Deze unie had in 1828 plaatst. Zij bestond hierin, dat de beide

partijen, op een voorstel, in de dagbladen der geestelijkheid gedaan,

zonder voorshands op haar bijzonder belangen te letten, zich tot een

gemeenschappelijken strijd tegen de regeering vereenigden. Zoodra die

vereeniging was tot stand gekomen, nam de koning een weifelende houding

aan tusschen gestrengheid en toegeven. Hiervan gaf hij over 't geheel,

ook reeds vroeger, menig bewijs. Zoo sloot hij, om de katholieken

tegemoet te komen, die sinds lang een geregeld kerkbestuur wenschen, in

1827 met paus ~Leo~ XII een _concordaat_ (d. i. een verdrag tusschen het

hof te Rome en een wereldlijke regeering, waarbij deze haar toestemming

geeft tot de regeling der kerkelijke aangelegenheden harer Roomsche

onderdanen). Den verzoenenden zin, die hem bezielde, openbaarde Willem I

verder door in 1829 de verplichting van 't bijwonen der lessen van 't

collegium op te heffen, waardoor het weldra teniet ging. Eveneens trok

hij de beperkende bepalingen nopens het gebruik der landstaal in. Dat de

koning van den anderen kant volstrekt niet van zins was, zich door de

losbandigheid der drukpers te laten overvleugelen, toonden de

rechtsgedingen, tegen de Potter en anderen gevoerd wegens pogingen, door

hen gedaan om in hun geschriften hun medeburgers op te hitsen ter

omverwerping der bestaande regeering. Zij werden veroordeeld tot een

zeker aantal jaren ballingschap. Maar de veroordeelingen waren doelloos,

want de overtreders der wetten op de pers beschouwde men als

slachtoffers.

Den 27-29sten Juli 1830 had in Frankrijk de omwenteling plaats

(_Overzicht_, 9de druk, blz. 234), waardoor Karel X van den troon werd

gestooten. De tijding werd in België met de grootste opgewondenheid

aangehoord. Koning Willem I, in zijn binnenlandsche staatkunde juist het

tegendeel van Karel X, werd met hem op één lijn gesteld. Geen maand

later, en ook de Belgen toonden, hoe spoedig zij de kunst hadden

geleerd, zich te ontslaan van een koning, over wien zij misnoegd waren.

§ 37.

_De opstand van België en het koninkrijk der Nederlanden sedert 1830._

De ontevredenheid, van 1815 dagteekenende, was voortdurend in kracht

toegenomen en diep in de gemoederen doorgedrongen. De mijn was geladen,

slechts een kleine vonk noodig, om ze te doen springen. Sinds een paar

jaren zag men in België reeds naar de uitbarsting uit en werd de

aanstaande omwenteling openlijk in de straten van Brussel aangekondigd.

Dat er hoofden der beweging waren, lieden van aanzienlijken rang, die de

volksmenigte bestuurden, spreekt vanzelf. Doch deze personen hebben niet

veel anders gedaan, dan de mijn aansteken. De mijn, die ontvlamde, was

het volk zelf. Den 25sten Augustus gaf men in den schouwburg der stad de

"Muette de Portici" (_Overzicht_, 9de druk, blz. 141), d. i. den opstand

op het tooneel. Van den schouwburg tot de straat was een overgang van

een paar uren. Te tien uur des avonds schoolden talrijke volkshoopen

samen, die weldra verschillende huizen plunderden en verwoestten en

zelfs de woning van den minister van justitie van Maanen in brand

staken. Daar het opgeruide grauw toonde smaak in het plunderen te hebben

gekregen, begonnen de gezeten lieden voor de openbare veiligheid beducht

te worden. Uit deze overweging kwam den 27sten Augustus de oprichting

eener gewapende burgermacht voort, die de Brabantsche kleuren aannam en

in wier handen 's konings troepen de teugels van 't krijgsgezag over de

oproerige stad terstond stelden. Te Luik en in de overige steden van

België beleefde men dadelijk een herhaling van dezelfde tooneelen.

