Verbazend was de inspanning, die een staat van zulk een beperkt

grondgebied als de Vereenigde Gewesten zich in den nu geëindigden oorlog

had getroost ter wille eener zaak, die meer geheel Europa, dan de

Nederlanden betrof. Die oorlog vermeerderde de schuld der Republiek met

350 millioen. Aan de dure offers waren de voordeelen, die de vrede

schonk, niet geëvenredigd. Maar de wil van Willem III alleen had de

buitenlandsche staatkunde der Republiek bestuurd. Voor de leidende

gedachte zijns levens, de man te moeten zijn, die zich tegenover

Lodewijk XIV stelde, moesten de belangen der Republiek achterstaan.

Zoolang Willem III leefde, had ~ANTONIE HEINSIUS~ (zie blz. 135) hem

getrouw ter zijde gestaan. Hij was een man van een welwikkend oordeel,

onverdroten ijver en bezadigde handelwijze, wiens blik tot de kern der

zaken doordrong. Doch nauwelijks had Willem de oogen voor goed gesloten,

of Heinsius, zijn denkbeelden naar de omstandigheden wijzigende, voegde

zich naar de regeering, gelijk zij toen werd geregeld, en was in allen

opzichte een wakker dienaar en voorganger der staten van Holland. Hij

werd in den vollen zin des woords de zuil van 't bewind, de hoofdpersoon

der Republiek.

Niettegenstaande de schaduwzijde, zoo even aangevoerd, bekleedde de

Republiek na den vrede van Utrecht steeds een eervolle plaats onder

Europa's aanzienlijke mogendheden. Zij bezat nog een uitgestrekten

handel en aanmerkelijke volkplantingen. Nogtans was de handel niet meer,

wat hij was geweest. Sinds 1672 was hij gedaald van het hooge standpunt,

dat hij vroeger had bestegen. De navigatie-akte van het lange parlement

(zie blz. 109 en 119) had hem den eersten knak gegeven. Inzonderheid

brachten de oorlogen, geëindigd met de vredes van Nijmegen, Rijswijk en

Utrecht, den handel groot nadeel toe. Behalve dat zij den staat tot

groote uitgaven dwongen ter bestrijding der krijgskosten, legden zij een

zwaren schuldenlast op de schouders der Nederlanders. Het gevolg was de

instelling van vele nieuwe belastingen. Een andere oorzaak van het dalen

van den Nederlandschen handel is, dat hij de oogen van de meeste der

Europeesche volkeren opende, die, de rijkdommen ziende, welke hij

aanvoerde, zich op haar beurt op dien tak van bestaan toelegden en

allengs op die baan voortschreden. En hoewel nu de handel van Nederland

zeer wel naast dien van andere landen kan bestaan, is het van den

anderen kant zeker, dat geen natie den haren destijds uitbreidde, dan

ten koste van dien der Republiek.

Gelijk de handel, begon ook de haringvisscherij sedert den aanvang der

18de eeuw af te nemen. De walvischvangst was reeds vroeger in verval

gekomen. _De Noordsche compagnie_ (zie blz. 43) hield in 1645 op te

bestaan. Vele schepen waren in 't ijs blijven steken of hadden zonder

gunstig gevolg gevaren. Van het genoemde jaar af werd de walvischvangst

door de ontbinding der Noordsche compagnie vrij en leefde, thans door

kooplieden, ieder op zichzelf, gaande gehouden, weder eenigermate op.

Zeer in 't oog vallend was, sedert den vrede van Munster, de

achteruitgang der fabrieken en manufacturen. Zooals bij den handel, was

een hoofdoorzaak van dien achteruitgang te zoeken in de zich meer en

meer onder de Europeesche volkeren verbreidende zucht, om door eigen

fabrieken in hun behoeften te voorzien en de voortbrengselen van die van

anderen te kunnen ontberen.

