In een oogwenk was de omwenteling voltrokken. Binnen den kortst

mogelijken tijd gaf men aan alles de vorige gedaante terug. De

stadhouder werd door de staten der verschillende gewesten verzocht,

zooals bij de vorige omwenteling steeds het geval was geweest, in de

steden de wet te verzetten. Raadpensionaris werd in 1787 ~Laurens Pieter

van de Spiegel~. Hij was een groot staatsman, die een uitstekende kennis

bezat van staatsrecht en geschiedenis, tevens zeer ervaren in het

financiewezen. Fel was de wraak, welke de zegevierende partij zich op

vele plaatsen tegen de patriotten veroorloofde. In menige stad waren de

Pruisen bereidvaardige dienaars dier wraakoefeningen. De patriotten

werden in hun persoon aangerand, in hun goederen en bezittingen

benadeeld. Niets was er evenwel, dat een volkomen verzoening meer in den

weg stond, dan de wijze, waarop een _amnestie_, d. i. algemeene

vergetelheid en vergiffenis, werd uitgevaardigd. In sommige provinciën

kondigde men er een af, maar met zoovele uitzonderingen, dat zij dien

naam niet verdiende. Hiervan was het gevolg, dat de reeks der reeds

uitgeweken patriotten nog werd vermeerderd met een groot getal van hen,

die door een rechterlijk vonnis werden getroffen of die zich, ook zonder

dat, niet veilig rekenden. Duizenden bedroeg het cijfer van hen, die het

vaderland verlieten en zich, voor een goed deel, in de Zuidelijke

Nederlanden en in Frankrijk vestigden.

§ 33.

_De val der Republiek.--Blik op den toestand des lands._

Eerst in 1788 verlieten de Pruisen, met een vrij grooten buit beladen,

de Nederlanden. Op allerlei wijze zocht men den nu herstelden

regeeringsvorm voor de stormen des tijds te beveiligen. Zoo sloot de

republiek in 1788 een verdedigend verbond met Engeland en met Pruisen,

waarbij deze mogendheden het erfstadhouderschap waarborgden. Het ontbrak

thans niet aan blijken, die van hooge ingenomenheid met het huis van

Oranje-Nassau schenen te getuigen, zoovaak de gelegenheid zich daartoe

aanbood, inzonderheid in 1791, toen de erfprins (zie blz. 154) in het

huwelijk trad met ~Frederika Louise Wilhelmina~, een dochter van den

koning van Pruisen. Op vele plaatsen liet men het dragen der

Oranje-versierselen niet aan de inspraak van 't gemoed der burgers over,

maar werd zelfs het bevel hiertoe uitgevaardigd. Uit 's prinsen huwelijk

sproten in 1792 Willem Frederik George Lodewijk, in 1797 Willem Frederik

Karel, in 1809 Marianne.

Desniettemin bleek het welhaast, dat er niets anders was voorgevallen,

dan dat een vreemde mogendheid de stadhoudersgezinden had doen

zegevieren en dat deze zegepraal de verbanning der patriotten ten

gevolge had gehad. De rust--het is waar--was, doch met geweld, hersteld,

niet de eendracht. Bij den omkeer der zaken had men geenszins vergeten

en vergeven. Tweespalt en partijschap bleven voortwoelen. Vruchteloos

poogde van de Spiegel de Republiek op te beuren. De gebreken in 't

staatsbestuur waren vele; zij waren verouderd. Slechts in 't

financiewezen was het hem mogelijk, eenige hervormingen in te voeren.

