vlaanderen, _Rijks-Vlaanderen_, een leen van
Duitschland.
Hendrik II geeft Rijks-Vlaanderen in leen aan Boudewijn IV,
graaf van Vlaanderen, die Zeeland bewester Schelde wederom
in achterleen geeft aan Dirk III, graaf van Holland 1007.
Karel de eenvoudige geeft aan Dirk I eenige stukken grond 922.
~DIRK~ III sticht een sterkte tusschen de Merwede en de oude
Maas.--Hendrik II doet hem tevergeefs den oorlog aan 1018.
De stad Dordrecht.
De naam "graaf van Holland" komt op.
De graaf van Holland tevens graaf van _Zeeland_ 1323.
_Gelderland_ bestaat uit de graafschappen Gelder en Zutfen.--
Eerste graaf van Gelder en Zutfen ~HENDRIK~ 1138.
Keizer Lodewijk verheft ~REINOUD~ II of ~den zwarte~ tot
hertog van Gelderland 1339.
De bisschop van Utrecht door de kanoniken van de vijf
kapittelkerken gekozen sedert 1122.
Friesland sedert Karel den groote beheerscht door graven.
De heerlijkheid _Westerwolde_.
Uitbreiding bij trappen der macht van den graaf van Holland.
_De beden._--_De privilegiën._
=§ 4. _Holland onder de graven uit het Hollandsche huis._=
Huis van Holland 922 (1018)-1299.
Dirk I, Dirk II, Arnoud, Dirk III, Dirk IV, Floris I, Dirk
V, Floris II, Dirk VI, Floris III, Dirk VII, Willem I,
Floris IV, Willem II, Floris V, Jan I.
~WILLEM~ II komt tegen de West-Friezen om bij ~Hoogwoude~ 1256.
~Floris~ V bedwingt de Kennemerlanders.--Hij onderwerpt de
West-Friezen, de Waterlanders en de Drechterlanders 1282 en 1287.
~DIRK~ VI belegert Utrecht.--~Herbert~--Dirk breekt het
beleg op ongev. 1145.
~Floris~ III overlijdt te Antiochië 1190.
Willem, later ~WILLEM~ I, vecht mede voor Acre 1191.
Hij neemt Damiate in 1219.
Hij ontruimt het 1221.
_De Damiaatjes_ in de groote of St. Bavo's kerk te Haarlem sinds 1550.
Dirk VII sterft.--Ada.--Ada door Adelheide uitgehuwd aan
~Lodewijk~, graaf van Loon 1203.
Lodewijk uit Holland verdreven 1204.
Willem I wordt graaf.
Willem II, de stichter van 's Gravenhage, tot Roomsch koning
benoemd 1247.
Floris V beoorloogt de heeren ~Gijsbrecht van Amstel~ en
~Herman van Woerden~.
Gijsbrecht doet afstand van Muiden.
Herman doet afstand van Woerden.--De beide heeren doen
afstand van hun alodiën, die zij als leenen terugkrijgen.
~Eduard~ I, koning van Engeland, verplaatst den stapel der
Engelsche wol van Dordrecht naar Brugge en Mechelen 1295.
Floris V sluit zich bij ~Philips IV~ of ~den schoone~ aan 1296.
~Gerard van Velzen~ en de overige saamgezworenen dooden
Floris V 1296.
Jan.--~Wolfert van Borselen~ aan 't hoofd der regeering 1297.
Hij wordt te Delft omgebracht 1299.
Jan draagt het bewind voor vier jaren aan ~Jan van Avennes~
op.--Jan I sterft 1299.
=§ 5. _Holland en Zeeland onder de graven uit het Henegouwsche en het
Beiersche huis._=
Instelling der _stad-_ of _stedehouders_ door ~JAN~ II.
De Vlamingen, aangespoord door Jan van Renesse, vallen in
Zeeland en Holland 1303.
Zij worden gestuit bij _het Manpad_ 1304.
De eer der zege komt toe aan ~Witte van Haamstede~ en Willem
van Oostervant.
~WILLEM~ III~ de goede~ 1304-1337.
Waarschijnlijke invoering der beden.
Hij roept voor 't eerst, met de edelen, de schepenen der
steden van Holland en Zeeland op.
