in Nederland weder te herleven; doch wederom was de verademing kort van
duur. In Mei 1803 verklaarde Napoleon Groot-Britannië op nieuw den
oorlog. Dit rijk legde zich nu dadelijk weder op de herovering toe der
pas teruggegeven buitenlandsche bezittingen, die het allengs alle,
behalve Java en een paar andere, in zijn macht kreeg. Thans werd geheele
uitputting het lot van het fel geteisterde land. Het moest den consul
voor de door hem beraamde verovering van Engeland troepen, schepen en
millioenen leveren. Hoezeer alle krachten werden ingespannen en de
laatste penningen bijeengezocht, wat opgebracht werd voldeed niet. Aan
den vorm van 't bestuur weet Napoleon dat, waarvan de oorzaak in het
onvermogen was gelegen. Te midden dier nimmer eindigende eischen werd
Napoleon keizer (_Overzicht_, negende druk, blz. 181). Nu moest alom,
waar Frankrijks stem gold, ook de schaduw van volksregeering voor het
eenhoofdig beginsel wijken. In 't begin van 1805 verkreeg
Schimmelpenninck, de gezant der Republiek te Parijs, van Napoleon bevel,
een nieuwe grondwet op het papier te brengen, waaraan het monarchale
beginsel ten grondslag lag. Schimmelpenninck kweet zich van den last.
Het ontwerp behaagde Napoleon en werd in April door het volk
goedgekeurd. Wederom werden de zwijgenden gerekend het ontwerp te hebben
aangenomen.
Deze _derde staatsregeling_, waarvoor die van 1801 plaats maakte, stelde
~Rutger Jan Schimmelpenninck~, onder den naam _raadpensionaris_, met een
meer dan vorstelijk gezag bekleed, aan 't hoofd van het Bataafsche
gemeenebest. De wetgevende macht werd aan een _wetgevend lichaam_ van 19
leden opgedragen. Den raadpensionaris stond een _staatsraad_ van zeven
leden ter zijde. Ten opzichte van de verdeeling van 't grondgebied was
de eenige wijziging, in 't jaar 1805 ingevoerd, dat Drente van Overijsel
werd afgescheiden en als _landschap_ aan de acht departementen
toegevoegd. Zooveel hij vermocht, wendde Schimmelpenninck zijn macht
eenig ten algemeenen nutte aan, zooals dan ook de daadwerkelijke
regeling van het lager-onderwijs bij de wet van den 3den April 1806 en
het invoeren van algemeene in plaats van de vroegere provinciale
belastingen gunstig voor zijn bewind getuigen. De invoering dier
algemeene belastingen was een zeer gewichtige financiëele omwenteling.
Zij waren reeds door de unie (zie blz. 61) voorgeschreven, maar nimmer
in 't leven getreden. Groot zijn bovenal Schimmelpennincks verdiensten
omtrent het lager-onderwijs. Het algemeene volksonderwijs was een der
vruchten van de hervorming. Hierom was het opzicht over de scholen bij
de kerk, waaraan het nu werd onttrokken. Eerst door deze wet werd alom
de verbetering der scholen en van 't onderwijs krachtdadiger ter hand
genomen en doorgezet.
Maar de machtige en alles beheerschende geest van Napoleon duldde ook
deze zwakke schaduw van een onafhankelijke republiek maar kort. Een
aanleiding tot verandering werd spoedig gevonden. Zij werd gezocht in
een verzwakking van 't gezicht van den raadpensionaris. Wat de keizer
van Frankrijk wilde was weldra geen geheim meer. Zijn broeder Lodewijk
moest koning van Holland worden. Een plechtig gezantschap werd
verplicht, den keizer te Parijs te komen verzoeken om datgeen, wat
hijzelf, als zijn wil, aan Nederland opdrong. Alzoo volgde in Juni 1806
een _vierde constitutie_. ~LODEWIJK NAPOLEON~ werd _koning van Holland_
tegen erkenning van de oppermacht zijns broeders als hoofd van 't
geslacht. Hem werd een _wetgevend lichaam_ van 39, alsmede een
_staatsraad_ van 13 leden toegevoegd. Lodewijks streven was in de eerste
plaats, een Nederlander te worden. Waar hij als koning zijn eigen weg
kon bewandelen, poogde hij het goede tot stand te brengen.