Hevig was de schok, dien de omwenteling in een naburig land, in

Frankrijk, uitgebarsten (_Overzicht_, negende druk, blz. 174 vlg.), aan

de Republiek gaf, duurzaam de gevolgen van dien schok. Een tijdlang

slaagde van de Spiegel erin, de Republiek onzijdig te doen blijven,

zelfs sedert April 1792, toen Frankrijk reeds in oorlog was met Pruisen

en met Oostenrijk en zijn legerbenden alreede naar de Zuidelijke

Nederlanden had gezonden. Van hun zijde spaarden de patriotten, die

zich in Frankrijk ophielden, geen poging, om de nationale conventie (zie

_Overzicht_, negende druk, blz. 177), die alle vorsten voor haar

natuurlijke vijanden verklaarde, te nopen, haar beginselen op de

Nederlandsche Republiek te gaan toepassen. Op den 1sten Februari 1793

voldeed de conventie aan den wensch der patriotten door den oorlog te

verklaren aan den koning van Engeland en aan den stadhouder der

Vereenigde Nederlanden. Kort hierna trok Dumouriez, een Fransch

generaal, geleid door ~Herman Willem Daendels~ aan 't hoofd der

Bataafsche uitgewekenen, de grenzen van Nederland over. Doch na eenige

vestingen te hebben veroverd, moesten zij terugtrekken, en de Republiek

was nog eenmaal gered.

Maar de verademing was van korten duur. Het ééne vijandelijke leger na

het andere stroomde naar de Zuidelijke Nederlanden, die, hoewel zij

eerst bij den vrede van Campo Formio (_Overzicht_, negende druk, blz.

180) aan Frankrijk werden afgestaan, reeds sedert November 1792

metterdaad in de macht der conventie waren. Daarentegen zond de koning

van Pruisen, zijn beloften brekende, zijn soldaten niet naar de

kampplaats. Dus streden Willems zonen, de erfprins ~Willem Frederik~ en

~Frederik~, vruchteloos met moed en beleid aan 't hoofd der

Nederlandsche krijgsbenden, die een deel van 't leger der bondgenooten

uitmaakten. De slag bij Fleurus in 1794 (_Overzicht_, negende druk, blz.

178) was zoo beslissend, dat in deze oorden de Franschen thans geen

weerstand meer hadden te duchten. Toch draalden de Franschen nog een

oogenblik, eer zij verder gingen. Na den val van het schrikbewind

(_Overzicht_, negende druk, blz. 177) helde de regeering van Frankrijk

tot den vrede over. Doch Daendels en de overige patriotten spoorden

steeds tot de overkomst aan. Zoo trok dan in December 1794 en Januari

1795 de Fransche generaal ~Pichegru~, wederom door de patriotten onder

Daendels geleid, over de bevrozen rivieren en stroomen de Nederlanden

binnen. Daar de nationale conventie had verklaard, dat zij zich in geen

verdrag met de Republiek wilde inlaten, eer de stadhouder zich had

verwijderd, scheepte Willem V zich den 18den Januari met zijn gezin naar

Engeland in, waar hij tot 1800 vertoefde. Alzoo bleef de wederwerking op

hetgeen het jaar 1787 had zien gebeuren niet achter. Thans, acht jaren

na hun verbanning, keerden de patriotten terug, op hun beurt door een

vreemde mogendheid, door Frankrijk, geleid. Door haren ondergang

bezegelde de Republiek de oude spreuk, eendracht maakt macht, tweedracht

verstrooit.