De Belgische opstand verraste de regeering van koning Willem I. De

gewapende macht, die zich te Brussel bevond, had geen orders, hoe te

handelen, en was niet krachtig genoeg. Eerst den 28sten Augustus nam de

koning eenige besluiten. Hij begon met de Staten-Generaal buitengewoon

te 's Gravenhage bijeen te roepen tegen den 13den September. Een

legercorps werd bijeengebracht en kreeg bevel naar Brussel op te

trekken. Aan 't hoofd dezer troepen werden 's konings beide zonen

geplaatst, de prins van Oranje en prins Frederik, destijds admiraal en

generaal over 's rijks krijgsmacht te water en te land. Groot was, bij

de nadering van dit leger, de ontsteltenis onder de bevolking der stad.

Binnen weinige uren was Brussel als een verschanste legerplaats. Vermits

men zich desniettemin niet sterk genoeg achtte, om zich tegen geweld van

wapenen te verdedigen, vaardigde men een bezending naar 's prinsen

hoofdkwartier af. Deze bezending schilderde in zulke sterke kleuren de

bedenkelijke stemming van Brussels bevolking, inzonderheid van het

gemeen, dat de prins van Oranje beloofde, den 31sten Augustus, slechts

begeleid door zijn staf, te zullen komen.

Op het vastgestelde uur had, dien 31sten Augustus de intocht van den

prins van Oranje binnen Brussel plaats. Het moet een indrukwekkend

schouwspel zijn geweest, den prins, bijna onverzeld, de straten te zien

doorrijden, opgevuld met duizenden manschappen der burgermacht en met

een gewapende menigte, die nu eens een doodsch stilzwijgen bewaarde, dan

weer in woeste kreten of bedreigingen haar gewaarwordingen lucht gaf.

Bij het stadhuis, waarheen de hoofden van den opstand hem geleidden,

sloeg de Arabische schimmel, dien de prins bereed, achteruit en kwetste

plotseling een der omstanders. De prins, die terstond een ander paard

had bestegen, aan het gewoel en getier ziende, dat de volksschare tot

dadelijkheden dreigde over te gaan, zette het dier in den galop en

baande zich door zijn koene sprongen over de barricaden en versperringen

heen een weg naar zijn paleis.

Kort hierna keerde de prins naar 's Gravenhage terug. Tegen de meening

van den kroonprins, die op milde beloften en op het herstel der grieven

aandrong, gaf de koning aan prins Frederik bevel, om de gehoorzaamheid

aan het wettig gezag gewapenderhand te doen terugkeeren en een aanval op

Brussel te doen. Doch het gunstige oogenblik was voorbij. Het vuur van

den opstand had zich wijd en zijd verbreid. Te lang had de regeering,

weifelende tusschen vredelievende gezindheid en de zucht om geweld te

gebruiken, gedobberd. Hierbij kwam, dat de aanval op Brussel niet met

dat beleid en die doortastende kracht geschiedde, welke de waarborgen

zijn van een goeden uitslag. Men wilde de stad vermeesteren; doch men

wilde ze tevens zooveel mogelijk sparen en de burgerij geen geweld

aandoen. Na een vierdaagsche worsteling, die aan vele wakkere soldaten

het leven kostte, trokken de koninklijke troepen den 26sten September

uit de stad terug. Het oproer zegevierde.