Voor de Oost-Indische compagnie opende zich met den vrede van Munster

(zie blz. 99) een tijdperk van verhoogden luister. De eer hiervan komt,

voor een goed deel, aan den gouverneur-generaal ~Johan Maatsuiker~

(1653-1678) toe, die langer dan iemand, voor of na hem, over de

bezittingen der compagnie het bewind voerde. Op Ceylon eindigde de

strijd, onder van Diemen (zie t. a. p.) aangevangen, met de geheele

verdrijving der Portugeezen. Ook Negapatnam (op de kust van Coromandel,

tegenover Ceylon) werd veroverd. Op Sum[=a]tra werd Palembang (op de

z.o. kust) schatplichtig. Bovenal werd Makassar (in 't z.w. van

Cel[=e]bes) het tooneel van een roemrijken kamp voor de Nederlandsche

compagnie, welker hulp door een der elkander op dat eiland bestrijdende

vorsten werd ingeroepen. Cornelis Speelman stond aan 't hoofd van de

scheepsmacht der compagnie, die er, eenige jaren achtereen, oorlog

voerde. Hij dwong den vorst van Makassar tot een verdrag, waarbij deze

vorst zich verplichtte, de Portugeezen en de Engelschen uit zijn gebied

te verwijderen en de compagnie den alleenhandel, vrij van tollen, toe te

staan.

Één jaar voordat Maatsuiker het bewind aanvaardde, had zich een

volkplanting der Nederlanders aan de Kaap de goede hoop gevestigd. De

streek zelve was dit volk sedert langer dan een halve eeuw bekend. Menig

Nederlandsch schip was de Tafelbaai binnengeloopen, om er ververschingen

in te nemen; doch aan een blijvende vestiging had niemand gedacht.

Het eerst kwam dit denkbeeld op bij ~Jan van Riebeek~, een

scheepsheelmeester, toen hij in 1648 met een vloot uit Indië naar het

vaderland terugkeerde. De kamer van zeventienen (zie blz. 79) keurde het

ontwerp goed, en in April 1652 stichtte van Riebeek er een volkplanting.

Slechts één donkere partij is er in het schitterend tijdperk van

Maatsuikers landvoogdij op te merken: zij is het verlies van Form[=o]sa

(zie blz. 80). In 't midden der 17de eeuw werd de keizerlijke dynastie,

die in Sina regeerde, van den troon gestooten. De Mantsjoe-Tartaren, een

volk, ten n.o. van Sina wonende, overstroomden het groote rijk, en hun

opperhoofd trok het bewind aan zich. Een der vele Sineezen, die zich

tegen hem verklaarden en van het vasteland moesten wijken, was de

zeeroover ~Coxinga~, die met een groote vloot de zee onveilig maakte.

Weldra zette hij koers naar Form[=o]sa, ten einde dit eiland te

veroveren. De Nederlandsche gouverneur van Form[=o]sa, ~Coyet~,

verdedigde wakker de sterkte Zelandia met de weinige troepen, die hij

had. Den predikant ~Hambroek~, in 's vijands macht gevallen, zond

Coxinga erheen, om op een spoedige overgave aan te dringen. Hij ried het

tegendeel, weshalve hij, naar Coxinga teruggekeerd, kort daarna, onder

voorwendsel dat hij de Formosanen had opgeruid, werd gedood. Eindelijk

gaf Coyet, na een langdurig beleg, in 1662 het kasteel op eervolle

voorwaarden over.