Verdrag van Willem III met Lodewijk I van Nevers, graaf van
Vlaanderen, bekrachtigd door Lodewijk van Beieren.--Lodewijk
ziet van de leenhulde wegens Zeeland bewester Schelde af.--
De graaf van Holland tevens graaf van Zeeland 1323.
Willem III geeft zijn dochter Margareta aan keizer Lodewijk
ten huwelijk.
~WILLEM~ IV 1337-1345.
Hij komt om bij Stavoren 1345.
Lodewijk beleent ~Margareta~ met Holland, Zeeland en
Friesland 1346.
Margareta vertrekt naar haar graafschappen, doch keert
spoedig naar Beieren terug.
~Willem~ wordt _verbeider_.
Lodewijk van Beieren sterft.--Karel IV keizer 1347.
Verdrag tusschen Margareta en Willem.--Zij erkent Willem als
graaf van Holland en Zeeland en als heer van Friesland.--
Willem zal haar jaarlijks ongeveer 30,000 gl. en een zekere
som op eens betalen 1349.
Margareta herroept haar gift en begeeft zich naar
Henegouwen.
_Hoekschen_ en _Kabeljauwschen_.
Het buskruit voor 't eerst hier te land gebruikt.
Margareta staat Holland, Zeeland en Friesland aan ~WILLEM~ V
af, die belooft, haar een jaargeld te zullen betalen.--Zij
behoudt Henegouwen 1354.
Margareta overlijdt te Quesnoi 1356.
Willem V gaat naar Quesnoi 1357.
Albrecht wordt _ruwaard_.
Willem V sterft.--~ALBRECHT~ 1389-1404.
Krijgstocht van Albrecht naar Friesland.
Hij huwt zijn dochter ~Margareta~ uit aan ~Jan zonder
vrees~, zijn zoon Willem aan Margareta, een dochter van
Philips den stoute.
Zijn jongste zoon ~Jan~ wordt bisschop van Luik.
In de meeste steden van Holland treden _burgemeesters_ met
een _raad_ op.
Albrecht sterft 1404.
WILLEM~ VI 1404-1417.
Hij richt een staand leger op.
Willem VI sterft 1417.
Jakoba van Beieren geboren 1401.
~Jan van Touraine~ sterft 1417.
Geschillen tusschen Jakoba en ~Jan van Beieren~ of Jan zonder
genade.
Jakoba huwt ~Jan IV~, hertog van Brabant en Limburg,
markgraaf van Antwerpen, stichter van de hoogeschool te
Leuven 1418.
Verdrag van Jakoba met Jan van Beieren 1419.
Jan van Brabant verpandt Holland en Zeeland aan Jan van
Beieren 1420.
De staten van Brabant ontzetten Jan van Brabant van het
bewind.
Jakoba trouwt met ~Humphrey, hertog van Glocester~ 1422.
Jan van Beieren overlijdt 1425.
Philips de goede erfgenaam van Jan van Beieren.
Holland en Zeeland blijven Jan van Brabant getrouw.--
Henegouwen huldigt Humphrey en Jakoba.--Jakoba's troepen
vermeesteren Schoonhoven.--~Allaert Beilink~ wordt levend
begraven 1425.
Humphrey verlaat deze landen.--Jan van Brabant benoemt
Philips den goede tot ruwaard van Holland en Zeeland 1425.
Jan van Brabant sterft 1427.
Een geestelijk gerechtshof te Rome verklaart de
echtverbintenis met Glocester voor onwettig 1428.
_Verdrag te Delft_.--Philips de goede wordt erkend als
ruwaard en erfgenaam van Holland, Zeeland, Friesland en
Henegouwen; Jakoba zal niet hertrouwen, dan met toestemming
van haar moeder, van Philips en van drie stenden der landen;
zij zal een gedeelte trekken van de inkomsten der
graafschappen 1428.
~Frank van Borselen~ wordt stadhouder van Philips over
Holland en Zeeland.--Hij huwt Jakoba, verliest het
stadhouderschap, doch wordt graaf van Oostervant.
Jakoba verliest de grafelijke waardigheid 1433.
Zij sterft 1436.
=§ 6. _Holland en Zeeland onder de graven uit het Bourgondische
huis._=
Jan zonder vrees wordt gedood op de Yonnebrug 1419.
~PHILIPS DE GOEDE~ 1433-1467.
Hij verkrijgt Bourgondië, Vlaanderen, Mechelen, Franche-
Comté, Artois en Salins 1419.