Weinige dagen na den terugtocht van 's konings troepen uit Brussel werd,

den 29sten September, in de Tweede Kamer der Staten-Generaal het besluit

genomen, het staatsbestuur te splitsen zonder scheuring van het rijk en

de grondwet te herzien. Aan de voornaamste eischen der Belgen had de

koning niet willen tegemoet komen. Intusschen nam de strijd meer en meer

het karakter aan van een oorlog, niet tegen de kroon, maar tusschen

Noord- en Zuid-Nederland. De Belgen konden niet sterker naar een geheele

scheiding verlangen, dan de Noord-Nederlanders zelven. Ook in het leger

vertoonde zich die verdeeldheid. Geheele afdeelingen, uit Belgen

bestaande, vielen af. Terwijl de wettige vertegenwoordigers van het

Belgische volk in den Haag ter Staten-Generaal beraadslaagden,

bestuurden eenige volksleiders den gang der gebeurtenissen in 't Zuiden.

De Potter (zie blz. 194) kwam uit de ballingschap terug, werd met

uitbundige toejuiching ontvangen en mede aan 't hoofd van 't voorloopig

bestuur te Brussel gesteld. Maar zes weken later was men hem reeds moede

en verliet hij, zich er niet veilig rekenende, zijn vaderland voor de

tweede maal. Ten einde, zoo mogelijk, de regeeringloosheid tegen te

gaan, welke uit dezen staat van zaken dreigde voort te komen, zond

Willem I, op verzoek van vele aanzienlijke Belgen, den prins van Oranje

voor de tweede maal naar de kampplaats. Hij had in last, het bestuur

over de getrouw gebleven gewesten op zich te nemen en de opgestane

streken naar vermogen tot rust te brengen. Terstond beloofde de prins

aan de Belgen de opheffing van vele hunner grieven. En toen het

voorloopig bestuur, te Brussel gevestigd, de natie had opgeroepen om een

congres te doen bijeenkomen en Antwerpen er ook deel aan wilde nemen,

gaf de prins aan dit verlangen toe. Zoo doende ging hij verder, dan de

koning had bedoeld, en werd teruggeroepen.

Terzelfder tijd, in 't midden van October 1830, wendde Willem I zich tot

de vijf groote Europeesche mogendheden, Oostenrijk, Frankrijk, Engeland,

Pruisen, Rusland, als leden van 't Weener-congres, die zich tot de

handhaving van het koninkrijk der Nederlanden hadden verbonden. De

gezanten dezer mogendheden openden in 't begin van November hun eerste

_conferentie_ (bijeenkomst) _te Londen_. Inmiddels was de prins van

Oranje naar het vaderland teruggekeerd en er met groote koelheid

ontvangen. De toegevendheid, door hem jegens de Belgen aan den dag

gelegd, werd hem in 't Noorden zeer euvel geduid. Na zijn vertrek uit

Antwerpen vertoonden zich ook hier en te Maastricht, tot dusver de

eenige plaatsen, waar 's konings bewind nog werd geëerbiedigd, meer en

meer onrustwekkende verschijnsels. Te Maastricht handhaafde echter de

generaal Dibbets het gezag der Nederlandsche regeering. Te Antwerpen

daarentegen brak de opstand openlijk uit en viel menig Nederlandsch

krijgsman onder de kogels der muitende menigte. ~David Hendrik baron

Chassé~, die er het bevel voerde, had de stad wel in staat van beleg

verklaard, maar verzette zich in 't eerst niet krachtig tegen de

buitensporigheden van 't gemeen. Doch eindelijk, den 27sten October,

bedwong hij, ondersteund door de vloot, die onder 't bevel van den

schout-bij-nacht ~Koopman~ op de Schelde lag, door een uren lang

aangehouden bombardement der stad den overmoed des vijands. Op

uitnoodiging der conferentie te Londen stuitte inmiddels een

wapenstilstand den verderen gang der vijandelijkheden.