Aan den derden coalitie-krijg, die inmiddels was uitgebarsten
(_Overzicht_, negende druk, blz. 182 en boven blz. 172), namen de
Nederlandsche krijgslieden in 1806 en 1807 deel. De vrede van Tilsit
(_Overzicht_, negende druk, blz. 183), welke aan dien oorlog, voorzoover
hij te land werd gevoerd, een einde maakte, vergrootte het grondgebied
van den staat, doordien Jever (thans in 't n.w. van 't groothertogdom
Oldenburg) en Oost-Friesland, tegen den vollen afstand van Vlissingen en
zijn tafel, hetwelk aan Frankrijk kwam, met Holland werden vereenigd.
Kort vóór het sluiten van dien vrede, nog in 't zelfde jaar 1807, werd
het koninkrijk in tien departementen verdeeld, waarbij Oost-Friesland
thans als elfde kwam. Hoewel de derde coalitie-oorlog niet op den bodem
van het koninkrijk Holland werd gevoerd, was hij de aanleidende oorzaak
van een noodlottig voorval, waardoor de stad Leiden werd getroffen. Op
den 12den Januari 1807 sprong een schip, met veel kruit geladen, dat op
zijn doorvaart naar Delft de stad aandeed. Na de uitbarsting lag een van
de fraaiste gedeelten van Leiden, het Rapenburg, in puinhoopen. Meer dan
twee honderd huizen werden omvergeworpen, honderden bovendien
beschadigd. Te midden der algemeene ontzetting, eenige uren nadat men
den schok te 's Gravenhage had gevoeld, kwam de koning op de plaats
zelve van 't ongeluk, om in persoon op alles orde te stellen. Vele
bleven door de tijdig aangebrachte hulp behouden, ofschoon het getal van
hen, die het leven verloren, nog 152 beliep.
Hoe erg ook, het ongeluk van 't jaar 1807 was tijdelijk. Anders was het
gelegen met die rampen, welke een gevolg waren van de onverbreekbare
keten, welke het koninkrijk Holland aan Frankrijk verbond. Wrevelig over
de nederlaag bij Trafalgar (_Overzicht_, negende druk, blz. 183),
verordende Napoleon in 1806 _het continentaal-stelsel_, d. i. de
uitsluiting der Engelschen van het vasteland, waardoor hij allen handel
met Groot-Britannië verbood en al wat Engelsch was voor goeden buit
verklaarde. Het besluit werd in de eerstvolgende jaren nog verscherpt
door andere verordeningen, waarin de keizer o. a. het openlijk
verbranden van alle Engelsche waren in de van hem afhankelijke staten
gelastte. Voor Nederlands handel, in zoover er nog eenige handel was,
werd het continentaal-stelsel de doodsteek.
Het was, alsof het Nederland was voorbehouden, de maat te zien
volgemeten van alle soorten van onheilen, die een land kunnen treffen.
Er ontbrak nog maar een inval aan op het grondgebied van 't koninkrijk,
en die inval kwam. Ten einde de heerschappij ter zee te beter te kunnen
handhaven, achtte Engeland het geraden, Walcheren in bezit te nemen en
Vlissingens alsmede Antwerpens werven en arsenalen te verwoesten. Tegen
't eind van Juli 1809 stak een vloot in zee, de grootste, die Engelands
havens immer had verlaten. Binnen weinige dagen waren Walcheren,
Schouwen en Duiveland in handen van den vijand. Inmiddels verzuimden de
Engelschen Antwerpen aan te tasten, terwijl een talrijk Fransch leger,
zich bij het Nederlandsche voegende, niet ophield de Engelschen te
bestoken. Meer nadeel nog brachten hun de Zeeuwsche koortsen toe. In 't
kort, het doel der landing, aanvankelijk geslaagd, werd niet bereikt,
zoodat de vijand op het einde van 't jaar Zeeland weder ontruimde. De
onderneming, met zooveel ophef aangekondigd, liep teniet, evenals in
1799.
