Op deze en andere wijzen trachtte de prins 's lands welvaart te

bevorderen. Hierbij gedachtig aan de belangen van zijn huis, bewoog hij

in 1750, uit hoofde van den zwakken toestand zijner gezondheid, de

Staten-Generaal, hertog ~Lodewijk Ernst van Brunswijk-Wolfenbuttel~, een

verwant der prinses, die tot dus ver in dienst was van den keizer van

Duitschland, als veldmaarschalk aan te stellen over het leger der

Republiek. Willems gezondheid toch nam steeds af, en in October 1751

stierf hij. Die dood was een zware slag voor het vaderland. Weinig is

dat, wat hem wordt verweten, in tegenstelling met het vele goede, dat

men van hem getuigt. Onder het eerste mag evenwel niet worden verzwegen,

dat hij vaak te spoedig het oor schijnt te hebben geleend aan

plannenmakers. Willem IV, door vele kundigheden uitmuntende, had tevens

de gaven om aan 't roer van den staat te staan. Geen der vorige

stadhouders van de Vereenigde Gewesten was gematigder dan hij; geen

hunner vereenigde met vastheid van daad meer zachtheid van vorm. Te

hooger rijst de waarde dezer zelfbeheersching, omdat hij in aanzien en

macht al zijn voorgangers overtrof. In de zaken hervormende, hetgeen hij

noodig achtte, ontzag hij de personen, zooveel het welbegrepen belang

der Republiek het veroorloofde. In de weinige jaren van zijn

stadhouderschap heeft hij althans iets tot stand gebracht, meer nog

willen doen.

§ 31.

_Het regentschap van de gouvernante Anna, de voogdij van den hertog van

Brunswijk en het stadhouderschap van Willem V tot het begin van den

oorlog tusschen Engeland en Nederland._

Op den dag zelven van 't overlijden van Willem IV werd ~ANNA~ als

_gouvernante_ en voogdes erkend van Willems eenigen zoon, ~WILLEM~ V

(1751-1795, overl. 1806), die in 1748 was geboren. De hertog van

Brunswijk werd tot vertegenwoordiger van den kapitein-generaal benoemd.

Tevens bleef hij de raadsman der gouvernante en hield een wakend oog op

's prinsen opvoeding. Vele waren de vakken, waarin de jonge vorst

uitmuntte. Maar weldra bleek het, dat men in hem de voortvarendheid, de

veerkracht en de vastheid miste, die, zooals beneden zal blijken, juist

in die dagen onontbeerlijke eigenschappen in 't karakter van den

stadhouder en kapitein-generaal der Republiek waren. Ook ontbrak hem het

rechte doorzicht, om de gebreken, die er waren, naar eisch te

doorgronden. In plaats van die hoedanigheden had hij de zucht, om,

terwijl hij de gewichtigste en dringendste aangelegenheden verzuimde,

zich met nietsbeteekenende zaken te bemoeien.

De eenige gebeurtenis van eenig gewicht, die in de eerste jaren van

Anna's regentschap voorviel, was de schikking, die in 1754 met den

koning van Pruisen, Frederik II, werd getroffen nopens de goederen van

het huis van Oranje-Nassau, hem vroeger toegedeeld (zie blz. 147). Bij

deze overeenkomst stond de koning die goederen voor een groote som aan

Willem V af. De zeeoorlog, die in 1756 tusschen Frankrijk en Engeland

(_Overzicht_, blz. 167) losbarstte, bracht Nederlands regenten in groote

moeielijkheden. Zoowel van den kant van Engeland, als van dien van

Frankrijk werden pogingen gedaan, om Nederland aan zijn zijde te doen

medestrijden. Desniettegenstaande wenschten de Staten-Generaal een

onzijdige houding aan te nemen, en de schranderheid en de gematigdheid

van de raadslieden der gouvernante wisten deze staatkunde, welke het

welzijn van 't vaderland vereischte, te handhaven. Zij zegevierde in

weerwil van de thans herlevende, nimmer geheel verdwenen staatspartijen,

waartoe een goed deel van Nederlands ingezetenen behoorde.