Op deze conferentie bleek het weldra, dat geen der vijf mogendheden

genegen was, ten behoeve van het stamhuis van Oranje-Nassau den vrede

van Europa op het spel te zetten. Alsof de koning dit had kunnen

vermoeden, had hij, niet alleen op die conferentie bouwende, het volk

van Noord-Nederland ter verdediging van de onafhankelijkheid des lands

te wapen geroepen. De oproeping vond overvloedigen weerklank bij alle

standen van 't volk. Langzamerhand stroomden duizenden manschappen naar

de zuidelijke grenzen van Noord-Nederland en wachtten er geduldig 's

konings bevelen af. Intusschen maakte de conferentie _de protocollen_

van den 20sten en den 27sten Januari 1831 bekend, waarin de geheele

scheiding van Nederland en België werd uitgesproken en vastgesteld, dat

16/31 der gemeenschappelijke schuld ten laste van België zou komen.

Middelerwijl was _het nationaal congres_ den 10den November 1830 te

Brussel bijeengekomen en had, hoewel het zich voor 't behoud van den

constitutioneel-monarchalen regeeringsvorm verklaarde, het huis van

Oranje-Nassau van den troon uitgesloten. Dit congres verwierp de

protocollen van Januari, terwijl Willem I verklaarde ermede in te

stemmen.

De Belgen vonden niet spoedig een koning voor den door hen ledig

verklaarden troon. Daarom droeg het congres het oppergezag voorloopig op

aan een regent, den baron ~Surlet de Chokier~, een rijk grondbezitter,

tot dusver president dier vergadering. Eindelijk, den 4den Juni 1831,

benoemde het met groote meerderheid van stemmen prins ~Leopold van

Saksen-Koburg-Gotha~, een broeder van den regeerenden hertog van

Saksen-Koburg-Gotha, tot _koning der Belgen_. Leopold aanvaardde de

regeering den 21sten Juli van dat jaar, beloofde de zeer vrijzinnige

grondwet, een van de eerste vruchten der werkzaamheid van 't congres, te

zullen eerbiedigen en sloot in 1832 een tweede huwelijk met ~Louise~, de

oudste dochter van Lodewijk Philips, koning der Franschen. Inmiddels

stelde de conferentie in Juni 1831 eene nieuwe protocol, _de achttien

artikels_, op, veel gunstiger voor België dan de vorige, waarin zij de

rechten van het huis van Oranje-Nassau op Luxemburg voor twijfelachtig

verklaarde, België uitzichten op het bezit van Maastricht opende en

vaststelde, dat het niet verplicht was, een deel der schuld van het oude

Nederland over te nemen. Èn deze wijzigingen, èn het optreden van

Leopold als koning brachten Willem I, reeds lang ongeduldig over den

langwijligen gang van de beraadslagingen der conferentie, tot het

besluit, zijn recht met het zwaard te handhaven. Marschvaardig lag de

Nederlandsche krijgsmacht op de grenzen, van geestdrift gloeiende en

begeerig om, was het noodig, den heldendood voor het vaderland te

sterven. Zij gedacht het voorbeeld van den wakkeren ~Johan Karel Jozef

van Speyk~, die in Februari 1831, gedurende den wapenstilstand, met zijn

kanonneerboot, welke de wind bij Antwerpen naar 's vijands wal had

gedreven, in de lucht vloog, liever dan de vlag te strijken voor hen,

die hij als muiters tegen hun wettigen koning aanmerkte, of, wat nog

erger was, ze hun prijs te geven.

Was op het eind van 1830 Nederlands leger niet bestand geweest tegen dat

van België, thans, in den zomer van 1831, was die verhouding omgekeerd.

