Intusschen waren de Zuidelijke Nederlanden bestemd om het tooneel te

zijn, waar Napoleons lot en dat van Europa zouden worden beslist.

Ongeveer 160,000 man had de keizer onder de wapens. Tegenover hem

stonden twee hoofdlegers der bondgenooten: het eene uit Engelschen en

Nederlanders bestaande, onder ~den hertog van Wellington~, en het

Pruisische, door den grijzen ~Blücher~ aangevoerd, tesamen groot

nagenoeg 230,000 man. Op denzelfden 16den Juni, waarop Blücher den slag

van ~Ligny~ verloor, had de ontmoeting bij ~Quatre-Bras~ (een klein

gehucht bij een kruisweg) plaats, waar ~de prins van Oranje~ den

maarschalk Ney zegevierend terugdrong. Eindelijk werd den 18den Juni de

groote veldslag bij ~Waterloo~, een tweede Cannae, geleverd, waarin de

plotselinge verschijning eerst van het korps van Bülow en later van de

overige afdeelingen van 't leger der Pruisen onder Blücher de zege aan

de bondgenooten verzekerde. Hier bekwam de erfprins een wonde, waarvan

hij evenwel spoedig genas. Reeds vier dagen daarna was de overwonnene

geen keizer meer en sedert den 16den October een bewoner van St.

Hel[)e]na, wat hij tot zijn dood bleef.

Te midden van de voorbereidselen, allerwege voor den oorlog gemaakt,

benoemde koning ~WILLEM~ I (1815-1840, overl. 1843) een commissie, om de

grondwet van 1814 te wijzigen. Terzelfdertijd verleende hij aan zijn

oudsten zoon, den kroonprins, den titel "prins van Oranje", gelijk hij

zooeven is genoemd, hetgeen weldra de grondwet van 1815 bekrachtigde.

Het gekletter der wapenen belette de commissie niet, in Juli 1815 met

haar werk gereed zijn. Nu moest dit ontwerp aan de beide afdeelingen van

't koninkrijk ter goed- of afkeuring worden onderworpen. Voor het

Noorden was de weg hiertoe gewezen door de grondwet van 1814. Het moest

gebeuren door de Staten-Generaal, in dubbelen getale te 's Hage

beschreven. De 110 leden namen het ontwerp in Augustus bij eenparigheid

aan. In het Zuiden werd het aan een getal van 1603 notabelen ter

stemming voorgelegd. Eer deze stemming plaats had, verklaarde zich reeds

de invloedrijke Belgische geestelijkheid openlijk en sterk tegen het

ontwerp. Zij beweerde, vooral bij monde van ~Maurice Jean Magdeleine de

Broglio~, bisschop van Gent, dat geen waar katholiek een grondwet kon

bezweren, waarin het beginsel van gelijkstelling van godsdienst was

opgenomen. 't Gevolg was, dat de meerderheid van hen, die opkwamen, het

ontwerp verwierp. In weerwil van die afkeurende meerderheid in België

verklaarde de koning, welke dien uitslag had voorzien, op verschillende

gronden, dat de natie de grondwet had aangenomen.

De wijzigingen, bij deze nieuwe _grondwet_, _de zesde_, in die van 1814

gemaakt, kwamen hoofdzakelijk op de volgende punten neer: op de

opheffing van 't artikel, waarin was bepaald, dat de koning den

hervormden godsdienst moest belijden; op de instelling eener _Eerste

kamer_ van 40 tot 60 leden, door den koning voor hun leven te benoemen;

op de bepaling, dat _de Tweede kamer_ uit 110 leden zou bestaan en in 't

openbaar beraadslagen; op de bepaling, dat de landelijke stand van nu

aan werd vertegenwoordigd in de staten, der provinciën; op de toezegging

van vrijheid van drukpers; op de bepaling, dat het koninkrijk der

Nederlanden uit zeventien gewesten zou bestaan; op het artikel, houdende

dat deze grondwet ook op Luxemburg zou toepasselijk zijn, behoudens zijn

betrekking tot den bond, weshalve Luxemburg insgelijks zijn

vertegenwoordigers zond naar de Staten-Generaal. De zeventien gewesten

waren Zuid-Brabant, Limburg, Luik, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen,

Henegouwen, Namen, Antwerpen, gevoegd bij de boven (zie blz. 182)

opgetelde negen. Het dáár genoemde Brabant werd thans Noord-Brabant.

§ 36.