Welhaast leerde de tijd, hoeveel nadeel ook een oorlog, waaraan de

Republiek geen deel nam, aan haar bewoners kon toebrengen. Een menigte

Nederlandsche koopvaardijschepen, die scheepsbehoeften of andere

goederen naar Frankrijks havens voerden en vandaar kwamen, werden, in

strijd met vroeger gesloten verdragen, door de Engelschen als goede

prijzen opgebracht. Daarenboven beroofden de Britsche kapers ook die

Nederlandsche vaartuigen, welke noch naar Frankrijk waren bestemd, noch

de havens van dit rijk hadden aangedaan. Bij de nadeelen, die de handel

op deze wijze leed, kwamen nog die, welke hij van Algiers en Marokko had

te lijden. Het bleek, dat de zeemacht van de Republiek zelfs niet tegen

die van deze roofstaten bestand was. Dit alles berokkende de gouvernante

menigen vijand. Men verweet haar, dat zij, van geboorte een Engelsche

prinses, de belangen van Nederland ter wille van Groot-Britannië

verwaarloosde. Elders verwekte de manier, waarop zij openstaande

plaatsen in de vroedschap vervulde, haar menigen tegenstander. Toen zij

in 1759 was gestorven, nam de hertog van Brunswijk de taak der voogdij

op zich. In Friesland beschouwde men de prinses-grootmoeder ~Maria

Louise~ (zie blz. 139), door de Friezen _Maike-Moei_ genoemd, als

regentes en regeerde op haren naam.

Eerst in 1763 kregen Nederlands handel en zeevaart rust, toen de

vrede van Parijs een einde aan den zevenjarigen oorlog maakte

(_Overzicht_, blz. 167). Drie jaren later, in 1766, aanvaardde de

erfstadhouder, thans den leeftijd van achttien jaren hebbende

bereikt, de hooge ambten, voorheen door zijn vader bekleed. Tevens

werden hem die bedieningen, welke niet erfelijk waren verklaard, als het

opperdirecteur-gouverneurschap over de compagnieën (zie blz. 149),

gelijk vroeger aan Willem IV, opgedragen. De hertog van Brunswijk werd

door Zijn Hoogheid en door de staten der verschillende gewesten met een

som van ruim 600,000 gl. begiftigd. De staten van Holland en de

Staten-Generaal gaven hem terzelfder tijd te kennen, dat zij zeer

wenschten, dat hij voortging, den staat voortdurend ten dienste te

staan. Niets kon hem, die reeds vreesde, met het einde zijner voogdij,

al zijn invloed op den loop der zaken te zullen verliezen, aangenamer

zijn, dan dergelijke betuiging. Hiervoor behoefde echter niet de minste

vrees te bestaan, want reeds vóór het einde der voogdij, den 3den Mei

1766, had de prins den hertog verzocht, met hem een geschrift te

onderteekenen, waarin hij zich verbond, hem, den stadhouder en

kapitein-generaal-admiraal, in alle aangelegenheden van 't bewind

met raad en daad ter zijde te zullen staan. In dit geschrift, _de akte

van consulentschap_ geheeten, beloofde de prins hem plechtig, dat

hij te dier zake van alle verantwoordelijkheid zou zijn ontslagen.

Het stuk zelf bleef in de dagen, toen het werd opgesteld en geteekend,

voor ieder, behalve voor zeer weinige personen, een geheim. Thans

was de hoogste staatsdienaar, wiens ambten hem, krachtens de

erfelijkverklaring, van rechtswege toekwamen, niets dan een onmondige,

onder een voortdurende voogdij verkeerende.