Het leger van Willem I werd aangevoerd door ~den prins van Oranje~, wien

prins Frederik ter zijde stond, en telde nog geen 36,000 man. De

Belgische legers, dat van de Schelde en dat van de Maas, waren omtrent

30,000 man groot. Aan 't hoofd van 't eerste stond de generaal ~de

Ticken de Terhove~, het bevel over het tweede voerde ~Daine~. Het leger

van de Schelde was in de nabijheid van Antwerpen geplaatst, het andere

stond in het Limburgsche. Terstond besloot de prins van Oranje tusschen

de beide legers door te breken, om daarna elk van hen afzonderlijk aan

te vallen. Een goed deel van dit plan werd volvoerd door _den

tiendaagschen veldtocht_, 2-12 Augustus 1831. Den 5den Augustus was de

doorbreking reeds geschied. Elke dag van dien veldtocht werd door

gevechten gekenmerkt. De meestbeteekenende feiten zijn, wat men de

slagen bij ~Hasselt~ (den 8sten Augustus) en bij ~Leuven~ (den 12den

Augustus) noemt. De eerste dezer ontmoetingen was eigenlijk niets dan

één krachtige aanval op het op Hasselt terugtrekkkende leger van Daine,

dat dadelijk als een kudde schapen uiteenstoof en geheel werd

verstrooid. Het had een slag in den waren zin des woords kunnen worden,

indien Daine minder onbekwaam en lafhartig was geweest, en zoo niet de

prins van Oranje, hoogstwaarschijnlijk België liever willende winnen dan

overwinnen, zich ertoe had bepaald, den vijand van zijn minderheid te

overtuigen, in plaats van hem te vernietigen. In den slag van Leuven,

die van meer beteekenis was, voerde koning Leopold in persoon zijn

troepen aan. De Belgen werden er geheel verslagen, weken naar Leuven en

hadden zonder eenigen twijfel, wilden zij niet tot den laatsten man toe

gedood of gevangen genomen worden, op smadelijke wijze de wapenen moeten

nederleggen. Maar nu rukte, op verzoek van Leopold, een Fransch leger

onder maarschalk ~Gérard~ België binnen en was de prins verplicht, voor

de meerderheid te zwichten. Hij stond eindelijk, op herhaald verzoek van

den Britschen gezant te Brussel, een wapenstilstand toe, en de veldtocht

nam een einde.

Wederom hervatte de conferentie op 't einde van Augustus 1831 hare

beraadslagingen, die in 't midden van October tot een nieuwe schikking,

_de vier-en-twintig artikels_, voerden. Bij deze artikelen werd aan

België een deel van Luxemburg toegekend, waarvoor het een deel van

Limburg moest afstaan. Maastricht bleef aan Nederland voorbehouden. Ten

aanzien van de schuld bepaalden zij, dat België met een jaarlijksche

rente van 8,400,000 gl. zou worden belast. Reeds den 15den November

onderteekende Leopold, door de nederlagen van den tiendaagschen

veldtocht ontmoedigd, dit ontwerp-verdrag, hoewel minder gunstig voor de

Belgen dan de achttien artikels. Daarentegen weigerde Willem I de

onderteekening. Hij was van oordeel, dat nagenoeg geheel Limburg een

bestanddeel van Nederland behoorde te blijven en dat, voor 't geval dat

hij afstand deed van een gedeelte van Luxemburg, hij hiervoor nog

verdere schadeloosstelling moest bekomen. Ook omtrent de schikking

nopens de schuld kon hij niet met de conferentie instemmen. Deze

verklaring van den koning van Nederland verdroot de conferentie. Twee

der vijf mogendheden, Frankrijk en Engeland, sloten den 22sten October

1832 een overeenkomst, ten einde de noodige stappen te doen, om het

grondgebied van België door den vijand te doen ontruimen. Ten einde dit

doel te bereiken, legden zij, terwijl Willem I daarentegen gebood, de

vaartuigen der Engelsche en der Fransche natie te ontzien, embargo op de

Nederlandsche schepen en trok een Fransch leger van 90,000 man onder

maarschalk Gérard België ten tweeden male binnen. Het rukte tegen de

citadel van Antwerpen op, welker puinhoopen Chassé, na een roemrijke

verdediging van negentien dagen, bij verdrag aan den vijand overgaf. De

schout-bij-nacht Koopman (zie blz. 198), van oordeel zijnde, dat zijn

vloot niet in het verdrag was begrepen, haastte zich, ze te vernielen en

stelde zich toen met zijn manschappen ter beschikking van Gérard.