_Het koninkrijk der Nederlanden tot den opstand van België._

Tot de vereeniging van Nederland met België had men besloten in 't

belang van 't evenwicht van Europa. Verschillende omstandigheden,

bovenal de vrees voor Frankrijk, deden, toen men dit besluit nam, over

alle bedenkingen heenstappen. Anders zou men waarschijnlijk de

tegenwerping van het ongelijksoortige der bevolkingen, die men aan

elkander hechtte, zwaarder hebben doen wegen. Twee natiën toch werden

bijeengevoegd, van elkander verschillende in karakter, zeden en

neigingen, in godsdienst en lotgevallen, ten deele ook in taal en

belangen. Hoe uiteenloopend evenwel de beide bestanddeelen van 't

koninkrijk der Nederlanden in menig opzicht mochten zijn, dit

uiteenloopen schijnt de bewering niet te wettigen, dat de stichting van

dit koninkrijk een ondoordacht werk was. Het was niet voor de eerste

maal dat de beide volkeren onder één bewind werden vereenigd. Tegen de

bijeenvoeging van Nederland en België valt niet meer in te brengen, dan

tegen de samenstelling van alle of van de meeste van Europa's staten.

Dat onder de deugden van Willem I werkzaamheid een eerste plaats

bekleedde, toonde deze vorst in de vele jaren zijner regeering over het

koninkrijk der Nederlanden. Een der eerste wetsontwerpen, door de

Staten-Generaal aangenomen, was dat van den 29sten September 1815,

waarbij _de ridderorde van den Nederlandschen Leeuw_ werd ingesteld.

Reeds vroeger, in April van 't zelfde jaar, had _de Militaire

Willemsorde_ het aanzijn gekregen. In 1816 trad de prins van Oranje in

het huwelijk met ~Anna Paulowna~, de jongste zuster van Alexander,

keizer van Rusland. Uit dit huwelijk sproten o. a.: Willem Alexander

Paul Frederik Lodewijk, geboren in 1817; Willem Frederik Hendrik,

doorgaans prins Hendrik der Nederlanden geheeten, geboren in 1820,

tijdens zijn leven luitenant-admiraal van de vloot en 's konings

stedehouder in Luxemburg; Wilhelmina Maria Sophia Louise of prinses

Sophia, geboren in 1824, in 1842 getrouwd met Karel Alexander Augustus

Jan, sinds 1853 groothertog van Saksen-Weimar-Eisenach. Eenige jaren na

zijn broeder, 1825, trouwde 's konings tweede zoon (zie blz. 163),

~prins Frederik der Nederlanden~, met Louise Augusta Wilhelmina Amalia,

een dochter van Frederik Willem III, koning van Pruisen.

Intusschen kon de herboren staat, ook na den val van Napoleon, de wapens

nog niet geheel laten rusten. De dey van Algiers had zijn zeerooverijen,

waardoor de handel in de vorige eeuw reeds zooveel had geleden, hervat.

Daarom bombardeerden de Engelsche admiraal, lord ~Exmouth~, en de

Nederlandsche vice-admiraal, ~Theodoor Frederik baron van der Capellen~,

in Augustus 1816 de stad Algiers. De uitkomst beantwoordde aan het doel.

Toen Algiers voor de helft in puin lag en de vloot van den dey was

verbrand, ging hij op den dag na het bombardement een verdrag aan,

hetwelk de veiligheid der Middellandsche Zee herstelde en waaraan meer

dan 1000 Christenslaven hun vrijheid hadden te danken. Terzelfdertijd

geraakte het nieuwe koninkrijk in 't bezit zijner Oost- en West-Indische

koloniën, die het tot dusverre, door den oorlog op het vasteland

verhinderd, niet had kunnen overnemen.

Er verliepen, sedert 1815, weinige jaren, of de onderdanen van Willem I

hadden redenen om met hun toestand tevreden te zijn. De akkerbouw

geraakte weldra tot aanmerkelijken bloei. Vele handen bleven voor dezen

tak van bestaan beschikbaar door de bepalingen der grondwet, die

onderscheid maakten tusschen het staande leger en de nationale militie.

Het eerste bestond slechts uit vrijwilligers, de laatste deels uit

vrijwilligers, deels uit hen, welke de loting hiertoe verplichtte. De

militie evenwel kwam maar één maand in 't jaar onder de wapens. Evenals

de landbouw, deed de bergbouw belangrijke schreden voorwaarts. Niet zoo

gunstig stond het met de fabrieken en manufacturen. Hoe nadeelig de

invloed van het continentaal-stelsel in 't algemeen ook was geweest, op

't vasteland had menige fabriek er haar opkomst of meer vertier harer

voortbrengselen aan te danken gehad. Deze betrekkelijke voorspoed

verdween thans weder met de oorzaak, die hem had doen geboren worden.