Het is zeer waarschijnlijk, dat 's prinsen volgzaamheid jegens den

hertog zich al dadelijk in de keuze eener gemalin betoonde. Niet een

Engelsche prinses werd dit, maar ~Frederika Sophia Wilhelmina~, een

dochter van prins August Willem, een broeder van Frederik II, koning van

Pruisen. Uit Willems huwelijk sproten drie kinderen: Frederika Louisa

Wilhelmina, later gehuwd met Karel George August, erfprins van

Brunswijk, en twee zonen, Willem Frederik, geboren in 1772, en Willem

George Frederik, geboren in 1774. De tweede dier zonen werd later,

gedurende den tweeden coalitie-oorlog (_Overzicht_, blz. 180, 181),

generaal in dienst van Frans II, keizer van Duitschland, en overleed in

1799 aan een ziekte. Het gezin des stadhouders bewoonde 's Gravenhage,

gelijk ook Willem IV sedert 1747 had gedaan. Over 't geheel waren de

eerste jaren van het stadhouderschap van Willem V, nadat hij

meerderjarig was geworden, een gelukkig tijdperk, voor hem en voor den

staat. Het was vrede in 't Westen en Zuiden van Europa. Een ongestoord

handelsvertier gaf welvaart en overvloed tot bij den geringsten burger.

De vrij lange reeks van jaren, gedurende welke de Zeven Gewesten den

vrede hadden genoten, hadden zij zich te nutte gemaakt, om den toestand

der geldmiddelen op een beteren voet te brengen. Stein (zie blz. 150)

maakte dit tot het voorwerp van zijn aanhoudend streven.

Nogtans waren er gronden, om de toekomst met bezorgdheid tegemoet te

zien. Had Willem IV langer geleefd, misschien ware het hem gelukt, de

partijschappen langzamerhand te doen verdwijnen, of althans haar kracht

te doen verliezen. Met veel beleid had hij dit doel in de hand gewerkt.

Doch de ineensmelting der partijen mocht geenszins plaats grijpen. Reeds

de zeeoorlog (zie blz. 152) riep de voormalige verdeeldheid weder in 't

leven. Het waren de staatsgezinden, die de deelneming aan dien oorlog

ten gunste van Frankrijk voorstonden, terwijl de aanhangers des

stadhouders voor Engelands belangen streden. En licht kon men in de

eerste jaren van het stadhouderschap van Willem V voorzien, dat slechts

één of meer aanleidende oorzaken noodig waren, om de partijen in

vijandschap tegenover elkander te doen staan. Bij de oude namen (zie

blz. 89 en 112) kregen de partijen in deze dagen nieuwe. Zij, die tot de

staatsgezinden behoorden, werden ook _patriotten_ of _keezen_ genoemd.

Met de jaren veranderden, sinds de partij meer leden aanwon, ook de

begrippen. In plaats van alleen te streven naar beperking van 't

stadhouderlijk gezag, zooals weleer, ten behoeve der regenten, waren er

vele onder de staatsgezinden, die, naar volkomen gelijkstelling aller

burgers staande, de leer der volkssouvereiniteit huldigden. De andere

partij werd die der _Oranjemannen_ of _Oranjeklanten_ genoemd. Een

andere reden tot bezorgdheid was hierin gelegen, dat de landprovinciën

het geld, hetwelk Holland, Zeeland en Utrecht voor de vloot verlangden

te besteden, aan het leger wenschten te koste te hebben gelegd. Terwijl

dan de eene reeks gewesten niet voor de andere wilde wijken, werd

doorgaans niets gedaan.

Alles intusschen tezamengenomen, was er veel, dat, tegen het begin van

het laatste vierde gedeelte der 18de eeuw, aan de Republiek grond gaf,

zich gelukkig te achten. Doch op dat tijdstip brak de oorlog van

Engeland met zijn volkplantingen in Noord-Amerika (_Overzicht_, blz. 168

vlg.) los. Deze oorlog gaf het sein tot een overmaat van rampen, die

zich over het vaderland uitstortten. Nauwelijks waren de

Noord-Amerikanen in verzet gekomen, of de gezant van Engeland, ~Yorke~,

beklaagde zich bij de Staten-Generaal over den handel in wapenen en

krijgsvoorraad, dien Nederlanders uit de bezittingen der West-Indische

compagnie met de opgestane bewoners der volkplantingen dreven. Vooral

was de aandacht van Engelands regeering gevallen op het eiland St.