Onder de vele bewijzen van de steeds toenemende verzwakking der

Republiek gedurende de 18de eeuw is het allengs meer en meer vervallen

harer zeemacht een der meest in 't oog loopende. Met het verval der

zeemacht hield dat van den handel gelijken tred. Evenals de handel,

waren de haringvisscherij en de walvischvangst langzamerhand aan het

kwijnen geraakt (zie blz. 141). Wat de Oost-Indische compagnie betreft,

zij had eveneens luisterrijker dagen gekend, dan de laatste vijftig à

zestig jaren van haar bestaan. Onder haar gouverneurs-generaal in dit

tijdperk zijn ~Adriaan Valkenier~ (1737-1741) en ~Gustaaf Willem baron

van Imhoff~ een paar van de meest beroemde. Het bewind van Valkenier

werd gekenmerkt door _den_ beruchten _moord der Sineezen_ op den 9den

October 1740 en volgende dagen. Sinds eenigen tijd hadden sommige

maatregelen van 't bewind der compagnie het wantrouwen gewekt van een

menigte te Batavia gevestigde Sineezen, die deswege naar 't gebergte en

naar de bosschen weken, den omtrek van Batavia onveilig makende. Den

8sten October hadden er in de nabijheid dier stad eenige gevechten

tusschen de Nederlanders en de Sineezen plaats, waarin de laatsten

werden verslagen. Volgens besluit nu van den raad van Indië (zie blz.

80) werd er den 9den en volgende dagen een ware bloedbruiloft gehouden

onder de Sineezen te Batavia, die men verdacht hield van verstandhouding

met hen, die buiten waren. Ruim 10,000 Sineezen vielen als de offers

dezer vreeselijke wraakneming. Kort na dien moord werd van Imhoff

gouverneur-generaal. Hij breidde het gebied der compagnie aanmerkelijk

uit (zie blz. 143), en is de stichter van _Buitenzorg_, nu het gewone

verblijf van den gouverneur-generaal.

Na van Imhoff ging de Oost-Indische compagnie steeds meer achteruit.

Vele waren de oorzaken van haren achteruitgang. Een der voornaamste is,

dat zij, reeds vóór het midden der 18de eeuw, elk jaar hare boeken met

een tekort van eenige millioenen sloot. In plaats van de uitgaven naar

evenredigheid te beperken, ging zij, die niets had uit te deelen,

desniettegenstaande met haar uitdeelingen voort. Ofschoon op een lager

bedrag neerkomende dan voorheen (zie blz. 144), beliepen die

uitdeelingen toch nog 20 tot 12-1/2 ten honderd. Eveneens ging het de

West-Indische compagnie. Reeds in de 17de eeuw (zie blz. 144) was men

begonnen, voor alle ingezetenen van den staat vrijstelling te verleenen

van de vaart op eenige dier plaatsen, waarop het vroegere octrooi (zie

blz. 88) de compagnie den alleenhandel toekende. In de 18de eeuw werd

dezelfde vergunning verleend ten opzichte van de kust van Guin[=e]a, van

Essequ[=i]bo en Demerary. Hoezeer deze maatregelen Nederlands handel in

't algemeen moeten hebben begunstigd, zij konden de nieuwe West-Indische

compagnie niet genoegzaam opbeuren.

Nederlands kerkelijke toestand onderging sedert den vrede van Munster

(zie blz. 99, 100) geen groote veranderingen. Bij de vele sekten, die

werden geduld, kwamen sinds het begin der 18de eeuw nog een paar andere:

de Jansenisten en de Herrenhutters. _De Jansenisten_ ontleenden hun naam

aan ~Cornelis Janssen~, hoogleeraar te Leuven en later bisschop te

Yperen, die in 1638 stierf. Twee jaren na zijn dood kwam een werk van

hem uit, _August[=i]nus_ getiteld, hetwelk de leer van dezen kerkvader

verklaarde. Rome verbood dit geschrift. Intusschen vonden de begrippen

van het Jansenisme bijval bij een aantal der Nederlandsche katholieken,

die aldus onderling werden verdeeld. Zij, welke die begrippen waren

toegedaan, benoemden in 1723 hun eersten aartsbisschop, wiens zetel te

Utrecht was. De _Herrenhutters_ of broedergemeente worden zoo genoemd

naar het dorp of vlek Herrnhutt (in 't z.o. van het koninkrijk Saksen,

nabij Zittau), waar zij hun eerste gemeente stichtten. Sinds 1746

vestigden de Nederlandsche Herrenhutters zich te Zeist.

