Doch het wordt tijd, tot de zaken van den oorlog terug te keeren. In

December 1672 viel de vorst in en maakte ~de hertog van Luxembourg~, een

van Lodewijks veldheeren, zich gereed, een inval in Holland te doen. Hij

overviel Zwammerdam en Bodegraven, welke plaatsen de Franschen tot den

grond afbrandden, tevens vele wreedheden tegen de ingezetenen begaande.

Inmiddels ging de vorst in regen over, hetgeen Luxembourg noodzaakte op

Woerden terug te trekken. Aan den Noordoostkant van Nederland werd het

Keulsch-Munstersche leger onder den bisschop van Munster en den

keurvorst van Keulen in 1672 gestuit door de stad Groningen. Zes weken

belegerden zij de stad. ~Karel van Rabenhaupt~, de bevelhebber der

bezetting, leidde de verdediging, wakker bijgestaan door de burgers en

de studenten. Een groot gedeelte der stad werd platgeschoten; doch de

moed der belegerden herleefde telkens na iederen goed geslaagden uitval.

In den nacht tusschen den 27sten en den 28sten Augustus blies de

bisschop den aftocht met een verlies van ongeveer 5000 man, terwijl in

Groningen slechts omtrent 100 menschen waren doodgeschoten. Den 30sten

December liet Rabenhaupt, gebruik makende van de aanwijzing van Meindert

van Thijnen, een gewezen koster te Koevorden, tevens een goed ingenieur,

deze vesting door Eybergen verrassen. Ook ter zee stond het vrij wel met

de aangelegenheden der Republiek. Na den slag bij Solebay (zie blz. 123)

ging de Ruiter langs de kusten van ons land kruisen, om de Engelschen de

landing te beletten, die zij, opdat Holland van twee zijden werd

aangevallen, zich hadden voorgenomen. In zijn streven werd de Ruiter

ondersteund door de natuur zelve. Toen de vijandelijke vloot in Juli

1672 in het gezicht van de Helder was, stak er een storm op, die drie

dagen zonder ophouden en, met eenige tusschenpoozen, bijna drie weken

aanhield. Zoo was het jaar, welks begin zoo rampspoedig was geweest voor

Nederland, en inzonderheid het einde, niet teneenenmale van voorspoed

verstoken.

Meer geluk bracht het volgende jaar. Een beslissende zege behaalde ~de

Ruiter~ den 21sten Augustus bij ~Kijkduin~ (nabij de Helder) op de

Fransch-Engelsche vloot onder ~d'Estrées~ en ~prins Robert~ (zie blz.

117). Te land noodzaakte Willem III door een koene onderneming, de

verovering van Bonn, in November 1673 de Franschen, ons land te

verlaten. In het jaar 1674 was de fortuin Frankrijk nog minder gunstig.

De koning van Engeland, door de bedreigingen van 't parlement gedrongen,

moest tot _den vrede van Westminster_ (19 Febr. 1674) besluiten, welke

dien van Breda bekrachtigde. Dit voorbeeld volgden de bisschop van

Munster en de keurvorst van Keulen.

Terwijl het hoofdtooneel van den oorlog thans werd verplaatst naar de

Spaansche Nederlanden, waarheen de Franschen aanstonds na de ontruiming

van ons land weken, keerden de bevrijde gewesten Utrecht, Gelderland en

Overijsel tot het bondgenootschap weder. Ook zij moesten zich laten

welgevallen, dat Zijn Hoogheid, op last der Staten-Generaal, de

regeering hunner steden veranderde, gelijk dit in Holland en Zeeland was

geschied. Hierbij bleef het niet. Nadat Holland en Zeeland het

stadhouderschap, gelijk de Staten-Generaal het kapitein-generaal- en

admiraalschap, erfelijk hadden verklaard in de mannelijke linie des

prinsen van Oranje, volgden Utrecht en Overijsel in 1674, Gelderland in

1675 het gegeven voorbeeld. Aan Hendrik Kasimir II (zie blz. 118) droeg

Groningen in 1674 het erfstadhouderschap op. In Gelderland achtte de

adel nog niet genoeg te hebben gedaan. Door zijn invloed boden de staten

van dit gewest den prins de hoogste macht aan met den titel "hertog van

Gelderland en graaf van Zutfen." Deze waardigheid wees de prins evenwel

van de hand, toen verscheidene steden van Holland en Zeeland te kennen

gaven, dat dit aanbod haar weinig behaagde.