Intusschen was die tijd van overgang kort. De koophandel en de zeevaart

van het koninkrijk der Nederlanden verschaften mettertijd aan de

voortbrengselen der fabrieken, welke den kwaden dag verduurden, in een

deel van Europa, en bovenal in 's lands koloniën een marktplaats.

Behalve de genoemde bedrijven, herleefden die, welke van ouds de bronnen

van Nederlands welvaart waren geweest, de handel en de zeevaart. Naast

het rijke Amsterdam en zijn mededinger Rotterdam begon Antwerpen, niet

langer door sluiting der Schelde of oorlog met Engeland belemmerd,

allengs op te komen.

Was dit alles het werk der regeering? Geenszins. Doch deze verdienste

had de regeering, dat zij de pogingen der natie in de hand zocht te

werken en zich inmiddels zelve van de plichten poogde te kwijten, welke

hare roeping haar oplegde. Aan Utrecht schonk zij een veeartsenijschool,

aan Seraing (nabij Luik, aan de Maas) een zeer groote fabriek voor

machines, die met de beste van dien aard kon wedijveren, welke Engeland

bezat. Van haar menschlievendheid gaf de regeering een in 't oog vallend

blijk door in 1818, op 't voorbeeld van Engeland, den slavenhandel af

te schaffen. Ter bevordering van de gemeenschap, die het vervoer van de

voortbrengselen der nijverheid zoozeer vereenvoudigt, liet koning Willem

I zich inzonderheid veel gelegen liggen aan de verbetering der groote

wegen. Het waren meestal straatwegen, die door zijn toedoen werden

aangelegd; maar onder zijn bewind werd ook _de_ eerste _spoorweg_ in

Nederland, die van Haarlem naar Amsterdam, den 24sten September 1839

voor het publiek geopend.

Vooral hield Willem zich ijverig bezig met het scheppen of bevorderen

van binnenlandsche waterwegen. In dergelijke ondernemingen stelde hij

zooveel belang, dat hij er persoonlijk uit eigen middelen deel aan nam.

Kort na zijn komst in het vaderland liet hij de haven "het Nieuwe Diep"

(ten o. van den Helder) aanleggen. Met die haven stond in verband _het_

groote _Noord-Hollandsche Kanaal_, hetwelk van het Nieuwe Diep tot

Amsterdam loopt en voor groote zeeschepen bevaarbaar is. Dit reusachtige

werk werd in 1825 voltooid. In 1830 kwam _het Apeldoornsche Kanaal_,

van Apeldoorn naar Hattem in den Ysel loopende, tot stand. Reeds

vroeger, in 1822, had men een begin gemaakt met het graven van _de

Zuid-Willemsvaart_ tusschen 's Hertogenbosch en Maastricht, een even

grootsch gewrocht, als het Noord-Hollandsche kanaal, hetwelk mede binnen

eenige jaren voor de vaart werd opengesteld. Hierdoor bekwam men een

waterweg van Maastricht tot den Helder. Onder de bijzondere personen,

die met Willem het aanleggen van kanalen als een hoofdtaak van hun leven

beschouwden, moet in de eerste plaats ~baron van Dedem~ worden genoemd

(overleden in 1851), de schepper van _de Dedemsvaart_, welke, van

Hasselt uit, het geheele Noorden van Overijsel, van 't W. naar 't O.,

doorsnijdt en met een tak in de Nieuwe Vecht loopt. Naast de vaarten en

kanalen waren de indijkingen en inpolderingen een der onderwerpen,

waarbij Willem gaarne zijn aandacht bepaalde en welke hij zeer

bevorderde. Vooral was het droogmaken van 't Haarlemmermeer een zijner

lievelingsplannen. De zaak, reeds zeer vaak (zie b. v. blz. 97)

overwogen, kwam in 1838 zoo ver, dat de koning een ontwerp van wet tot

droogmaking van dat meer bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal liet

indienen; maar het werd met een groote meerderheid van stemmen

verworpen.