In Maatsuikers tijd was nog maar een klein deel van Java in 't bezit der

Oost-Indische compagnie: Batavia met den naasten omtrek. Van de

inheemsche vorsten van dit eiland waren die van Mat[=a]ram (in 't midden

van Java) en van Bantam (zie blz. 78) de voornaamste. Een zijner

opvolgers was ~Cornelis Speelman~. Voortdurend won, sedert de eerste

vestiging (zie blz. 79), het gezag der compagnie veld op Ternate, Tidor

en de overige Molukken. In 't laatst der 17de eeuw werd het Noorden van

Cel[=e]bes geheelenal afhankelijk van de compagnie, in 1704 de Preanger

landen, in 1741 het oostelijk gedeelte van Java, o. a. Soerabaya. In

1755 verdween de naam "Mat[=a]ram" uit de geschiedenis. Hij werd

vervangen door die der _vorstenlanden_, _Soerakarta_ en _Djokjokarta_,

beide onder 't oppergezag der compagnie staande. Ruim twintig jaren

later, in 1778, stond de sultan van Bantam de rechten van opperhoogheid,

die hij op de westkust van Borneo had, aan de compagnie af. In al die

onderworpen landstreken behielden de inlandsche vorsten, doorgaans onder

den titel _regenten_, zoowel als hun stamhuizen, onder de

opperheerschappij der compagnie hun rang en recht van opvolging. Hun

werd, als leidsman en voogd, een Nederlandsch ambtenaar ter zijde

gesteld, die den titel _resident_ voerde. Tevens werd hun, ten bewijze

hunner afhankelijkheid, de verplichte levering van deze of gene

voortbrengselen van den grond opgelegd.

Het vermeesteren van landen en het bemachtigen van volkeren waren

evenwel niet de grootste voordeelen, die de compagnie uit haar

ondernemingen trok. Meer waarde hadden de winsten, welke haar de

koophandel verschafte. In 1671 verheugde zij haar deelhebbers door een

uitdeeling van 65 ten honderd. Bij de waren, welke de Oost-Indische

vloten, _retourvloten_ geheeten, Nederland toevoerden, kwam sinds den

aanvang der 18de eeuw de Java-koffie, een vrucht, oorspronkelijk in

Arabië te huis behoorende.

Al was het niet op groote schaal, toch breidde ook de West-Indische

compagnie haar bezittingen langzamerhand uit. Zoo voegde zij bij hetgeen

zij had (zie blz. 88) Berbice (in 't n. van Zuid-Amerika, ten w. van

Suriname). Hoewel tot de West-Indische compagnie gerekend, was Berbice

het bijzonder eigendom van eenige Amsterdamsche kooplieden en stond

onder hun beheer. Gelijk Berbice en Suriname, was Essequ[=i]bo (ten w.

van Berbice) haar ontstaan aan Zeeuwen verschuldigd. Reeds in het begin

der 17de eeuw hadden zij er een volkplanting. Van haar ging de kolonie

Demerary (tusschen Berbice en Essequ[=i]bo) uit. Beide stonden alleen

onder de kamer Zeeland der West-Indische compagnie. Van Suriname's (zie

blz. 119) eigendom stond deze compagnie een deel af aan Amsterdam. In

weerwil van deze aanwinsten bleek het, sinds het verlies van Brazilië

(zie blz. 92, 93), dat het lot der West-Indische compagnie moest zijn,

even spoedig te vervallen, als zij zich had verheven. Weldra was zij

niet meer in staat, eenige uitdeeling te doen of slechts eenige p. c.

rente te betalen, weshalve de Staten-Generaal ze in 1674 ontbonden.

Reeds in 1675 verrees een nieuwe compagnie, waaraan de Staten-Generaal

octrooi verleenden. Het getal der _bewindhebbers_ werd op 53 gebracht,

de generale vergadering tot op 10 leden verminderd en daarom _de

vergadering van tienen_ geheeten. Het ging de nieuwe maatschappij nog

ongelukkiger, dan de vorige. Haar uitdeelingen, die schier nimmer het

cijfer van 5 ten honderd overschreden, bleven doorgaans lager.