Alzoo, hoofdzakelijk door toedoen van Fagel, een macht hebbende

verkregen, grooter wellicht dan die, welke den hertogelijken of

graaflijken titel ware toegekend, zette Willem III den strijd tegen de

vijanden van zijn vaderland buiten de grenzen van het Gemeenebest voort.

In de Zuidelijke Nederlanden leverde hij den slag van Senef

(_Overzicht_, 9e druk, blz. 152). Ook naar 't Zuiden, naar de

Middellandsche Zee, werd de kamp overgebracht (t. a. p.). In 1676

zond men ~de Ruiter~ naar die wateren. Driemalen leverde de

Nederlandsch-Spaansche vloot slag tegen den Franschen admiraal ~du

Quesne~: in de tweede ontmoeting, bij den ~Etna~, zegepraalden de onzen,

maar verloren den eersten vlootvoogd zijner eeuw.

Sinds lang wenschten Frankrijk en Nederland vrede te sluiten. Tot plaats

der bijeenkomst werd Nijmegen bepaald. Van het begin af streefde

Frankrijk slechts naar een afzonderlijken vrede met de Staten-Generaal;

doch Willem III hield dit lang tegen. Te midden der onderhandelingen

ging Willem in 1677 een huwelijk aan met ~Maria~, de oudste dochter van

zijn oom, den hertog van York. In den nacht van den 10den tot den 11den

Augustus 1678 kwam _de vrede van Nijmegen_ tusschen Frankrijk en de

Republiek tot stand. De Nederlanden verloren niets.

§ 28.

_Willem III.--De negenjarige oorlog.--De Spaansche erfopvolgingsoorlog._

Zóó bereikte Lodewijk XIV, trots al zijn vijanden, zoowel door de wapens

als door de kunst van 't onderhandelen, althans ten deele, zijn doel. De

vrede van Nijmegen versterkte den koning in zijn overmoed. Niets achtte

hij, in 't gevoel zijner overmacht, in staat, om hem te beletten, nu ook

met vreemde staten even willekeurig te werk te gaan, als hij in zijn

rijk zelf jegens zijn onderdanen placht te doen. De reunionskamers

(_Overzicht_, 9e druk, blz. 152) toonden dit maar al te zeer. Na de

herroeping van 't edict van Nantes vreesde al wat protestant was voor 't

overwicht van den vervolger hunner geloofsgenooten. Dit verstrekte

keizer Leopold I, het grootste gedeelte van 't Duitsche rijk, Spanje en

de Nederlanden tot een krachtigen prikkel, om in 1686 onder elkander

verschillende verbonden te sluiten.