In de eerste eeuw van het bestaan der Republiek werden kunsten en

wetenschappen hoog gewaardeerd, ook om haarzelven, maar vooral met het

praktische doel, om de heerschappij van Nederland over verre zeeën en

kusten uit te breiden. Al werd het praktische doel door de nazaten der

18de eeuw meer uit het oog verloren, van die zucht zelve voor

vermeerdering van kennis vervreemdden zij niet. Achtereenvolgens

verrezen talrijke genootschappen, als zoovele getuigen van den zin voor

wetenschappen, die de Nederlanders bezielde. Een ander doel dan deze

genootschappen had _de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen_, welke ~Jan

Nieuwenhuizen~, Doopsgezind leeraar te Monnikendam, in 1784 stichtte. Op

vele plaatsen verbeterde zij het Lager-Onderwijs, bevorderde een zekere

verdraagzaamheid in zaken van godsdienst en verspreidde nuttige kennis

onder alle standen der samenleving.

In de letterkunde bleef het heerschend karakter gebrek aan kracht en

oorspronkelijkheid. Zoetvloeiendheid was het hoofddoel, waarnaar de

leden der talrijke dichtergenootschappen streefden, die den lof dezer

kringen wilden verwerven. Daarom vonden zij weinig weerklank, wier

werken den stempel droegen van dichterlijken gloed en eigen talent.

Zoodanige uitzonderingen waren de gebroeders ~Willem~ en ~Onno Zwier van

Haren~, die, hoewel op 't gebied der staatkunde werkzaam, menig uur aan

de beoefening der dichtkunst wijdden. Willems hoofdwerk, een

heldendicht, verheerlijkt _Friso_, den gewaanden eersten koning der

Friezen. De jongere broeder schreef een aaneengeschakelde reeks van

lierdichten onder den titel _de Geuzen_. In breede trekken schildert dit

gedicht de daden der Nederlanders, die in den strijd tegen Spanje den

grondslag legden der onafhankelijkheid van hun vaderland.

In het proza dier dagen nemen de vriendinnen ~Elizabeth Bekker~ en

~Agatha Deken~ den eersten rang in. Elizabeth Bekker, eerst getrouwd met

den predikant Wolff, woonde en schreef, na den dood van haren

echtgenoot, tezamen met Agatha Deken. Zij waren de eersten, die werken

in 't licht gaven, welke in meer dan één opzicht den naam "Nederlandsche

romans" verdienen. Twee dier werken, _Sara Burgerhart_ en _Willem

Leevend_, werden alom gelezen. De vrije wijze, waarop de schrijfsters

hare gedachten ook over staatkundige onderwerpen uitten, deed het haar

geraden achten, in 1787 met zoovele anderen het vaderland voor een wijl

te verlaten. Een tijdgenoot dezer vriendinnen was, althans nog gedurende

een aantal jaren, ~Jan Wagenaar~, sedert 1760 eerste klerk ter

secretarie van Amsterdam en gestorven in 1773. Zijn hoofdwerk is _de

Vaderlandsche historie_, de eerste poging om de verspreide deelen van

Nederlands geschiedenis tot een groot geheel te vereenigen.

§ 34.