Evenals de bezetting van de citadel werd de bemanning der vloot als

krijgsgevangenen naar Frankrijk gevoerd.

Ook na dit wapenfeit der Franschen bleef de eindschikking met België nog

steeds hangende. Willem I volhardde in zijn verzet tegen den voorslag

der overmacht. Dit veroorzaakte een langdurig en zeer kostbaar bestand

(_status quo_), daar Nederland voortdurend een zeer talrijk leger op de

been moest hebben en de onzekerheid der toekomst, ofschoon het embargo

in Mei 1833 werd opgeheven, den handel van groote ondernemingen

afschrikte. Eindelijk noodzaakte de uitputting des lands den koning toe

te geven. Den 14den Maart 1838 gaf hij te kennen, dat hij de voorwaarden

der vier-en-twintig artikels inwilligde. Maar nu beweerden de Belgen

weder, vermits Nederland zoo laat toetrad en zij zelven, uit hoofde der

dreigende houding van hun tegenpartij, kosten hadden gemaakt, niet

gehouden te zijn tot betaling van een deel der renten van de schuld. Dit

verwekte nieuwe moeilijkheden, die ten laatste door _het eindverdrag_

van den 19den April 1839 uit den weg werden geruimd. Dit verdrag,

hetwelk de vier-en-twintig artikels eenigszins wijzigde, bepaalde, dat

België een afzonderlijk rijk werd; dat het aandeel van België in de

rente der staatsschuld, jaarlijks van den 1sten Januari 1839 af te

betalen, 5,000,000 gl. zou zijn; dat het Duitsche verbond en de

groothertog de westelijke helft van Luxemburg aan België afstonden; dat

België hiervoor afzag van een gedeelte van Limburg, zoodat aan Nederland

dat deel bleef, hetwelk aan den rechteroever der Maas ligt, alsmede de

stad Maastricht met het omliggend land en het gebied ten n. van een

lijn, getrokken van de zuidelijke punt van Noord-Brabant naar de Maas,

ten n. van Stevensweert. Deze streek van Limburg heette "hertogdom" en

maakte--behoudens Maastricht en Venlo, die alleen tot Nederland bleven

behooren,--van nu aan een deel uit, zoowel van het koninkrijk der

Nederlanden, als van het Duitsche verbond.

In vele opzichten bleef de verhouding van Limburg tot Duitschland zeer

vreemd. Het zond afgevaardigden naar de Staten-Generaal, maar was

verplicht troepen voor het Duitsche verbond op de been te houden en werd

ten deele door verordeningen van dat verbond geregeerd. Eerst in 1866 is

de betrekking van Limburg met Duitschland geheel verbroken. In 't jaar

1840 werd bepaald, dat Holland van nu aan in Zuid- en Noord-Holland zou

worden gesplitst, zoodat het koninkrijk der Nederlanden thans uit tien

provinciën en uit het hertogdom Limburg bestond. Één jaar vroeger was de

oudste zoon van den kroonprins (zie blz. 186) getrouwd met prinses

Sophia Frederika Mathilde, de jongste dochter van Willem I, koning van

Wurtemberg, als koningin der Nederlanden overleden in Juni 1877. Uit

dit huwelijk sproot in 1840 prins Willem, overleden Juni 1879, in 1851

prins Alexander.

Toen koning Willem I in de eerste jaren van den Belgischen opstand met

moed en volharding wederstand bood zoowel aan de eischen van België, als

aan die der conferentie te Londen, was er niemand, die hem meer steunde

en deze houding meer toejuichte, dan de Nederlandsche natie zelve.