Hij, die deze verbonden tot stand bracht en er de ziel van was, was

Willem III, van dit oogenblik af de rustelooze bestrijder van den

heerschzuchtigen vorst. Gelijk Lodewijk de vertegenwoordiger was van 't

volstrekte gezag en van een algeheele staatseenheid, die het

katholicisme als middel aanwendde, zoo was hij de vertegenwoordiger en

de voorvechter van het staatkundig evenwicht van Europa, die het

protestantisme als werktuig bezigde. Voor die taak was de prins van

Oranje-Nassau ten volle berekend. Zwak en tenger was hij van lichaam,

maar krachtig van geest. Zijn karakter, van nature standvastig, was door

den tegenspoed zijner jeugd gestaald. Doorgaans was hij stil en in

zichzelf gekeerd. Slechts op den dag van een veldslag was hij levendig

en vol vuur: terwijl hij anders steeds langzaam sprak, vlogen hem dan de

woorden van de lippen. Als staatsman stond Willem III boven al zijn

tijdgenooten. Hij was volkomen bekend met de gesteldheid van Europa's

kabinetten, met de roersels en drijfveeren der machthebbers. De taak,

die hij als zijn levenstaak aanmerkte, was een volhardend tegenstreven

van Frankrijks pogingen, om de heerschappij over Europa te bemachtigen.

Al beleefde Willem het geenszins, zijn doel werd mettertijd bereikt.

Daarentegen kostte het stelsel van Europeesche staatkunde, dat de plaats

innam van de Witts stelsel, hetwelk Neêrlands belangen tot punt van

uitgang had, aan de Republiek den eersten rang onder de zeemogendheden.

Van Willems tijd af moest zij zich met den tweeden rang tevreden

stellen.

Even onvermoeid, als op het gebied der staatkunde, bestreed Willem III

zijn vijand op het slagveld. Persoonlijke moed was een zijner gaven;

doch onder de groote veldheeren verdient hij, gelijk zijn

overgrootvader, niet de plaats, die hem onder de groote staatsmannen

toekomt. Intusschen is het onwedersprekelijk, dat hij een aantal bekwame

generaals heeft gevormd, die in den Spaanschen erfopvolgingsoorlog

menige zege behaalden. Veldslagen gewonnen heeft hij bijna niet. Zijn

talenten kwamen vooral uit, wanneer hij, òf op zijn meesterlijke

aftochten, òf na de nederlaag onwrikbaar stand houdende, den vijand

zooveel ontzag wist in te boezemen, dat hij hem niet verder durfde

aantasten.

Het groote gezag, dat Willem in de Nederlanden had, heeft hij gebruikt,

ten einde de hinderpalen, die hij nu en dan in de leiding der Republiek

op zijn weg ontmoette, op zoodanige wijze uit den weg te ruimen, dat hij

de regenten zoo goed als afhankelijk van zich maakte. Onwrikbaar stond

hem in zijn pogen de raadpensionaris Fagel ter zijde, wien, evenals aan

de latere opvolgers van Johan de Witt, gemeen overleg met den

stadhouder tot plicht was gesteld. Vanhier, dat men thans een

samenwerking aanschouwde van stadhouder en raadpensionaris, zooals men

nimmer had beleefd. In vele opzichten strookte het streven des

stadhouders weinig met den aard eener republiek. Vele bewijzen zijn

aanwezig, om het verwijt te staven, dat Willem III zich niet ontzag, op

willekeurige wijze in te grijpen, wanneer dit met zijn plannen

overeenkwam. Vele steden moesten ondervinden, dat de stadhouder zich

niet te stipt aan haar voorrechten hield. Hier stelde hij nieuwe leden

in de vroedschap, elders zette hij er leden uit.

Onder alles, dat Lodewijk XIV zich zoo ten aanzien van Europa, als van

hemzelf veroorloofde, was er niets, dat Willem dieper krenkte, dan het

wederrechtelijk in bezit nemen van het prinsdom Oranje (zie blz. 50). 's

Prinsen haat tegen Lodewijk deelde de meerderheid der natie, hoog

ingenomen met de hervormde leer, vooral sinds haar uit Frankrijk

vluchtende broeders, in de naaste jaren vóór 1685 en inzonderheid sedert

dit jaar, hier te lande een veilige schuilplaats kwamen zoeken. Zeer

edelmoedig ontving men deze vluchtelingen, _réfugiés_, in Nederland.