_De Bataafsche Republiek en het koninkrijk Holland._

Zoo was dan de oude Republiek bezweken, om plaats te maken voor een

nieuwen staat. Nauwelijks hadden zich de Fransche bajonetten vertoond,

of de oude, afgeleefde vormen bezweken vanzelven. Terwijl een deel van

's lands bevolking, door te dansen rondom de vrijheidsboomen, zijn

vreugde aan den dag legde, had er terstond een volledige omkeering in

het bewind plaats. In plaats van het voormalige bestuur der

Oost-Indische compagnie benoemde een vernieuwde vergadering der

Staten-Generaal een _comité_ (raad of afdeeling) _tot de zaken van den

Oost-Indischen handel en bezittingen_. Eveneens kwam het beheer van de

West-Indiën aan een _comité tot de zaken van de koloniën en bezittingen

in Afrika en Amerika_. Verder hadden de Staten-Generaal in de eerste

plaats 's lands betrekking tot Frankrijk te regelen. Den 16den Mei 1795

kwam het _Haagsche verdrag_ tot stand. Met 100,000,000 gl., den afstand

van Maastricht, Venlo en Staats-Vlaanderen en het toelaten van Fransche

bezetting in Vlissingen moest het vaderland den schijn van

onafhankelijkheid van Frankrijk en de erkenning als zelfstandige

mogendheid, als _Bataafsche Republiek_, betalen. Een der geheime

artikels, aan het verdrag toegevoegd, behelsde, dat het Fransche leger,

hetwelk van nu aan de bezetting dier Republiek zou uitmaken en dat niet

grooter mocht zijn dan 25,000 man, door deze Republiek zou worden

bezoldigd, gekleed en gevoed. Zoodra deze troepen in goeden toestand

verkeerden, werden zij gedurig door andere vervangen, die slecht waren

uitgerust en aan al het noodige gebrek hadden.

Dit verdrag was een duidelijke verklaring der afhankelijkheid van de

Bataafsche Republiek ten opzichte van Frankrijk. Een tweede gevolg van

de nauwe betrekking tot Frankrijk waren de _assignaten_ (_Overzicht_,

negende druk, blz. 175), die weldra alle waarde verloren. Bovendien

erfde de nieuwe Republiek dadelijk de vijandschap, die Engeland tegen

Frankrijk, haar bondgenoot, voedde. Reeds vóór den 16den Mei, terstond

na het binnenrukken der Franschen, legde Groot-Britannië _embargo_ of

beslag op Nederlands schepen, om ze later prijs te verklaren. In

September verklaarde het aan de Bataafsche Republiek den oorlog. Van dit

oogenblik af viel de eene der buitenlandsche bezittingen na de andere in

handen der Engelschen, tegen wier meesterschap ter zee niemand was

opgewassen. Reeds in 1801 was Java de eenige zijner bezittingen, die

Nederland had behouden. Bij al die rampen zijn de gedwongen

geldheffingen te voegen, welke de regeerende lichamen der Bataafsche

Republiek achtereenvolgens uitschreven.

Het spreekt vanzelf, dat, na de schikking met Frankrijk, de regeling van

den regeeringsvorm de eerste taak was, hier te lande te verrichten. Te

dien einde hield, den 1sten Maart 1796, een _nationale vergadering_ haar

eerste bijeenkomst. Zoodra zij te 's Gravenhage was bijeengekomen,

werden de Staten-Generaal ontbonden. De leden der vergadering waren tot

twee partijen te brengen, die der _unitarissen_, voorstanders eener

volstrekte eenheid, en die der _foederalisten_, welke tot op zekere

hoogte een bondgenootschap van zelfstandige staten wilden. Foederalist

was o. a. Vitringa. Tot de hevigste unitarissen behoorden Pieter Vreede

en Gogel, tot de gematigden onder hen Schimmelpenninck. Deze eerste

nationale vergadering slaagde niet in haar plan, weshalve, den 1sten

September 1797, een tweede werd geopend. Deze gelukte het evenmin, het

werk tot stand te brengen, want den 22sten Januari 1798 waagden de

hevigste unitarissen, met name Daendels, een _coup d'état_ of aanslag op

hun meest gematigde medeleden. Een aantal van hen lieten zij in

hechtenis nemen. De op die wijze gezuiverde vergadering noemde zich

_constitueerende vergadering, representeerende het Bataafsche volk_. In

Maart had zij het ontwerp eener grondwet afgewerkt. In April had de

stemming van 't Bataafsche volk over het ontwerp plaats, dat met een

overgroote meerderheid van stemmen werd aangenomen.