Langzamerhand echter veranderde die stemming, toen de koning, na aan de

roepstem der eer ruimschoots te hebben voldaan, steeds hopende op eenige

wijziging in de staatkunde der groote mogendheden of op een omkeering

van zaken in Europa, er volstrekt niet toe was te bewegen, van zijn

stelsel van volharding af te wijken. En nadat het eindelijk bekend was

geworden, dat een verbazend hoog cijfer van staatsschuld de uitkomst was

der volhardende staatkunde, maakte de gehechtheid van 't volk aan zijn

vorst plaats voor wantrouwen en verkoeling. Thans deed het

Noord-Nederlandsche volk ten deele dezelfde klachten hooren, die vroeger

alleen in 't Zuiden waren geuit. Het verlangde een duidelijke

openlegging van den toestand van 's lands financiën, waarborgen tegen

misbruik van gezag, verantwoordelijkheid van 's konings ministers, in 't

kort gewichtige hervormingen in het staatsbestuur. Bij de overige

redenen van ontevredenheid kwam weldra een andere, die het misnoegen tot

den hoogsten graad deed stijgen. Men vernam, dat de koning, die sinds

1837 zijn echtgenoot (zie blz. 163) door den dood had verloren, het

voornemen koesterde, tot een tweede huwelijk over te gaan met de gravin

d'Oultremont de Wigimont, een der dames van het huis van wijlen de

koningin. Doch de gravin was een Belgische en Roomsch-katholiek. Dit was

genoeg, om de meerderheid der Nederlanders tegen het huwelijk in te

nemen.

Zooveel tegenstand verdroot den koning. Afgemat door den negenjarigen

kamp, had hij geen geneigdheid, ook zijn laatste levensjaren in een

eindelooze worsteling door te brengen. Onverwachts begaf hij zich in den

herfst van 't jaar 1840 uit 's Gravenhage naar het Loo en ontbood er

zijn zonen en kleinzonen, alsmede zijn ministers. Hun deelde hij den

7den October mede, dat hij van dat oogenblik af afstand deed van de

kroon en ze overdroeg aan den zoon, hiertoe door de grondwet aangewezen.

De daad, schier zonder eenige plechtigheid volbracht, werd nog

denzelfden dag ter kennis van 't volk gebracht. In 't volgende jaar

huwde Willem I, nu "graaf van Nassau" geheeten, de gravin d'Oultremont

en leefde vervolgens bij afwisseling te Berlijn, op zijn goederen in

Silezië en op het Loo, totdat hij den 12den December 1843 te Berlijn

overleed.

Den 28sten November 1840 werd ~WILLEM~ II in de Nieuwe kerk te Amsterdam

met groote plechtigheid ingehuldigd. Het was geen gunstige tijd, om de

regeering over Nederland te aanvaarden. De natie en de schatkist beide

waren uitgeput, en de leiders der volksmeening wezen op een doortastende

herziening der grondwet, als op het eenige middel om tot welvaart en

nationale kracht te geraken. Deze meening deelde Willem II geenszins.

Hetgeen echter de meeste moeielijkheden baarde was de toestand van 's

rijks financiën. Nadat de pogingen van een paar ministers van financiën

ter herstelling van een geregelden toestand der geldmiddelen schipbreuk

hadden geleden, droeg Willem II in September 1843 het tijdelijk bestuur

van het departement van financiën aan den minister van justitie, ~Floris

Adriaan van Hall~, op. Ten einde in alles, wat voorziening behoefde, te

voorzien, was het volstrekt noodzakelijk, zware offers van de natie te

vergen. Hiertoe toonde het volk zich in 1844 bereid door, volgens een

ontwerp van van Hall, een leening tot een bedrag van 127,000,000 gl.,

naar 3 pct. 's jaars, zoo goed als vol te teekenen. Aan het verlangen

naar een herziening der grondwet in vrijzinnigen geest werd voldaan in

't jaar 1848 te midden der volksbewegingen, die de meeste staten van

Europa op hun grondvesten deden schudden. Luxemburg kreeg in 't zelfde

jaar een nieuwe grondwet, waarbij het zijn afzonderlijke

vertegenwoordiging, die het in 1841 had bekomen, behield.

Beknopte geschiedenis van het vaderland · 第 18 / 24 段