Lodewijk XIV was destijds niet de eenige vorst, die gevaarlijk werd

geacht voor de hervormde kerk. Vele maatregelen van Jakob II, Engelands

koning, hadden dezelfde strekking (_Overzicht_, 9e druk, blz. 157). Van

't oogenblik af, dat hij den troon besteeg, hield Willem den blik

onafgebroken gevestigd op den toestand van dit rijk. Met vele

aanzienlijke Engelschen stond hij in briefwisseling. De vroedschappen

der steden van de verschillende provinciën stemden erin toe, den prins

met 's lands zee- en landmacht te ondersteunen. Middelerwijl had

~d'Avaux~, Lodewijks gezant in de Nederland, zijn vorst bekend gemaakt

met de groote toerustingen der Republiek en hem medegedeeld, dat zij,

naar hij vermoedde, op Engeland doelden. Lodewijk draalde niet, Jakob II

er een wenk van te geven; maar deze vorst sloeg de waarschuwing in den

wind. Toen het ten laatste onwedersprekelijk was, dat de prins Engeland

op 't oog had, was het te laat en moest Jakob zijn lot afwachten. In

November 1688 legde de vloot, ten aanschouwen eener groote menigte

volks, welke zich op de kusten van Engeland en Frankrijk verdrong, in

de haven van Torbay (aan de z. kust, ten o. van Plymouth) aan.

Onmiddellijk trok Willem naar Londen. Jakob vluchtte naar Frankrijk, en

in 1689 werden Willem en Maria als koning en koningin van

Groot-Britannië uitgeroepen. Nog voordat Willem de kroon op zijn hoofd

zette, verloor hij zijn vriend, den raadpensionaris Fagel, die veel had

gedaan, om 's lands regenten gunstig voor het ondersteunen des

stadhouders te stemmen. In plaats van Fagel kwam in 1689 ~Antonie

Heinsius~.

Tot het welslagen der onderneming droeg dit veel bij, dat Lodewijk in

1688 en 1689 achtereenvolgens aan de boven genoemde bondgenooten (zie

blz. 132), alzoo ook aan Nederland, den oorlog verklaarde. Zóó begon de

negenjarige oorlog. Tegen zijn verwachting had Lodewijk thans nog één

vijand meer te bestrijden, n.l. Engeland. De mogendheden bekrachtigden

hun vereeniging in 1690 door _het Weener verbond_. Het leger der

Republiek streed met het krijgsvolk der bondgenooten in de Zuidelijke

Nederlanden. Hier won ~Luxembourg~ in 1692 op Willem III,

opperbevelhebber van de gezamenlijke troepen der bondgenooten, den slag

bij ~Steenkerken~ (in 't n. van Henegouwen, ten n.w. van Senef), in 1693

dien bij ~Landen~ en ~Neerwinden~ (in 't n.w. van Luik). Deze nadeelen

werden eenigermate vergoed door de schitterende zege, die de

Nederlandsch-Engelsche vloot onder ~Almonde~ en ~Russel~ in 1692 bij ~la

Hogue~ (in 't n.w. van Normandië, aan 't Kanaal) op den Franschen

admiraal ~Tourville~ behaalde. Hoewel de koning van Frankrijk over 't

geheel met geluk streed, deden de uitputting zijns lands en nieuwe

ontwerpen bij hem begeerte naar rust ontstaan. Zoo sloot hij in 1697

_den vrede van Rijswijk_ (tusschen den Haag en Delft). Lodewijk erkende

Willem III als koning van Engeland en stond hem het prinsdom Oranje weer

af.