De hoofdinhoud dezer _staatsregeling_, den 1sten Mei 1798 afgekondigd,

komt hierop neer. De oppermacht berust, in naam van het Bataafsche volk,

bij _het vertegenwoordigend lichaam_, waarvan de leden door het volk

worden gekozen. Het bestaat uit twee _kamers_. Het draagt de uitvoerende

macht op aan _vijf directeuren_, door zijn leden te kiezen, _het

uitvoerend bewind_, en behoudt zelf de wetgevende macht. Het grondgebied

der Republiek wordt in acht _departementen_ verdeeld. De grenzen van

geen dier departementen kwamen overeen met den omtrek eener voormalige

provincie. Een daarvan b. v., hetwelk het departement van de Eems

heette, bestond uit gedeelten van Friesland, Groningen en Drente. De

geldmiddelen van den staat staan onder één beheer en komen in één

algemeene kas. Eveneens heeft er een samensmelting der schulden plaats,

_amalgame_ geheeten. De kerk wordt van den staat gescheiden. Voorloopig

zullen slechts de leeraren en dienaars der hervormde kerk uit 's lands

kas worden bezoldigd.

Niemand, die den inhoud dezer constitutie onbevooroordeeld gadeslaat,

kan ontkennen, dat men het goede, hetwelk uit den druk der tijden werd

geboren, grootendeels aan haar was verschuldigd. Vooreerst werd de

pijnbank afgeschaft. Dan werd het Gemeenebest één en ondeelbaar

verklaard, zoodat de zeven souvereine gewesten, benevens de

Generaliteitslanden en het bondgenootschappelijke Drente van nu af maar

één staat vormden. De provinciale naijver en tegenkanting weken

langzamerhand voor één toenemende nationale eenheid. Insgelijks hield de

druk op der stedelijke aristocratie. Volkomen gelijkstelling van allen

voor de wet werd een vaste regel, en alle heerlijke rechten en wat

verder van het leenstelsel afkomstig was werden vernietigd.

Intusschen leverde de oorlog zelf, waarin de Bataafsche Republiek, als

bondgenoot van Frankrijk, werd medegesleept, niets dan nadeelen op.

Gedurende den tweeden coalitie-krijg (_Overzicht_, negende druk, blz.

181) werd Nederland zelf het tooneel der vijandelijkheden. Daar Engeland

en Rusland een poging wilden wagen, om de Bataafsche Republiek aan 't

oppergezag van Frankrijk te onttrekken, landde in Augustus 1799 een

geduchte Engelsch-Russische krijgsmacht onder 't opperbevel van

~Frederik, hertog van York~, nabij de Helder. ~Daendels~, bevelhebber

der Bataafsche krijgsmacht, moest wijken. Maar de Fransche generaal

~Brune~, zich met een aanzienlijk leger bij Daendels voegende, bracht

den vijand den 19den September bij ~Bergen~ (ten n.w. van Alkmaar) en

den 6den October bij ~Castricum~ (ten z.w. van Alkmaar) een nederlaag

toe. Dit noodzaakte de Engelschen en de Russen, die bovendien in deze

streken geen voldoende huisvesting en levensmiddelen konden vinden en

hier te lande weinig blijken van deelneming bespeurden, terug te

trekken. Dus keerde ook de erfprins van Oranje, die eenigen tijd te

Alkmaar had vertoefd, naar Engeland terug, vanwaar hij zich in 't begin

van 1800 met zijn vader naar Brunswijk metterwoon begaf.