Reeds sinds lang was Napoleon verbitterd op zijn broeder Lodewijk. Hij,
het maaksel zijner hand, matigde zich aan, als zelfstandig vorst te
willen regeeren. Dit streed geheelenal met de bedoeling zijn broeders,
die Holland alleen een eigen bestaan veroorloofde, onder voorwaarde dat
het zich metterdaad als een Fransch wingewest liet behandelen.
Voorloopig liet Napoleon zich in Maart 1810 nog tevreden stellen met een
verdrag, bij hetwelk geheel Zeeland, Brabant, een gedeelte van
Gelderland en een klein deel van Holland aan Frankrijk kwamen, zoodat de
Waal de grens van 't koninkrijk in 't z.o. werd. Maar Lodewijk bleef van
een onafhankelijk koningschap droomen en den sluikhandel met Engeland
gedoogen. Van zijn kant toonde Napoleon duidelijk, wat hij in het schild
voerde, door nieuwe troepen te zenden, die in last hadden, de hoofdstad
te bezetten, en tolbeambten (_douaniers_), ten einde den sluikhandel te
weren. De koning sprak ervan, Amsterdam tot het uiterste te verdedigen.
De gansche natie wilde hij te wapen roepen. Doch zijn ministers
beweerden, dat zoodanige kamp onmogelijk was. Zoo bleef hem niets anders
over, dan afstand te doen van de kroon ten behoeve van zijn tweeden,
toen oudsten zoon, Lodewijk Napoleon, onder regentschap der koningin
Hortensia. Uit vrees van door de handlangers des keizers te worden
belemmerd, verliet Lodewijk in den nacht van den 1sten Juli 1810
heimelijk het paviljoen bij Haarlem, waar hij toen vertoefde, en begaf
zich naar Bohemen. Het land, waarover hij vier jaren had geregeerd, zag
hij nimmer weder, ofschoon hij nog tot het jaar 1846 leefde. Op zware
sommen was zijn bewind het volk te staan gekomen. Daarentegen was voor
alles, wat den waterstaat betreft, voor dijken en wegen veel gedaan.
Onder de ministers, van wier diensten de koning een tijdlang gebruik
maakte, waren mannen van erkende bekwaamheid, b. v. de admiraal ~Karel
Hendrik Verhuell~ voor de marine, ~van Maanen~ voor de justitie.
Het laatste punt, waarop, als op een voorwerp der werkdadige
belangstelling van koning Lodewijk, de aandacht moet worden gevestigd,
zijn de koloniën (zie blz. 165, 166, 168). Bij de grondwet van 1798 was
bepaald, dat de Bataafsche Republiek alle bezittingen der gewezen
Oost-Indische compagnie en haar schulden tot zich nam. Het oppergezag
kwam aan het uitvoerend bewind (zie blz. 169), in 1801 aan het
staatsbewind (zie blz. 171). Het bestuur werd in handen gesteld van _den
raad der Aziatische bezittingen_. Terzelfdertijd werd dat van West-Indië
opgedragen aan den _raad der Amerikaansche koloniën_. Lodewijk, den
troon hebbende beklommen, was van oordeel, dat in de Oost-Indische
bezittingen een doortastende hervorming moest plaats grijpen. Te dien
einde benoemde hij in Januari 1807 ~Daendels~ (zie blz. 164, 170) tot
gouverneur-generaal van Indië. Als een tweede Napoleon bracht hij in het
bestuur der volkplantingen een geheele omkeering teweeg, weshalve hij
door den een als een ware hervormer, door den ander als een willekeurig
man en een vriend van harde maatregelen wordt voorgesteld. Het laatste
is voorzeker niet volstrekt te loochenen. Maar onbetwistbaar is het, dat
onder zijn bewind meer dan één wezenlijke verbetering tot stand kwam.
§ 35.