Van de compagnieën keeren wij tot den staat zelf terug. Reeds meermalen

is gebleken, dat de soort van eenheid van den gevestigden staat, welke

er nog bestond, dikwerf dreigde teniet te gaan door den strijd, dien de

staten der gewesten bij herhaling tegen den band der unie voerden. Naast

dien strijd ontstond allengs een tweede tusschen de staten der gewesten

zelven en de leden, waaruit zij waren samengesteld. Van die leden waren

de vroedschappen der steden de talrijkste en de voornaamste. Groot was

de macht dezer vroedschappen. De groote macht, waarover de stedelijke

overheidspersonen beschikten, deed de begeerte bij hen opkomen haar te

behouden en ze op hun verwanten te doen overgaan. Zoo zag men de

waardigheid van lid der vroedschap van lieverlede zoo goed als erfelijk

worden en onder de hand van die raden uitsluiten al wie niet tot de

regeerende familiën behoorde. De gewoonte van 't aangaan van dergelijke

overeenkomsten, waarbij de leden van zulke familiën zich verbonden, om

elkander, hun verwanten en vrienden op het kussen te helpen, was in 't

midden der 18de eeuw vrij algemeen. De overeenkomsten zelven noemde men

veelal _correspondentiën_. Naar men meent, zal het eerste verdrag van

dien aard reeds in 1652 te Zierikzee zijn gesloten.

De kracht en de oorspronkelijkheid van Nederland verzwakten. Dit zag men

ook op het veld der letterkunde en op het gebied der schoone kunsten.

Vermaarde schilders kwamen minder voor. Wat de letteren aangaat, er

waren schrijvers, verdienstelijke schrijvers zelfs; doch het waren

meerendeels navolgers van de grootsche gestalten, waarop vroeger (zie

blz. 101 vlg.) werd gewezen. Vondel werd b. v. nagestreefd door

~Antonides van der Goes~, afkomstig uit Goes en in 1684 overleden, die

in zijn _Ystroom_ de reeks der Nederlandsche stroomdichters opende. Dit

gedicht, dat tot de beschrijvende soort behoort, bezingt den lof van het

Y en heeft alzoo den roem van Amsterdam tot onderwerp. Meer en meer

oefende de Fransche letterkunde een doodenden invloed op de

oorspronkelijkheid der Nederlanders, al verruimde zij van den anderen

kant hun denkbeelden. Slechts ~Justus van Effen~ (overleden in 1735)

handhaafde in zijn _Hollandsche spectator_ de eischen van een zuiveren

en lossen Nederlandschen stijl, tevens de nationale ondeugden en

gebreken van zijn tijd bestrijdende.

Zin voor wetenschap bleef den Nederlanders evenwel eigen. In de

natuurkunde verwierf o. a. ~Christiaan Huygens~, Constantijns (zie blz.

102) zoon, de uitvinder der slingeruurwerken (overleden in 1695),

grooten roem. Een Europeeschen naam had ~Herman Boerhaave~, hoogleeraar

in de geneeskunde te Leiden (overleden in 1738), tot wiens lessen

honderden studenten uit verschillende landen toestroomden.

§ 30.

_Het stadhouderschap van Willem IV._

In de beide laatste oorlogen had Nederland een overspannen rol gespeeld.

Als kampvechter voor Europa's algemeene belangen had het meer gedaan,

dan een kleine Republiek op den duur kon volhouden. Van nu aan namen

vele regenten in de Zeven Gewesten zich voor, een anderen weg te

bewandelen. De overweging, dat men tot dusver te veel had gedaan, voerde

thans dikwerf tot het te weinig doen. Het werd van lieverlede het

hoofdstreven der Republiek, zich veilig wanende achter haar barrière,

zooveel mogelijk het deelnemen aan oorlogen te vermijden. Vanhier, dat

de Europeesche mogendheden, geheel anders dan in vroegere tijden, weldra

zonder Nederland onderhandelden en bij de samenkomsten harer gezanten

niet zelden besluiten namen ten nadeele van Nederlands belangen. In

plaats van te hechten aan een rechtmatigen invloed, was men er in 't

vervolg in de Republiek op uit, zich binnen een zoo nauw mogelijken

kring te beperken. Voor land- en zeemacht droeg de regeering de noodige

zorg niet langer, geenszins gedachtig aan het spreekwoord: "zoo gij den

vrede wilt, bereid u ten oorlog." Millioenen verloren de Nederlandsche

kooplieden door de kaapvaart der Algerijnen, met wier dey de Republiek

eerst in 1726 vrede sloot.