Hij koopt Namen van graaf Jan III 1421.
Jan sterft.--Namen komt aan Philips 1429.
Hij erft van een neef Brabant, Limburg, Antwerpen 1430.
Jakoba staat hem Holland, Zeeland, Friesland en Henegouwen
af 1433.
Hij koopt Luxemburg en neemt het in bezit in 1451.
_De vroedschap en rijkheid._
Philips de goede richt _het hof van Holland_ op 1428.
Instelling van _den geheimen_ of _grooten raad_ 1455.
Vergadering der _Algemeene Staten_ te Brussel 25 April 1465.
De _dagvaart_ van Holland voor 't eerst _staten_ genoemd 1428.
De _zes_ steden dier staten: Dordrecht, Haarlem, Delft,
Leiden, Amsterdam, Gouda.--_'s Lands advocaat_.
Staten van Zeeland.--Drie leden, de abt van Middelburg, de
edelen en de vijf steden.
Instelling van _de orde van het gulden vlies_ 1430.
Uitvinding der boekdrukkunst òf door Laurens Janszoon Coster
van Haarlem, òf door Johan Gutenberg te Mains ongeveer 1455.
Willem Beukelszoon van Biervliet.--Hij sterft 1397.
_De buizen._
~KAREL DE STOUTE~ 1467-1477.
Hij vestigt _den grooten raad te Mechelen_ 1474.
Hij richt een staand leger ruiterij op 1471.
Verdrag van Karel met ~Arnoud van Egmond~.--Arnoud verpandt
hem Gelderland voor 300,000 gl. en benoemt hem tot
erfgenaam 1471.
Bijeenkomst van Karel en Frederik III te Trier 1473.
Karel de stoute sneuvelt bij Nancy in een slag tegen Réné,
hertog van Lotharingen 1477.
~MARIA~ 1477-1482.
Lodewijk XI vermeestert Bourgondië, bespringt Artois en
Picardië, zelfs Franche-Comté, bedreigt Vlaanderen.
Holland en Zeeland verkrijgen het _groot-privilegie_.
Maximiliaan wordt Maria's echtgenoot 1477.
Frankrijk geeft Franche-Comté en Artois, op eenige steden
na, terug 1493.
Maria sterft.--Maximiliaan wordt voogd voor Philips II of
den schoone 1482.
=§ 7. _Holland en Zeeland onder de eerste graven uit het
Oostenrijksche huis._=
Opstand van Gent en Brugge.--Gevangenschap van Maximiliaan
te Brugge 1488.
~Jan van Schaffelaar~ komt te Barneveld om 1482.
Einde van het oproer van _het kaas-_ en _broodvolk_, alsmede
van den strijd der Hoekschen en Kabeljauwschen 1492.
Maximiliaan wordt keizer van Duitschland 1493.
~PHILIPS~ II of ~DE SCHOONE~ 1494-1506.
Bij zijn inhuldiging weigert hij het groot-privilegie te
erkennen.
Philips trouwt met ~Johanna~ 1496.
Dood van Isabella, koningin van Castilië 1504.
Philips aanvaardt het bewind over dit rijk, maar sterft 1506.
Maximiliaan wederom regent over de Nederlandsche staten.
Karel geboren te Gent 1500.
~KAREL~ V aanvaardt het bewind over de Nederlandsche staten 1515.
Hij volgt Ferdinand II den katholieke te Arragon op 1516.
Hij wordt keizer van Duitschland 1519.
George van Saksen verkoopt hem zijn rechten op Friesland
voor 350,000 gl. 1515.
De Friezen erkennen hem als heer 1524.
~Hendrik van Beieren~ staat hem de wereldlijke macht over
Utrecht en Overijsel af 1528.
Groningen erkent hem als heer des lands 1536.
Karel van Gelder staat hem de heerschappij over Drente af 1536.
~Willem van Gulik~ en ~Kleef~ staan hem Gelderland af 1543.
De zeventien gewesten.
=§ _8. Overzicht der geschiedenis van Gelderland gedurende de
Middeleeuwen._=
De graaf van Gelder eigent zich eenige rechten der kroon
toe 1200-1300.
Lodewijk van Beieren benoemt ~REINALD~ II of ~DEN ZWARTE~
tot hertog 1339.
Samensmelting der steden en edelen tot één lichaam van
landsstenden 1418.