_Nederland bij het keizerrijk ingelijfd.--Het herkrijgt zijn
onafhankelijkheid._
Het koninkrijk Holland verkreeg de regeering niet, die Lodewijk het had
toegedacht. Volgens besluit van den 9den Juli 1810 werd het bij
Frankrijk ingelijfd. ~Charles François Lebrun, hertog van Plaisance~ (d.
i. Piacenza, het oude Placentia, in 't n. van Italië), kwam als
_luitenant-generaal_ of _algemeen stedehouder_ in de Nederlanden.
Amsterdam werd, na Parijs en Rome, verklaard de derde stad van het
keizerrijk te zijn. _Het code Napoleon_, d. i. wetboek Napoleon, werd
ingevoerd. Een der artikels van 't besluit stelde een staatsbankroet
vast. De renten der publieke schuld zouden niet verder onder de lasten
worden gebracht, dan voor een derde; zij werden _getierceerd_. De
vroegere departementen werden nu Fransche departementen met _prefecten_
tot bestuurders. Hunne namen waren b. v.: Zuiderzee (d. i. ongeveer het
voormalige Noorderkwartier van Holland en Utrecht), Bouches de l'
Escaut, d. i. Monden van de Schelde (Zeeland), Ems-Occidental, d. i.
Wester-Eems (Groningen en Drente). De burgemeesters werden van nu aan
_maires_.
In 1811 werd _de conscriptie_ of gedwongen krijgsdienst ingevoerd. Elk
jongeling, den ouderdom van twintig jaren hebbende bereikt, moest zich
laten inschrijven. De regeering stelde het aantal vast, hetwelk telkens
werd vereischt, en hierop gingen de ingeschrevenen tot de loting over.
Ontslagen werd geen soldaat, tenzij ongeschikt voor den dienst. Al
dadelijk werd de conscriptie hierdoor verzwaard, dat, bij wijze van
terugwerking, het besluit ook werd uitgestrekt tot de laatste drie
jaren, en zij, die reeds drie-en-twintig jaren telden, eveneens werden
opgeroepen. Op de harde besluiten nopens de conscriptie volgde een harde
uitvoering. Vooral maakte zich de prefect van het departement der
Zuiderzee, ~de Celles~, door dergelijke handelwijze berucht. Tegen het
misbruik der drukpers meende het Fransche bewind met een bijzonderen
ijver te moeten waken. De censuur, die nauwlettend toezag, verbande alle
vrijheid van schrijven. Het spreekt vanzelf, dat ten aanzien van het
continentaal-stelsel alle oogluiking nu ophield. Te Rotterdam, te
Groningen en elders zag men, gelijk te Venetië en te Leipzig, dat
plechtig en in 't openbaar verbranden van al wat Engelsch fabriekgoed
was, somtijds voor een waarde van een half millioen gl. Geen
Oost-Indiëvaarders vielen onze havens meer binnen. Ongehoord werd de
prijs der koloniale voortbrengselen. Rijtuigen en dienstboden werden
bijna alom afgeschaft, buitengoederen voor spotprijzen verkocht. De
bevolking van Amsterdam nam bij duizenden af.
Er is meer. De belastingen drukten den landzaat, die geenszins, gelijk
tevoren, in ruime verdiensten de middelen vond om ze te betalen. De
handel in tabak werd een alleenhandel of _monopolie_ van den staat. Een
argwanende en strenge politie beperkte zeer de vrijheid van spreken,
want ook in besloten kringen was het zaak, nauwkeurig rond te zien, of
zij er ook haar verspieders had. Het openbare onderwijs werd naar dat
der Franschen verwrongen. Predikanten en onderwijzers ontvingen een
tijdlang geen bezoldiging. Taal en letterkunde dreigde een volkomen
verval. Ook de hoogescholen moesten het ontgelden. Slechts Leiden en
Groningen bleven in wezen; de overige, zoo zij niet werden opgeheven,
werden hoogescholen van den tweeden rang en geraakten aan 't kwijnen.