Eustatius (zie blz. 92). Hierheen deden de Nederlanders vervoeren, wat

zij maar wilden, en het vandaar den Amerikanen te doen toekomen viel

zeer gemakkelijk. Onmiddellijk na Yorke's mededeeling verboden de

Staten-Generaal in 1775 den toevoer van krijgsbehoeften naar de

Amerikaansche volkplantingen ten scherpste. Maar de bevelen der

Staten-Generaal werden voortdurend òf openlijk overtreden, òf ontdoken.

De sluikhandel gaf te veel winsten, dan dat men er aan dacht, dien te

staken. Met de klachten van den Engelschen gezant hielden die der

Nederlandsche kooplieden gelijken tred, welke luide riepen over het

onderzoeken, opbrengen en voor goeden prijs verklaren hunner vaartuigen

of waren door Engelsche oorlogschepen.

Dan dit alles was nog van weinig beteekenis in vergelijking met hetgeen

verder plaats greep. Ernstiger werd de verstandhouding van Nederland met

Engeland bedreigd, toen de vrede tusschen dezen staat en Frankrijk

(_Overzicht_, blz. 169) werd verbroken. De Engelsche regeering, thans

meer dan ooit vreezende, dat haar vijanden door de Nederlandsche

kooplieden werden voorzien van hetgeen zij voor den oorlog behoefden,

verdubbelde haar nauwlettend toezicht. Meer en meer scheen het duidelijk

te worden, dat Engeland tot een openbare breuk met de Republiek zocht te

komen. Genoegzamen grond hiervoor had het nog niet; doch deze deed zich,

naar de meening van de Engelsche regeering, weldra op. In 1778 sloot

Frankrijk een handelsverdrag en verbond met de Vereenigde Staten van

Noord-Amerika. Een gemachtigde dier staten, ~William Lee~, gaf te Aken

aan een aanzienlijk Amsterdamsche koopman, ~Jan de Neufville~, te

kennen, dat Amerika wel geneigd was, een dergelijk verdrag of althans

een handelsverbintenis met de Republiek aan te gaan. De Neufville maakte

dit aan de burgemeesters van Amsterdam bekend, die aan Lee deden weten,

dat zij gezind waren, naar hun vermogen het hierheen te leiden, dat

tusschen de Vereenigde Staten en deze Republiek een verdrag van

vriendschap en handel werd gesloten, zoodra Engeland de

onafhankelijkheid der staten zou hebben erkend. Na deze betuiging van

bereidvaardigheid kwam nog in 't zelfde jaar, 1778, een schets of ontwerp

op het papier, opgesteld door de Neufville en Lee, van een verdrag, dat

tusschen de Vereenigde Staten van Noord-Amerika en de Staten-Generaal

zou kunnen worden gesloten.

Twee jaren lang bleef deze onderhandeling bedekt. Toen kwam zij aan het

licht. In 1780 vertrok ~Henry Laurens~, die in 1777 president van 't

congres was geweest, aan boord van een pakketboot van Philadelphia naar

Nederland. Den 10den September van dat jaar werd het schip op de hoogte

van New-Foundland door een Engelsch fregat genomen en naar Londen

opgebracht. Even vóór de vermeestering der pakketboot wierp Laurens een

doos, het ontwerpsverdrag bevattende, in zee. Doch daar het lood, aan de

doos gehecht, niet zwaar genoeg was, om ze te doen zinken, vischten de

Engelschen ze op. De gezant Yorke diende, uit naam van George III, over

deze zaak bezwaren in. Gelijktijdig hiermede was de ontwikkeling eener

andere aangelegenheid, die eindelijk het hangend onweder deed

losbarsten. Door toedoen van Katharina II, keizerin van Rusland, sloten

de Noordsche mogendheden, Rusland, Zweden en Denemarken, in 1780, onder

den naam van _het stelsel eener gewapende onzijdigheid_, onderling een

verdrag, ten einde het vrije verkeer ter zee te handhaven. Op

uitnoodiging van Rusland besloten de Staten-Generaal eveneens toe te

treden, waarop Nederlands afgevaardigden te Petersburg het verdrag

onderteekenden. Maar ter zelfder tijd, als de Republiek haar aansluiting

aan de Noordsche mogendheden aan Europa's hoven mededeelde, in 't laatst

van 1780, verklaarde Engeland aan de Zeven Gewesten den oorlog.