Aan de Republiek bracht het geen voordeel, dat hij, die stadhouder van

de meeste harer gewesten was, de eer verwierf, een kroon te mogen

dragen, die weldra bleek voor hemzelf een doornenkroon te zijn. Zij ging

gebukt onder den druk van 't verbond met Engeland en was binnen kort te

vergelijken bij een sloep, voortgesleept door een linieschip. Haar

handel leed op nieuw een grooten schok. Dadelijk, in 't begin van den

oorlog, werden vele Nederlandsche koopvaardijschepen, die men wegens de

geheimhouding, waarmede de toeleg op Engeland werd behandeld, niet had

kunnen waarschuwen, in Frankrijk aangehouden. Tevergeefs vleide men zich

met de hoop, dat Willem iets zou doen tot intrekking of verzachting van

de akte van navigatie. De nadeelen, den handel toegebracht, werden niet

vergoed door de ruim zeven millioenen, die Engeland in 1689 en volgende

jaren, als schadeloosstelling voor de kosten van den overtocht, aan

Nederland betaalde.

Even vóór het einde van den negenjarigen oorlog, in 1696, stierf een van

de veldmaarschalken der Republiek, die in den slag bij Landen en

Neerwinden wakker had medegestreden, de stadhouder van Groningen,

Friesland en Drente, Hendrik Kasimir II (zie blz. 131). Zijn zoon ~Johan

Willem Friso~ (1696-1711) volgde hem in Groningen en in Friesland op

onder regentschap zijner moeder ~Amalia van Anhalt-Dessau~, een

kleindochter van Frederik Hendrik en dochter van Johan George II, vorst

van Anhalt-Dessau, terwijl Drente aan Willem III het stadhouderschap

opdroeg. Voor 't overige werd de betrekking, waarin Nederland reeds

sedert lang tot Rusland stond, in dezen tijd nauwer door een persoonlijk

bezoek van Peter, den keizer aller Russen en eersten hervormer zijner

natie op groote schaal (_Overzicht_, 9e druk, blz. 160, 161). Eenige

dagen hield hij zich in 1697 te Zaandam op en timmerde te Amsterdam op

de werf een geheel schip af. Later hervatte de alleenheerscher van het

groote rijk het bezoek in 1717. Zonder overdrijving mocht Nederland zich

beroemen, op die wijze een gunstigen invloed te oefenen op Ruslands

ontkiemende beschaving.

Het werd weldra duidelijk, dat Lodewijk juist geen duurzamen vrede

beoogde en welke bedoelingen hij nog in 't schild voerde. Hij wendde

zich tot Engeland en tot de Nederlanden, hun voorslaande, zonder den

keizer (_Overzicht_, 9e druk, blz. 151) erin te kennen, met hem een

verdrag te sluiten, waarin zou worden vastgesteld, op welke wijze de

landen der Spaansche kroon te verdeelen bij den dood van den koning van

dit rijk, Karel II, die elk oogenblik tegemoet werd gezien. Metterdaad

kwamen er achtereenvolgens twee dergelijke verdragen tot stand. Leopold

echter sloot zich er niet bij aan, en nog veel minder Karel II zelf, bij

wiens dood (den 1sten Nov. 1700) men een testament vond, dat Philips van

Anjou, den tweeden zoon van den dauphin, tot eenigen erfgenaam der kroon

van Spanje verklaarde. Bij de gewichtige vraag, die deze verdragen

trachtten te beslissen, had Willem III, de voorvechter van Europa's

vrijheid, alleen het evenwicht der staten en 't behoud der rust van dit

werelddeel op het oog. Als hoofd der zeemogendheden, Engeland en de

Nederlanden, meende hij, dat het deze staten, bij de groote macht, die

èn het huis Habsburg, èn Bourbon bezat, niet onverschillig kon zijn, wie

de bezitter der Spaansche monarchie werd. Intusschen begaf zich Philips

van Anjou, als koning Philips V, in 1701 naar zijn koninkrijk Spanje.