Het waren evenwel niet alleen de dingen van stoffelijken aard, waarin de

koning belang stelde. Terecht begreep hij, dat de natie hoogere belangen

had, waarvoor hij in de eerste plaats had te waken. Van die belangen

achtte hij het onderwijs het gewichtigste. Veel heeft hij voor deze

maatschappelijke instelling gedaan. Men overdrijft niet, wanneer men

beweert, dat in België, ten tijde der samenvoeging, het lager onderwijs

zoo goed als niet bestond. Volvaardig nam Willem de taak op zich, in dit

gemis te voorzien. Hij richtte een paar normaalscholen ter opleiding van

onderwijzers en een groot aantal modelscholen op, alles ten koste van de

staatskas. Wat de koning voor het hooger-onderwijs deed, toont alleen de

vermelding, dat hij het voor het Noorden regelde bij een besluit van den

2den Augustus 1815 en voor het Zuiden bij een besluit van den 25sten

September 1816. Nu werden de Hoogescholen van Leiden, Utrecht, Groningen

en Leuven tot een nieuw leven geroepen. Te Gent en te Luik verrezen

thans voor 't eerst academiën. De hoogescholen van Harderwijk en

Franeker, thans rijks-athenaeën geworden, bleven in stand, om later, in

1817 en in 1843, te worden opgeheven. Ten behoeve van het leger en de

zeemacht schiep de koning de militaire academie te Breda en het

instituut voor de marine te Medemblik (thans te Nieuwe Diep). Een

andere van 's konings daden is de regeling der protestantsche

kerkgenootschappen sedert in 1816. Meer moeite dan met deze regeling had

de regeering van Willem I met de wetgeving. Het duurde tot den 1sten

October 1838, eer de Fransche wetten verdrongen en de nieuwe

Nederlandsche wetgeving werd ingevoerd.

Nog is niet alles aangeroerd. Willem, die steeds van oordeel was, dat,

zoolang er nog iets overbleef te verrichten, niets was verricht, was

steeds ijverig in de weer, om armoede te weren en tot werkzaamheid op te

wekken. Te dien einde riep hij in 1821 _de Maatschappij van

weldadigheid_ in 't leven, die de landbouwende koloniën Frederiksoord en

Willemsoord (in 't z.w. van Drente, ten z.w. van Vledder), benevens de

bedelaarsgestichten Veenhuizen (in 't n.w. van Drente, ten z.w. van

Norg) en Ommerschans (in 't n. van Overijsel, ten n.o. van Zwol)

stichtte. De oprichting der eerste was meer in 't bijzonder het werk van

den luitenant-generaal ~Johannes van~ ~den Bosch~, die zich vele jaren

aan de leiding dezer kolonie geheel toewijdde. Den naam "Frederiksoord"

draagt zij naar prins Frederik, 's konings tweeden zoon (zie blz. 186),

aan wiens krachtige bescherming zij haar opkomst mede had te danken. Om

den handel en die vaart op 's lands buitenlandsche bezittingen aan te

moedigen werd in 1824 _de Nederlandsche Handelsmaatschappij_ opgericht.

Zoozeer kwijnden toen de handel, de fabrieken, de reederijen en de

scheepsbouw, dat de regeering meende te moeten voorgaan, ten einde bij

bijzondere personen den uitgedoofden zin door groote ondernemingen te

wekken. Nog steeds verkeert deze maatschappij in een zeer bloeienden

toestand.

Zooals boven (zie blz. 187) terloops is opgemerkt, duurde het tot 1816,

eer de Oost-Indische bezittingen metterdaad uit de handen van Engeland

in die van Nederland overgingen. Zij bestonden toen, behalve uit de

factorij op Desima, uit Java, de kleine Soenda-eilanden, Sum[=a]tra ten

deele, Born[=e]o ten deele, Cel[=e]bes, de Molukken, het tinrijke Banka

(ten o. van Sum[=a]tra) en de Riouwsche eilanden (tusschen Malakka en

Banka gelegen). Ook behoorde destijds nog tot het gebied van Nederland

Malakka (zie blz. 99), hetwelk echter in 1824 bij verdrag aan Engeland

kwam tegen den afstand van al hetgeen dit rijk op Sum[=a]tra bezat,

alsmede van Billiton, dat, evenals Banka, veel tin voortbrengt en in de

nabijheid van dit eiland ligt. Terwijl Daendels (zie blz. 177) werd

afgezonden, om als gouverneur-generaal het bewind over de kust van

Guin[=e]a op zich te nemen, waar hij weldra stierf, benoemde de koning

tot eersten gouverneur-generaal der Oost-Indische bezittingen van het

koninkrijk ~Godard Alexander Gerard Philips baron van der Capellen~.