Het kon niet anders, of de Republiek moest, in weerwil van haar zoo even

aangeduid streven, van tijd tot tijd worden gemengd in vele der

verwikkelingen, welke Europa's staatsmannen in de eerste helft der 18de

eeuw hadden op te lossen. Zoo teekende zij in 1731 de pragmatieke

sanctie (_Overzicht_, negende druk, blz. 164), en wel niet dan onder

voorwaarde, dat keizer Karel VI _de Oost-Indische maatschappij_, die hij

te Ostende had opgericht, ophief. De Staten-Generaal toch beweerden, dat

deze maatschappij geen recht van bestaan had, omdat de keizer de

Zuidelijke Nederlanden bezat op den voet, vastgesteld bij den vrede van

Munster. Onder de voorwaarden nu van dien vrede was er een (zie blz.

96), waaruit, volgens hen, voortvloeide, dat, vermits de Zuidelijke

Nederlanden op het tijdstip van het sluiten van dien vrede niet op de

Indiën voeren, zij thans evenmin aan die vaart mochten deel nemen.

In 1720 overleed de raadpensionaris Heinsius. Een zijner opvolgers was,

sedert 1727, ~Simon van Slingelandt~. Deze schrandere man schonk

eenigermate den ouden duister terug aan het gewichtige ambt, hetwelk,

voor een goed deel, zijn glans ontleende aan voorgangers, als

Oldenbarnevelt en de Witt. Gedurende de negen jaren, waarin hij de

leidsman der staten van Holland was en dit gewest ter Staten-Generaal

mede vertegenwoordigde, deed hij vele pogingen, om de gebreken, die zijn

heldere blik had doorzien, uit den weg te ruimen. Maar het was hem niet

gegeven, zijn denkbeelden tot daden te zien rijpen. De stem der

vaderlandsliefde en van het doordringend verstand stiet af op den muur

der zelfzucht en eigenbaat. Toen hij in 1736 stierf, zeide de gezant van

Portugal te 's Gravenhage: "Nu heeft de Republiek haar hoofd verloren."

Inmiddels was langzamerhand het getal toegenomen der waardigheden,

opgedragen aan den spruit uit het huis van Nassau, den zoon van Johan

Willem Friso (zie blz. 139), ~Willem Karel Hendrik Friso~. Dadelijk bij

zijn geboorte als erfstadhouder van Friesland erkend, werd hij in 1718

stadhouder van Groningen, in 1722 van Drente en van Gelderland. In 1732

werd de zaak der erfenis van Willem III (zie blz. 140) beslecht. Met

uitzondering van eenige bezittingen, die aan Frederik Willem I, koning

van Pruisen, werden toegewezen, erlangde Willem Karel Hendrik Friso alle

heerlijkheden, op Nederlands bodem gelegen. Bij hetzelfde verdrag,

hetwelk dit vaststelde, stond de prins het prinsdom Oranje aan den

koning van Pruisen af, dat deze vorst trouwens, als zich gerechtigd

achtende, reeds in 1713 (zie t. a. p.) aan de Fransche kroon had

overgegeven. Den titel behield Willem Karel Hendrik Friso zich echter

voor. Kort na deze beschikking, in 1734, trad de stadhouder van

Friesland, Groningen, Drente en Gelderland in het huwelijk met ~Anna~,

de oudste dochter van George II, koning van Engeland. Eenige jaren later

verkreeg hij bij erfenis en verdrag eenige streken van Nassau in

Duitschland, Dillenburg en andere.