§ 32.

_De oorlog van Engeland en Nederland.--De geschillen der Republiek met

Jozef II.--De binnenlandsche oneenigheden en de komst der Pruisen._

Zoo was dan de Republiek met gebonden handen en voeten aan Engelands

willekeur overgelaten. Volgens zijn gewoonte richtte Engeland zijn wraak

terstond tegen de Nederlandsche schepen, die, van niets wetende, rustig

naar het vaderland stevenden. Op het einde van Januari 1781 waren reeds

200 koopvaardijschepen, met een waarde van 15 millioen beladen, in de

Engelsche havens opgebracht. Van Nederlands bezittingen viel o. a. St.

Eustatius, alsmede de kust van Guin[=e]a in handen der Engelschen,

terwijl Berbice, Demerary en Essequ[=i]bo zich vrijwillig onder hun

hoede stelden. St. Eustatius werd nog in 't zelfde jaar, 1781, door de

Franschen hernomen en aan de Staten-Generaal teruggegeven. Eveneens

heroverden de Franschen in 1782 Berbice, Demerary en Essequ[=i]bo en

namen deze streken voor Nederland in bewaring. In Oost-Indië bemachtigde

Engeland Negapatnam (in Voor-Indië, ten z. van Madras).

Engelands overmacht ter zee was zoo groot, dat aan 't leveren van slagen

eigenlijk niet viel te denken. Maar in 1781 verleenden de

Staten-Generaal een konvooi of gewapende geleide van oorlogschepen aan

een aantal koopvaarders, naar Petersbrug, Riga en Narva bestemd. De

oorlogschepen, ten getale van vijftien, stonden onder 't bevel van den

schout-bij-nacht ~Johan Arnold Zoutman~. Op den 5den Augustus ontmoetten

zij bij ~Doggersbank~ (in de Noordzee, ten o. van Engeland) een Engelsch

konvooi, eveneens een aantal koopvaardijschepen uit de Oostzee

begeleidende. Over deze vloot, slechts twaalf, maar zwaardere en beter

gewapende schepen tellende, voerde de vice-admiraal ~Hyde Parker~ het

bevel. Weldra geraakte het grootste gedeelte der wederzijdsche vloten,

aan elke zijde zeven, met elkander slaags. Dat de Engelschen, hoewel de

slag onbeslist bleef, het eerst afdeinsden, verhoogde in Nederland het

nationaal gevoel. In Januari 1783 sloot Engeland den vrede van

Versailles (_Overzicht_, blz. 170). In Mei 1784 volgde _de vrede van

Parijs_ met Nederland, waarbij de Republiek Negapatnam aan Engeland

afstond, maar zijn overige bezittingen terugkreeg.

Te midden van den oorlog met Engeland, in 1781, liet keizer Jozef II

(_Overzicht_, blz. 168) de Staten-Generaal weten, dat hij verlangde, dat

de barrière-steden door het krijgsvolk der Republiek werden ontruimd.

Ofschoon de staten het vreemd vonden, dat hiertoe alleen zou worden

overgegaan, omdat de keizer het wenschte, voldeden zij nog in 't zelfde

jaar aan zijn verlangen. In 1783 rezen er op nieuw geschillen tusschen

de Staten-Generaal en Jozef II, die, behalve meer, de vrije vaart op de

Schelde eischte. De Staten-Generaal achtten 's keizers vorderingen

overdreven en riepen het hof van Frankrijk als middelaar of

scheidsrechter in. Nog eer de afgevaardigden hun beraadslagingen hadden

geopend, trachtte een oorlogschip, onder Oostenrijksche vlag uit

Antwerpen de Schelde afvarende, in 1784 zich aan het onderzoek van den

uitlegger, die bij Lillo lag (zie blz. 97), te onttrekken. Het schip

kreeg echter van een Nederlandsch oorlogschip de volle laag, draaide

toen bij en werd in bewaring genomen, maar kort daarna weder ontslagen.