Vele waren de moeielijkheden, waarmede hij had te worstelen. Bovenal

gevaarlijk voor het Nederlandsche gezag was de opstand van ~Diepo

Negoro~, voogd van den minderjarigen sultan van Djokjokarta (zie blz.

143), in 1826, wien het Nederlands krijgsmacht eerst in 1830 gelukte

machtig te worden en alzoo den oorlog te eindigen.

In 1830 werd, na een kort tusschenbestuur, ~Johannes van den Bosch~ de

opvolger van van der Capellen, die reeds eenigen tijd tevoren was

teruggeroepen. Het was van der Capellen niet gelukt, aan het moederland

rijke _baten_ uit Oost-Indië te verschaffen, en toch behoefden 's lands

financiën dringend een dusdanigen steun. Naar de meening van den

nieuwen gouverneur-generaal moesten deze bezittingen veel meer

opbrengen. Daarom voerde hij, aanvankelijk alleen op Java, een nieuw

_cultuurstelsel_ in, hetwelk de regeering in staat stelde, spoedig en

vele Indische voortbrengselen te ontvangen en te gelde te maken. Het

mocht van den Bosch gebeuren te ervaren, dat het cultuurstelsel voldeed

aan de verwachting, die hij ervan had gekoesterd. Tot 1833 bleef hij aan

't hoofd van 't bestuur in Oost-Indië. Toen keerde hij naar het

vaderland terug en stierf er later, door den koning tot den gravenstand

verheven, als graaf van den Bosch in 1844. Zijn opvolgers hielden wel de

hand aan het cultuurstelsel, maar wijzigden het in menig opzicht.

Groot waren de moeilijkheden, waarmede Willem I uit den aard der zaak

had te worstelen, als vorst van een rijk, waarin alle takken van bestuur

geheel moesten worden geregeld. Doch de grootste zwarigheden berokkende

den koning, van het begin af, de samenvoeging der beide, in 't oog der

Belgische geestelijkheid onvereenigbare bestanddeelen des rijks. Deze

geestelijkheid, oordeelende, dat de Roomsch katholieke kerk slechts

gedoogd, in plaats van, zooals het behoorde, heerschende kerk werd,

poogde eerst de grondwet te doen verwerpen en, toen dit haar invoering

niet belette, den eed op die grondwet te verbieden. Hierin slaagde zij,

zoo niet geheel, althans inzoover, dat de koning er wellicht door werd

genoopt, aan de leden der Staten-Generaal te veroorloven, bij den eed

zoodanig voorbehoud te nemen, als het geweten hun voorschreef. Van dit

oogenblik af was zij voortdurend in de weer, om de regeering van Willem

I hinderpalen in den weg te leggen, en aan stof en gelegenheid tot

tegenkanting ontbrak het niet. Een zeer gevaarlijk en aanzienlijk

tegenstander der regeering was de Broglio (zie blz. 184). Met de overige

Belgische bisschoppen gaf hij een geschrift in 't licht over den eed op

de grondwet, waarin (zie t. a. p.) de katholieken tegen het afleggen van

dien eed werden gewaarschuwd. Hierom, alsmede uit hoofde van

ongeoorloofde briefwisseling met den paus veroordeelde het gerechtshof

te Brussel hem in 1817 tot deportatie, d. i. tot gedwongen verblijf in

een oord van ballingschap. De bisschop was gevlucht. Alzoo werd het

vonnis bij verstek gewezen en moest op onteerende wijze ter kennis van

het volk worden gebracht. Hoe rechtvaardig ook dit vonnis moge zijn, het

was een ongelukkige greep, dat men voor die kennisgeving een dag

uitkoos, waarop twee zware misdadigers, tot dwangarbeid voor hun leven

veroordeeld, te pronk stonden. Zóó werd de naam van den bisschop, in

groote letters aan een paal op het schavot gehecht, tegelijk met de

beide booswichten tentoongesteld.

Veel aanstoot gaf een koninklijk besluit van het jaar 1819, houdende

dat, te beginnen met 1823, in de provinciën Limburg, Oost- en

West-Vlaanderen, Antwerpen en Zuid-Brabant de Nederlandsche taal voor de

bij uitsluiting geldende in openbare aangelegenheden werd verklaard.