Keizer Leopold, die den nieuwen koning niet wilde erkennen, rustte zich

dadelijk ten oorlog. Weldra vond hij steun bij het _groote_ of _Haagsche

verbond_ in 1701, dat hij met Engeland en de Nederlanden sloot en bij

hetwelk zich ook Frederik I van Pruisen, het Duitsche rijk, Portugal en

Savoye voegden. Willem III was niet bestemd, zelf den oorlog mede te

voeren. Eer die krijg nog recht was uitgebroken, leden de bondgenooten

in Maart 1702 door zijn overlijden het zwaarste verlies, dat hen kon

treffen. Vóór zijn dood had Willem III pogingen aangewend, om den

stadhouder van Friesland, Johan Willem Friso, te doen verkiezen tot

opvolger in de waardigheden, die hij hier te lande bekleedde. Maar

ziende, dat de staten der gewesten hiertoe niet overhelden, had hij zijn

bemoeiingen gestaakt. Terstond na Willems dood gaven de staten van

Holland in de vergadering der Staten-Generaal te kennen, dat zij het

voornemen hadden, de aangelegenheden te laten, zooals zij waren, en de

staten der vier overige gewesten, alsmede die van Drente, volgden hun

voorbeeld. Men liet de hooge ambten onvervuld, en de zaken der regeering

werden in de vijf provinciën teruggebracht op den voet van 1651.

De oorlog, door Lodewijks toedoen ontbrand, werd gevoerd in Italië,

Duitschland, de Zuidelijke Nederlanden en Spanje. Het getal van 's

konings uitstekende veldheeren was zeer afgenomen. Daarentegen stond aan

den kant der bondgenooten een rij van groote mannen: ~John Churchill~,

graaf, daarna ~hertog~ van ~Marlborough~ (in Devonshire, in 't z. van

Engeland); ~Eugenius van Savoye~, Leopolds veldheer, en Antonie

Heinsius. Deze mannen noemt men, wegens hun gemeenschappelijke leiding

der zaken, het driemanschap in dezen oorlog. Het aandeel, dat de

Nederlanders aan den oorlog namen, bepaalde zich tot de verrichtingen

ter zee en in de Spaansche Nederlanden. In 1704 nam de Engelsche

admiraal ~Rooke~, bijgestaan door de vloot der Nederlanden onder den

luitenant-admiraal ~Callenburgh~, bijna zonder slag of stoot het

onneembare, maar toen slecht bewaakte Gibraltar in. Koningin Anna

(_Overzicht_, 9e druk, blz. 157) verklaarde, over deze verovering te

willen beschikken in gemeenschappelijk overleg met de Staten-Generaal;

doch in strijd met deze uitdrukkelijke belofte en in weerwil dat de stad

was genomen in naam van aartshertog Karel, Leopolds tweeden zoon,

eigende Engeland zich haar stilzwijgend toe.

Wat den oorlog te lande betreft, voegden zich de Nederlandsche troepen

bij het leger, dat in de Zuidelijke Nederlanden stond en waarover

Marlborough het bevel voerde. Aan 't hoofd van de krijgsbenden der

Republiek stond o. a. Johan Willem Friso. Schitterend was de reeks der

veldslagen. Marlborough versloeg in 1706 ~Villeroi~ bij ~Ramillies~ (in

't z.o. van Zuid Brabant). Marlborough en Eugenius wonnen in 1708 den

slag bij ~Oudenaarde~ (in Oost-Vlaanderen aan de Schelde) op Vendôme en

op den jongen ~hertog van Bourgondië~, den oudsten zoon van den dauphin,

en in 1709 dien bij ~Malplaquet~ (nabij Mons) op ~Villars~. Hierop

werden de Spaansche Nederlanden allengs geheel veroverd.

Intusschen had Lodewijk XIV, Marlborough en Eugenius terecht voor

afkeerig van den vrede houdende, zich reeds eenige malen in dien zin tot

Heinsius gewend, maar vruchteloos. In 1709 geschiedde de aanvraag om

vrede van Lodewijks kant met meer aandrang dan ooit. Doch toen de

overwinnaars hun eischen al hooger stelden, werden de onderhandelingen

afgebroken. Hierop volgde de slag bij Malplaquet. De onderhandelingen,

in 1710 nogmaals te Geertruidenberg hervat, voerden wederom tot niets.