Bij dit alles kwam eindelijk het geheele verlies der koloniën. Nog in
1811 veroverden de Engelschen Java en de overige volkplantingen. Alleen
op Desima (zie blz. 99) bleef de Nederlandsche vlag waaien. Zóó was 's
lands toestand in de jaren der Fransche overheersching. Na den
rampspoedigen overtocht over de Berez[=i]na (_Overzicht_, negende druk,
blz. 184) kwam er bij de vele plagen nog een nieuwe. Napoleon stelde _de
garde d'honneur_ of eerewacht te paard in. Zij moest strekken, om, bij
verzet of opstand, den keizer een genoegzaam aantal gijzelaars in handen
te stellen. Het werd als een gunst voorgesteld, in deze lijfwacht te
worden opgenomen. Daar ieder de kosten zijner eigen uitrusting moest
dragen, trof de maatregel de aanzienlijkste ingezetenen het meest.
Het kwade, dat de inlijving in Frankrijk aan Nederland heeft gebracht,
is vaak opgeteekend. Naar evenredigheid is niet zoozeer gewezen op de,
hoewel minder in 't oog vallende, lichtzijde dier inlijving, die echter
niet geheel ontbreekt. De inlijving leverde dit groote voordeel op, dat
zij Nederland op eens een stelsel van algemeene wetgeving deed
deelachtig worden, hetwelk het uit zichzelf niet zoo spoedig, wellicht
nimmer, had verkregen. De staatkundige en rechts-organisatie, toen ons
land geschonken, oefende een beslissenden en duurzamen invloed op den
later herboren staat.
Intusschen deed de tocht naar Rusland eenige uitstekende Nederlanders
denken, dat het niet meer tot het gebied der onmogelijkheden behoefde te
behooren, het vaderland eens van de overheersching der Franschen te
bevrijden. Zóó dachten ~Johan Melchior Kemper~, hoogleeraar in de
rechten te Leiden, en ~Anton Reinhard Falck~. Zij kwamen met elkander
overeen, naar vermogen partij te trekken van de veranderde
tijdsomstandigheden ter herstelling van de nationale onafhankelijkheid.
Terzelfdertijd begonnen ~Gijsbert Karel van Hogendorp~, een kleinzoon
van O. Z. van Haren (zie blz. 167), ~van der Duyn van Maasdam~, ~de
graaf van Limburg-Stirum~ en drie andere mannen te 's Gravenhage
veelvuldige geheime bijeenkomsten te houden. De staatkundige beginselen,
die èn de eerstgenoemden èn de laatsten zich voornamen als richtsnoer
te volgen en bij anderen zooveel mogelijk aan te kweeken, waren: een
getemperde oppermacht van het huis van Oranje-Nassau en vernietiging der
oude partijschappen. Hoewel in geen onmiddellijke betrekking tot het
Haagsche zestal staande, waren Kemper en Falck toch niet onbekend met
hetgeen dat zestal wilde.
Middelerwijl schreed Napoleon op zijn loopbaan voort. Op de rampen van
den tocht naar Rusland volgde de slag bij Leipzig. Nu meenden de
Haagsche bondgenooten een stap verder te kunnen gaan en zich van de
medewerking van een aantal lieden uit de gezeten standen der
maatschappij te moeten verzekeren. Tot dergelijke voorbereidende
maatregelen beperkte men zich vooreerst: het uur om te handelen scheen
nog niet aangebroken. Anders dacht er het volk te Amsterdam over. Op de
nadering der Pruisen en der Russen verlieten de Fransche ambtenaren
inderhaast de steden, in 't n.o. van ons land gelegen. Den 14den
November 1813 ontruimden de Fransche troepen Amsterdam, om weldra door
den gouverneur-generaal te worden gevolgd, en begaven zich naar Utrecht.
Op den avond van den 15den geraakte de bevolking van Amsterdam op de
been en stak de wachthuizen der Fransche tolbeambten in brand. De rust
werd eerst hersteld, toen, op verzoek van de officieren der schutterij,
een zeker aantal der aanzienlijkste ingezetenen het bestuur der stad
voorloopig op zich nam. De ziel van alles, wat hier gebeurde, was A. R.
Falck.
Nu begrepen de Haagsche heeren, om te voorkomen, dat wellicht het volk
ook tot oproer en geweld mocht overslaan, te moeten optreden. Op den
morgen van den 17den November vertoonden zich de graaf van Stirum en de
zonen van van Hogendorp in 't openbaar met de oranjekokarde op den hoed.