In weerwil van het streven der Staten-Generaal om zich in de geschillen,

die nu en dan tusschen de hoven van Europa opkwamen, onzijdig te houden,

was het hun niet mogelijk, zich te onttrekken aan een der Europeesche

oorlogen, die in 1740 losbarstte. Nauwelijks was de keizer van

Duitschland, Karel VI, gestorven, of zijn dochter, Maria Theresia, had

een groot aantal vijanden het hoofd te bieden (_Overzicht_, blz. 164).

Onmiddellijk zocht zij hulp bij de mogendheden, die zich hadden

verbonden tot het handhaven der pragmatieke sanctie. De Staten-Generaal

begonnen met, evenals Engeland, hulpgelden te geven. Vervolgens

ondersteunden zij de koningin van Hongarije met krijgsvolk. De koning

van Frankrijk, Lodewijk XV, nam dit zeer euvel op en deed in 1747, na de

slag van Fontenai (_Overzicht_, blz. 165) te hebben gewonnen, een inval

op 't grondgebied der Republiek, allereerst in Staats-Vlaanderen.

Sinds de oorlog was uitgebroken en met vrij ongunstigen uitslag werd

gevoerd, kon men overal onder het volk toenemende blijken van

ontevredenheid met de regeering bespeuren. Naar gelang de

barrière-steden bezweken en de oorlog de grenzen naderde, groeiden de

ongerustheid en het misnoegen aan. Het gebulder van 't Fransche geschut

voor Sluis (in Staats-Vlaanderen) herinnerde den burgers van 't naburige

Veere, dat de prinsen uit het huis van Oranje-Nassau in netelige

omstandigheden meermalen de redders van 't land waren geweest. Vanhier

een herhaling van het jaar 1672: wederom ging de beweging van Veere uit.

Nadat de schutterij dezer stad in April 1747 haren wensch had te kennen

gegeven, dat de vroedschap den prins tot stadhouder mocht verkiezen, nam

dit lichaam een besluit in dien zin. Eveneens ging het in de overige

steden van Zeeland, in de eene met, in de andere zonder opschudding. Den

28sten April werd de prins door de staten van Zeeland als stadhouder

aangesteld.

Van Zeeland sloeg--wederom zooals in 1672--de beweging tot Holland over.

Het eerst geraakte het volk te Rotterdam en te Delft op de been, 's

prinsen bevordering van de vroedschap verlangende. De andere steden

volgden, en den 3den Mei 1747 had 's prinsen benoeming door de staten

van Holland plaats. Op denzelfden dag, als in Holland, geschiedde de

verheffing van den prins te Utrecht. Den 4den Mei droegen de

Staten-Generaal hem het kapitein-generaal-admiraalschap over de

krijgsmacht van den staat op. Den 10den Mei volgden de staten van

Overijsel het voorbeeld van die der andere gewesten. 't Spreekt

vanzelf, dat de prins nu tevens zitting nam in den raad van state.

Het scheen, dat er geen einde kwam aan het getal eerbewijzen en blijken

van genegenheid, waarmede de stadhouder werd overstelpt. De

Staten-Generaal vereerden den prins, van nu aan gewoonlijk ~WILLEM~ IV

(1747-1751) geheeten, met het stadhouder- en kapitein-generaalschap over

de landen van Overmaas (zie blz. 96) en voegden er welhaast dat over de

andere Generaliteitslanden bij. Nog verklaarden de gewesten het

stadhouderschap, waarmede de prins was bekleed, _erfelijk_ in zijn

nakomelingschap, ook in de vrouwelijke linie. De Staten-Generaal

verklaarden het kapitein-generaal-admiraalschap erfelijk in de

beide liniën. Bij de tallooze onderscheidingen kwam nog _het

opper-directeur-gouverneurschap_ van O. en W. Indië, dat den prins in

1749 door de bewindhebbers der beide compagnieën werd opgedragen. Verre,

zeer verre ging het gezag, hetwelk in de handen van Willem IV werd

gelegd, dat zijner voorgangers te boven. Zonder den titel werd hij

metterdaad souverein. Zien wij, hoe hij die macht aanwendde.