Zelfs al zag men deze en andere nadeelige gevolgen van den oorlog

voorbij, dan nog had het vaderland geen redenen tot blijdschap. De

koophandel, de nijverheid en het vertier beteekenden schier niets; de

schuldenlast was ondragelijk. Daarenboven was de vreugde over de

staatsregeling van korten duur. De eenheid, die erin heerschte, diende

slechts om het uitvoerend bewind met zooveel bezigheden te overladen,

dat alles zeer langzaam of in 't geheel niet werd afgedaan. Dit deed

wederom aan de noodzakelijkheid van 't vervaardigen eener nieuwe

grondwet denken. Middelerwijl zag de eerste consul Napoleon

(_Overzicht_, negende druk, blz. 181) met weerzin de oppermacht des

volks, die hij in Frankrijk aan ketenen had gelegd, in het kleine

gemeenebest gehuldigd. De Bataafsche Republiek, van 't oogenblik harer

wording af gedwongen Frankrijk steeds uit de verte te volgen, kon dit

ook thans niet nalaten. Met de meerderheid der vijf leden van 't

uitvoerend bewind knoopte Napoleon in 't geheim onderhandelingen aan.

Wetende, dat zij op den steun van hem kon rekenen, die alreede de

machtigste man van geheel Europa begon te worden, liet de meerderheid

van 't uitvoerend bewind zich door niets terughouden van de voltrekking

van haar voornemen. Den 1sten October 1801 werd het volk een ontwerp ter

stemming voorgelegd. De uitslag der stemming was, dat de staatsregeling

werd aangenomen. Tot dien uitslag geraakte men door te bepalen, dat het

groote aantal van hen, die niet waren opgekomen, moest worden geacht te

hebben toegestemd.

_De staatsregeling_ van 1801 naderde meer, dan die haar voorafging, de

beginselen van het foederalisme. Zij behield de eenheid, maar gunde meer

vrijheid aan de besturen der departementen en der gemeenten. Aan 't

hoofd der Republiek stond thans een _staatsbewind_ van twaalf personen

met een _wetgevend lichaam_. Groot was het gezag, aan het staatsbewind

opgedragen, terwijl de invloed van het wetgevend lichaam werd beperkt.

Ook ten opzichte van de verdeeling van het grondgebied kwam deze

constitutie terug op de andere. Zij herstelde èn de namen èn de grenzen

der voormalige gewesten, waarvan men toen, om het provincialisme te

fnuiken, was afgeweken. Het getal der departementen bleef hetzelfde. Zij

heetten nu: Holland, Zeeland, Brabant, Overijsel (waartoe Drente tevens

grootendeels behoorde), enz. De constitutie, in haar geheel, is een

bewijs, dat men tot gematigder gevoelens terugkeerde.

In 1802 werd de Republiek één oogenblik verademing geschonken. Het was

na het sluiten van _den algemeenen vrede te Amiëns_ (_Overzicht_,

negende druk, blz. 181) in Maart van dat jaar, waar ~Rutger Jan

Schimmelpenninck~ de Republiek vertegenwoordigde. Van de verschillende

artikels had dat de meeste betrekking op de Republiek, waarin werd

bepaald, dat, met uitzondering van Ceylon, Engeland haar al hare

volkplantingen teruggaf. Tevens werd, overeenkomstig vroegere

bepalingen, vastgesteld, dat de schadeloosstelling voor het huis van

Oranje-Nassau niet ten laste zou komen der Republiek. De

schadeloosstelling werd weldra gevonden ten koste van Duitschland en

bestond uit het voormalige bisdom Fulda (in 't vroegere keurvorstendom

Hessen, thans tot Pruisen behoorende) en eenige andere streken. Nimmer

heeft echter Willem V het bewind over deze landen aanvaard. Hij bleef

als ambteloos burger in Brunswijk, waarheen hij zich bij zijn vertrek

uit Engeland (zie blz 164 en 171) had begeven. Zijn oudste zoon, wien

hij de genoemde landen afstond, bleef ze ook na den dood zijns vaders,

die in 1806 plaats had, besturen. Maar in 1807, bij den vrede van

Tilsit, ontnam Napoleon hem, omdat hij voor Pruisen had gestreden,

zoowel deze staten, als die, welke hij in Nassau van zijn vader had

geërfd.

Beknopte geschiedenis van het vaderland · 第 15 / 24 段