Zij werden gestaakt, omdat de bondgenooten hun eischen nog in zoo verre

verzwaarden, dat zij vorderden, dat de grijze Lodewijk zelf zijn

kleinzoon, des noods met geweld, zou onttronen en dwingen, Spanje te

verlaten. Maar plotseling kwam er een wending in den loop der

gebeurtenissen. Juist toen de gezichteinder voor Lodewijk met steeds

dreigender wolken betrok, brachten twee onverwachte gebeurtenissen hem

redding aan. De eene was de vroegtijdige dood van Jozef I, keizer van

Duitschland, Leopolds zoon en opvolger, wien zijn eenige broeder, Karel

VI, in 1711 opvolgde. Nu drongen de zeemogendheden er niet langer op

aan, dat men den beheerscher van zoovele landen nog de Spaansche

monarchie zou toevoegen. De andere was de terugroeping van Marlborough

en de val van het whig-ministerie, waarvan hij de ziel was. Het voor de

whigs in de plaats komende tory-ministerie hield den oorlog voor

strijdig met Engelands belangen en knoopte dus onderhandelingen met

Frankrijk aan.

Intusschen verloren de Nederlanden nog vóór het einde van den oorlog een

hunner veldheeren. Johan Willem Friso, in 1711 uit de legerplaats naar

's Gravenhage willende gaan, om, ter zake van de erfenis van Willem III,

een bijeenkomst te houden met zijn mede-erfgenaam, den koning van

Pruisen, verdronk in Juli van dat jaar door 't omslaan der schouw of

pont aan den Moerdijk (tusschen Willemstad en Geertruidenberg), nog

slechts vier-en-twintig jaren oud zijnde. Zijn gemalin, ~Maria Louise~,

een dochter van Karel, landgraaf van Hessen-Kassel, bracht kort daarna

een zoon ter wereld, Willem Karel Hendrik Friso. In 1712 kwamen de

gezanten der oorlogvoerende mogendheden te _Utrecht_ bijeen, om te pogen

tot een vrede te geraken. In April 1713 werd _de vrede_ onderteekend,

behalve door de gezanten van Karel VI, die eerst in 't volgende jaar

(_Overzicht_, 9e druk, blz. 155) een einde maakte aan den oorlog.

Philips V behield Spanje en zijn bezittingen buiten Europa. De

Nederlanden verwierven een voordeelig verdrag van handel en inkomende

rechten. Ook dit moet als een voordeel voor de Republiek worden

aangemerkt, dat het groote doel, waarom zij aan den oorlog had deel

genomen, bij den vrede werd bereikt, daar de Zuid-Nederlandsche gewesten

niet aan Frankrijk, maar aan Oostenrijk kwamen. Alsof dit evenwel niet

genoeg ware tegen Frankrijks gevreesde nabijheid, verkreeg zij, om haar

tot voormuur tegen de aanvallen van dit rijk te dienen, _de barrière_,

die haar het recht gaf, in Namen, Doornik, Meenen, Warneton, Yperen,

Veurne en het fort Knokke bezetting te leggen, terwijl mede werd

bepaald, dat in de stad Dendermonde gemengd garnizoen, d. i. half

Oostenrijksch, half Staatsch, zou liggen. Het verdrag over de barrière

kwam den 16den November 1715 tot stand. Het prinsdom Oranje, hetwelk de

Staten-Generaal uit de nalatenschap van Willem III aan Frederik Willem

I, koning van Pruisen (_Overzicht_, 9e druk, blz. 163), hadden

toegekend, ging, tegen schadeloosstelling vanwege den koning van

Frankrijk, aan dit rijk over.

§29.

_Blik op den toestand des lands in de laatste helft der 17de en in 't

begin der 18de eeuw._

Beknopte geschiedenis van het vaderland · 第 12 / 24 段