De misbruiken, ten opzichte van _de pachterijen_ bestaande, gaven in den

tijd van Willems verheffing van de zijde der bevolking van de steden van

Holland aanleiding tot hevige opschuddingen. Het volk was zeer gebeten

op de pachters, d. i. op hen, aan wie, als aan de meestbiedenden, de

staten der gewesten zekere belastingen voor een aantal maanden

verpachtten. De menigte, hier en daar door knevelarijen dier pachters

gekweld, stak de groote en vaak binnen korten tijd verkregen rijkdom

dezer lieden in 't oog. Het eerste barstte 't misnoegen in Friesland

los. Het volk stak de kleine opzichtershuizen in brand of haalde ze

omver, plunderde de woningen der pachters, in 't kort beging allerlei

baldadigheden. In Groningen en in de overige gewesten zag men weldra

dezelfde tooneelen, vooral te Amsterdam. Met goedvinden en op raad van

Willem IV schafte men in 1748 in Friesland, in Groningen, in Utrecht en

in Holland de pachterijen af. In deze provinciën werden de pachterijen

vervangen door de invordering bij wijze van _collecte_ of inzameling.

Aan _de collecteurs_ of gaarders, thans ambtenaren, werden matige

jaarwedden toegelegd. In Overijsel hield men zich deels aan de

pachterijen, deels aan de collecte. Gelderland en Zeeland bleven bij het

verpachten.

Inmiddels veroverden de Franschen de eene plaats na de andere in

Staats-Vlaanderen en namen in 1747 zelfs de vesting Bergen op Zoom bij

verrassing in. Het was inderdaad tot heil, van het land, dat de oorlog

in 't volgende jaar met _den vrede van Aken_ (_Overzicht_, blz. 166) een

einde nam. Voor de Republiek bevatte die vrede geen andere

hoofdvoorwaarden, dan dat zij alles, wat de Franschen op haar hadden

veroverd, terugkreeg, benevens de barrière-steden, maar deze

grootendeels geslecht.

Gedurende den korten levenstijd, die Willem IV na dien vrede van Aken

werd gegund, wijdde hij zich, voor zoover zijn zwakke lichaamskrachten

het gedoogden, zorgvuldig aan de belangen van Nederland. Wakker stond

hem, sedert 1749, de raadpensionaris ~Pieter Stein~ ter zijde. De

stadhouder kon evenwel niet dadelijk al zijn aandacht vestigen op

hetgeen hem toescheen voorziening te behoeven. Immers, in vele steden

werd, reeds sedert eenigen tijd, gewezen op het wenschelijke eener

geheele verandering der regeeringspersonen, hoedanige verandering met

elken grooten schok in 's lands binnenlandsche historie, b. v. in 1672

en in 1702, gepaard was gegaan. De meerderheid van 't volk achtte dit

evenzeer noodig of was licht tot dergelijke bewering te bewegen. Alzoo

begon de prins in 1748 met zoodanige verandering te Amsterdam. Gelijke

verzetting der wet had in de meeste overige steden van Holland plaats,

verder in Gelderland, in Overijsel, in Friesland en in Groningen. Zoo

doortastend, als vroeger bij dergelijke omwentelingen, was intusschen

deze regeeringsverandering niet.

Te midden der verschillende bewegingen werd Willem IV in 1749 op het

verval der zijde- en andere weverijen opmerkzaam gemaakt. Ten einde dit,

voorzooveel hij vermocht, tegen te gaan, verklaarde hij aan de staten

van Holland, dat hij had besloten, voor zich en zijn hof van nu af geen

zijden of andere stoffen te bezigen, dan inlandsche. Het voorbeeld vond

navolging bij de staten van Holland. Zij verzochten de heeren van de

ridderschap en de burgemeesters der stemmende steden, hetzelfde te

doen, als de prins. Aan de regenten van de niet-stemmende steden werd

dit besluit der staten als gebod medegedeeld.

Beknopte geschiedenis van het vaderland · 第 13 / 24 段