De keizer, dit schieten op zijn vlag als een oorlogsverklaring

aanmerkende, vaardigde het bevel uit, een aanzienlijk leger naar de

grenzen der Republiek te doen oprukken. Van hunnen kant rustten ook de

Staten-Generaal zich ten oorlog. Inmiddels werden de onderhandelingen

voortgezet en in 1785 door _den vrede te Fontainebleau_ tot zulk een

einde gebracht, dat de oorlog achterwege bleef. De hoofdvoorwaarden

waren, dat Jozef van zijn eischen afzag, mits hem de forten Lillo en

Liefkenshoek afgestaan en een som van 9-1/2 millioen uitgekeerd werd.

Van deze 9-1/2 millioen nam Frankrijk 4-1/2 voor zijn rekening. Ook deze

zwarigheden kwam 's lands regeering alzoo te boven, al was het dan niet

zonder opofferingen.

Moeielijker was het, de binnenlandsche geschillen, die bij de rampen,

welke den staat van buiten troffen, steeds heviger werden, bij te

leggen. Met den aanvang van den oorlog tegen Engeland begon de

ontevredenheid zich weder te openbaren. Evenals vroeger de gouvernante,

werd de stadhouder eerst beschuldigd van Engelschgezindheid, omdat hij

had getracht de vredebreuk tegen te houden. Vervolgens verweet men,

hoewel Willem V jaren achtereen vruchteloos voorstellen tot uitbreiding

der zee- en der landmacht had gedaan, hem en den hertog van Brunswijk

den weerloozen toestand des lands. Zoo gezien de hertog gedurende het

tijdvak van zijn regentschap was geweest, evenzeer werd hij van 1766 af

hoe langer hoe meer gehaat. Vele leden der regeering betuigden, dat zij

het voor wenschelijk hielden, dat hij zich geheel aan het bewind

onttrok. En toen in 1784 het geheim van 't bestaan der akte van

consulentschap (zie blz. 153, 154) werd verbroken en de inhoud van dit

geschrift alom bekend werd, rustte men niet, eer men van den gehaten

vreemdeling, van den "dikken hertog", was ontslagen. Daarom nam hijzelf

zijn ontslag en vertrok in 't zelfde jaar uit den lande.

Het werd intusschen weldra duidelijk, dat zij, die meenden in den hertog

den oorsprong aller oneenigheden te moeten zoeken, dwaalden. Het getal

van hen, die aan het volk meer invloed op de regeering wilden toekennen,

groeide aan. Sedert het begin van 't jaar 1783 nam de gisting der

gemoederen in de Republiek steeds toe. In vele steden richtte men, met

goedvinden der vroedschappen, _exercitie-genootschappen_ of

_vrijkorpsen_ op, uit burgers, de staatsgezinde partij toegedaan,

bestaande, die zich vlijtig in den wapenhandel oefenden. In Februari

1785 verboden de staten van Holland het dragen van Oranjelinten en

kokardes, alsmede het roepen van "Oranje boven." In September van dat

jaar hadden er te 's Gravenhage eenige tooneelen van openlijke

opschudding plaats, waarbij een burger dezer stad door een lid van een

exercitie-genootschap licht werd gewond. Hiervan in kennis gesteld,

beperkten de staten van Holland het gezag van den kapitein-generaal van

dit gewest, als bevelhebber van de bezetting dezer stad.

Nu was, in 't oog van den prins, de maat volgemeten. Nog vóór het einde

van 't jaar 1785 verliet hij met zijn gezin 's Gravenhage en vestigde

zich vooreerst op het Loo, later te Nijmegen. In 1786 waren Elburg en

Hattem het tooneel eener andere gebeurtenis. In deze beide steden kwam

de gemeente, door een deel der leden van de regeering gesteund, in

verzet tegen de staten van Gelderland. Alzoo gelastten die staten den

stadhouder, krijgsvolk naar Hattem en Elburg te doen oprukken en

bezetting in die steden te leggen. Het geschiedde, en vele

regeeringsleden en inwoners dezer steden vluchtten naar Kampen of

elders. Kort daarna werden tegen de hoofdpersonen der beweging zware

vonnissen geveld. Geweldig was de indruk, dien hetgeen in Gelderland

gebeurde op de regenten en op de bevolking der overige gewesten maakte.