Ofschoon in de genoemde gewesten het Nederduitsch de taal des volks was,

maakte het besluit daarom een ongunstigen indruk, omdat de hoogere

standen zich dagelijks van het Fransch bedienden. Een andere grieve der

Belgen was, dat nog geen vijfde deel van de officieren van het leger tot

hun natie behoorde. Zij bedachten evenwel niet, dat dit ten deele

hieruit voortkwam, dat in de eerste jaren van 't bestaan van 't rijk het

getal der Nederlandsche officieren, die hun diensten aan den koning

aanboden, veel grooter was, dan dat der Belgen, en dat deze verhouding

langen tijd ongeveer dezelfde moest blijven. Eindelijk beklaagden de

Belgen zich erover, dat de schuldenlast van Noord-Nederland voor de

helft op het Zuiden was overgebracht. Geenszins overwogen zij, dat

tegenover den schuldenlast groote voordeelen stonden, die zij krachtens

de vereeniging deelachtig, werden, als de zeemacht en de rijke koloniën.

Doch geen dezer grieven woog in 't oog der Belgen zelven zwaarder, geen

maatregel der regeering wekte meer hun verbittering, dan 's konings

besluiten aangaande het onderwijs, bij hen vooral zoo nauw verwant aan

den godsdienst, en inzonderheid dat nopens het collegium philosophicum.

Ten einde het voorbereidend onderwijs, inzonderheid van de jonge lieden,

die zich aan den geestelijken stand wijdden, aan de kleine seminariën of

kweekscholen der over 't geheel niet zeer verlichte geestelijken te

onttrekken, riep de koning, bij besluit van den 14den Juni 1825, ter

vervanging dier scholen, _het collegium philosophicum_ in 't leven. Het

werd te Leuven gevestigd. Twee jaren na de opening mochten geen anderen,

dan die hun voorbereidende studiën in het collegium hadden volbracht,

als priester worden gewijd. Gelijk een donderslag klonk de mare van dit

besluit den geestelijken in de ooren. Vele ouders trachtten het te

ontwijken door hun kinderen buiten 's lands te laten onderwijzen; maar

ook dit werd tegengegaan. Hevig was de afkeer, dien de meerderheid der

inwoners uit het Zuiden tegen het collegium bleef koesteren.

Een van de onmiddellijke gevolgen van 's konings besluit was de

aaneensluiting en verbroedering van twee partijen in België, welke tot

dusverre tegenover elkander hadden gestaan. Behalve die der

geestelijken, waartoe ook vele adellijken behoorden, was n.l.

langzamerhand, van een geheel ander standpunt uitgaande, een tweede

gekomen, die in vele opzichten Franschgezind was en zich "de liberale"

of "vrijzinnige" noemde. Zij wenschte geheele vrijheid van onderwijs en

drukpers. Om in haar streven des te beter te slagen, vereenigde zij zich

met de partij der ijverige katholieken. Van dit oogenblik af, d. i.

sedert het einde van 1828, begonnen zich de voorboden te vertoonen van

een geregeld verzet tegen de regeering, blijkbaar in het indienen van

een groote menigte verzoekschriften, welke in sterke bewoordingen om

opheffing der talrijke bezwaren vroegen. Van denzelfden tijd af stonden

in de Tweede Kamer de afgevaardigden uit het Noorden en die van het

Zuiden als twee vijandelijke legerbenden in volle wapenrusting tegenover

elkander geschaard. Netelig was 's konings toestand. Van den aanvang af

was het zijn streven geweest, de samensmelting tusschen de beide deelen

des rijks hoe langer hoe meer te bevorderen. Doch bij het nemen van

doortastende maatregelen schijnt hij den volksgeest niet genoeg te

hebben in 't oog gehouden en ontzien. Hoezeer de besluiten omtrent het

onderwijs en de taal in staat waren, de inniger vereeniging in de hand

te werken, zij kunnen niet worden vrijgepleit van de blaam, eenigszins

voorbarig te zijn en te zeer indruisende tegen de in België heerschende

zienswijze. Niet genoeg, meende men, hield Willem I ook in 't oog, dat,

uit den aard der zaak het tegengaan van allen invloed der Franschen op

het zuidelijke gedeelte van zijn rijk een hoofdzaak voor hem was. Het

omgekeerde had plaats, want elke tegenstander der met de richting der

katholieke geestelijkheid instemmende Bourbons (_Overzicht_, 9de druk,

blz. 234), die uit Frankrijk kwam vlieden, vond in België een

toevluchtoord en vaak hulp en steun bij het hof. Zoo stemde de koning de

regeering van Frankrijk ongunstig en werkte de unie tusschen de

Belgische geestelijken en de liberalen in de hand.

Beknopte geschiedenis van het vaderland · 第 17 / 24 段