Het voorbeeld vond weldra bij ieder navolging. Op denzelfden dag
aanvaardde de graaf van Stirum, in naam van den prins van Oranje, de
betrekking van gouverneur van den Haag. Den 21sten November aanvaardden
~van Hogendorp~ en ~van der Duyn van Maasdam~ het hoog bewind of
_Algemeen Bestuur_ tot de komst van den prins van Oranje. Men kan niet
zeggen, dat zij, die thans als voorgangers bij den opstand optraden, in
't begin veel medewerking bij het Nederlandsche volk vonden. Amsterdam,
van de eene zijde uit Utrecht, van de andere uit Naarden bedreigd, bleef
bij de onzijdige houding volharden, die het van den beginne af had
aangenomen en die hierop neerkwam, dat men zich noch voor den prins,
noch tegen den keizer verklaarde. Den 24sten November kwam hierin een
verandering en werd ook hier de leus "Nederland en Oranje" gehuldigd. Na
langer of korter aarzeling traden Rotterdam en andere steden van Holland
toe. Terzelfdertijd werd Woerden door een deel van het Fransche
krijgsvolk, dat te Utrecht in bezetting lag, overvallen en strekte
gedurende eenige uren ter prooi aan een roof- en moordzucht, die velen
aan de tooneelen van het jaar 1672 (zie blz. 130) herinnerde.
Den 30sten November landde de prins van Oranje, de oudste zoon van
Willem V (zie blz. 172), die toen in Engeland vertoefde, hiertoe
uitgenoodigd, op den vaderlandschen bodem, te Scheveningen. Den 2den
December nam hij, te Amsterdam gekomen, _de souvereiniteit_ over deze
landen, hem aangeboden, aan, onder voorbehoud eener grondwet, zoodra
mogelijk uit te vaardigen. Middelerwijl volgden de andere gewesten,
naarmate de Franschen ze ontruimden, het sein, door Holland gegeven.
Voorzoover Zeeland zichzelf niet had bevrijd, deden de Engelschen het in
1814. In Gelderland, Overijsel, Groningen en Friesland deden het Bülow
(_Overzicht_, negende druk, blz. 185) en de kozakken vóór of na dit
tijdstip. Maanden duurde het intusschen, eer het geheele land door de
Franschen werd ontruimd. In 't begin van 1814 waren nog een aantal
sterke punten in handen van den vijand. In Mei werd de kroon op het werk
der bevrijding gezet. Den 4den dier maand had de ontruiming van het
sterke den Helder plaats. Verhuell (zie blz. 176), onverzettelijk
vasthoudende aan den eed, eenmaal aan Napoleon gezworen, weigerde
standvastig het over te geven en week eerst op een bevel van Lodewijk
XVIII (_Overzicht_, negende druk, blz. 186). Het laatste punt, dat de
Nederlanders herwonnen, was Delfzijl. Toen het den 23sten Mei in naam
van den souvereinen vorst in bezit werd genomen, was de gansche bodem
van Nederland aan de Franschen ontrukt.
Aleer die gelukkige uitkomst was verkregen, had de prins het bewind, hem
door de natie opgedragen, aanvaard met het nemen dier maatregelen,
welke de tijdsomstandigheden in de eerste plaats vorderden. Zij
betroffen de krijgsmacht en de financiëele aangelegenheden, want er was
noch geld, noch leger. Hierop maakte de vorst een begin met het
vervullen der voorwaarde, waaronder hij de oppermacht had aanvaard. Den
21sten December benoemde hij een commissie ter samenstelling eener
grondwet. Haar werd aanbevolen, de schets, door van Hogendorp in de
dagen der verdrukking, nog vóór den tocht naar Rusland, opgesteld, tot
leiddraad harer beraadslagingen te nemen. De commissie achtte dit
geraden en verkoos ~van Hogendorp~ tot voorzitter. Het hoofddoel dezer
schets was, zonder onnoodige veranderingen de gebreken van den
voormaligen toestand der Republiek te verbeteren. Door sommige zijner
medeleden in de commissie werd van Hogendorp evenwel genoopt, ook met
veel, dat geheel nieuw was, in te stemmen. Den 2den Maart 1814 was het
ontwerp der grondwet gereed. Nu moest het aan het oordeel van het
Nederlandsche volk worden onderworpen. Te dien einde werd een lijst van
600 _notabelen_ opgemaakt, d. i. van mannen, zich onderscheidende door
deugd, bekwaamheden, geboorte, vermogen of ambtsbetrekkingen. Van de 600
verschenen den 29sten Maart 474 in de Nieuwe kerk te Amsterdam. Een
overgroote meerderheid verklaarde zich ten gunste van de grondwet,
zoodat zij binnen het tijdbestek van eenige uren verbindende kracht
verkreeg. Den 30sten Maart was dezelfde Nieuwe kerk getuige van 's
vorsten inhuldiging.