Op de tijding van het binnenrukken der troepen te Elburg en te Hattem

schorsten de staten van Holland den kapitein-generaal van hun gewest in

dit ambt en onthieven den raadpensionaris van de verplichting, in

gemeenschappelijk overleg met den stadhouder te handelen (zie blz. 133,

134).

Jammerlijk was voorwaar de toestand des vaderlands. Thans zag men het

tegendeel van de macht, die de eendracht gaf. Alle gewesten leverden

overvloedige voorbeelden van de meest ingewikkelde en netelige

burgerschillen op. Zij waren het tooneel van de schromelijkste

verwarring. Er was oneenigheid tusschen de Staten-Generaal en de staten

van Holland, oneenigheid tusschen deze staten en die van Gelderland.

Onbeschrijfelijk waren de haat en de partijschap, die in het anders zoo

rustige Nederland alom blaakten. Men wendde zich tegen de personen, in

plaats van in de zaken te wraken, hetgeen verkeerd was. Talloos waren de

schot- en lasterschriften, de spotprenten en blauwboekjes. Men vergeleek

den stadhouder met een Nero en Alva en stelde Philips II boven hem.

Bij alle partijen scheen het een uitgemaakte zaak te zijn, dat de

redding van elders moest komen. De patriotten rekenden op Frankrijk; de

stadhouderlijke partij wendde haar oogen naar Engeland of Pruisen.

Inmiddels droegen de staten van Holland, bezorgd voor de veiligheid van

hun gewest, de verdediging hiervan aan vijf regenten uit verschillende

steden op, _commissie van defensie_ geheeten, die zich te Woerden

vestigde en over het krijgsvolk beschikte. Zij werd in haar bedoelingen

ondersteund door een gewapend korps, _vliegend legertje_ genoemd,

hetwelk de gansche provincie doortrok, om de stadhoudersgezinde

landlieden in toom te houden.

Zoo was dan alles rijp voor een uitbarsting. De lont ontbrak niet, die

het kruit zou doen ontvlammen. In Juni 1787 begaf de prinses zich met

een klein gevolg uit Nijmegen op reis naar 's Gravenhage. Haar oogmerk

was, door haar verschijning te midden van de bevolking dier stad de

volksmenigte in geestdrift te doen ontvlammen en 's prinsen vijanden

ontzag in te boezemen, ten einde alzoo een omwenteling teweeg te

brengen. Ten o. van Gouda lag een sluis, _de Goejanverwellesluis_

genoemd. Bij die sluis gekomen, werd de prinses tegengehouden door

eenige manschappen van het vrijkorps van Gouda, dáár op wacht staande.

Vervolgens verzocht de commissie van defensie, zich terstond hierheen

spoedende, haar, niet dieper in Holland door te dringen. Het geval, op

zichzelf van weinig beteekenis, werd door de prinses hoog opgenomen. De

koning van Pruisen, Frederik Willem II, liet terstond een schitterende

voldoening eischen voor de beleediging, zijn zuster (zie blz. 154), en

dus hem, aangedaan. Zij werd niet gegeven. Hierom rukte, op zijn last,

~Karel Willem Ferdinand~, regeerend hertog van Brunswijk-Wolfenbuttel,

een neef van Lodewijk Ernst (zie blz. 151), de Nederlanden met een leger

van ongeveer 20,000 man binnen. Deze troepen trokken door Gelderland op

Utrecht af en bezetteden deze stad. Na korten tegenstand gaf ook

Amsterdam zich op zekere voorwaarden over.

Beknopte geschiedenis van het vaderland · 第 14 / 24 段