_De_ nieuwe _grondwet_,--een naam, die den vroegeren van
"staatsregeling" of "constitutie" verving, _de vijfde_ regeling na 1795,
erkende, als hoofdbeginselen, vrijheid van godsdienst, aller gelijkheid
voor de wet en de onafhankelijkheid der rechterlijke macht. De verdere
inhoud komt hoofdzakelijk hierop neer. Er zijn negen provinciën:
Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland, Overijsel, Drente, Groningen,
Friesland en Brabant. Tot Holland behooren de eilanden Texel, Vlieland,
Terschelling, Wieringen, Urk en Marken; tot Overijsel Schokland; tot
Friesland Ameland en Schiermonnikoog; tot Groningen Rottum. Er is één
kamer van volksvertegenwoordigers, bestaande uit 55 leden, door de
staten der provinciën te benoemen en drie jaren zitting hebbende. De
leden der Staten-Generaal stemmen zonder last van de provinciale
staten, die hen kiezen, en zonder eenige ruggespraak met hen. De
provinciale staten zullen worden samengesteld uit leden der ridderschap
en van de stedelijke raden. Deze leden worden gekozen door kiezers, te
nemen uit hen, die de hoogste belastingen betalen. De provinciale staten
hebben geen deel aan de oppermacht en beheeren de aangelegenheden van
hun gewest. Voorzitters dier staten zijn, als 's vorsten commissarissen,
de gouverneurs in de verschillende gewesten. Aan alle godsdiensten wordt
gelijke bescherming toegezegd. Die van den vorst is de hervormde. In
elke provincie is een gerechtshof, en bovendien, is er één hooge raad
voor 't geheele rijk.
In Augustus 1814 herkreeg Nederland bij een verdrag, met Engeland
gesloten, de volkplantingen, welke het op den 1sten Januari 1803 had
bezeten, met uitzondering van de Kaap de goede hoop, Demerary,
Essequ[=i]bo en Berbice. Terwijl intusschen het congres van Weenen
(_Overzicht_, negende druk, blz. 186) zoo over andere punten, als over
de vereeniging van Nederland met België beraadslaagde, landde Napoleon
den 1sten Maart 1815 bij Cannes, en het tijdperk van de regeering der
honderd dagen nam een aanvang. Den 16den Maart maakte de souvereine
vorst aan de Staten-Generaal en aan het gansche volk bekend, dat hij de
koninklijke waardigheid over Noord- en Zuid-Nederland, alsmede over Luik
aanvaardde. Willems verklaring werd weldra door het congres bekrachtigd.
Vier van de hoofdmogendheden van dit congres, Engeland, Oostenrijk,
Rusland en Pruisen, sloten met den koning verdragen, waarbij het nieuwe
koninkrijk der Nederlanden werd opgericht. Omtrent Luxemburg stelden
deze verdragen vast, dat het, als _groothertogdom_, aan Willem werd
afgestaan, die van zijn kant afstand deed van de Nassausche
vorstendommen (zie blz. 49 en 147), alsmede van hetgeen men in 1803 aan
zijn huis had toegekend (zie blz. 172). Luxemburg bleef tevens een der
staten van den Duitschen bond uitmaken.