Omtrent twee jaren had nu de zeeoorlog geduurd, toen er met den aanvang

van 't jaar 1667 ernstig sprake begon te komen van vrede. Eerlang werd

Breda als plaats om te onderhandelen aangewezen. Weldra werden de

onderhandelingen begonnen; maar er was weinig voortgang, hoofdzakelijk

door de onverschilligheid der Engelschen. Reeds lang had de

raadpensionaris het voornemen gehad, Engeland een geduchten slag toe te

brengen. Nu kon de verwezenlijking van dat denkbeeld tevens deze nuttige

strekking hebben, dat zij den vrede bespoedigde. Eindelijk brak de dag

der wrake aan. De vloot--een Hollandsche vloot, want Zeeland had er geen

schepen bij en die van Friesland kwamen eerst later--stak in zee. Het

bevel voerde de Ruiter. Als gevolmachtigde der Staten-Generaal

vergezelde hem ~Cornelis de Witt~, Johans broeder en ruwaard, d. i.

baljuw, van het land van Putten (ten o. van Voorn). Den 17den Juni liet

Hollands scheepsmacht voor den mond der Theems het anker vallen.

Engeland had geen vloot in zee, om haar de vaart te verhinderen. Den

20sten Juni zeilde het eerste Hollandsche smaldeel de Medway of het

Kanaal van Rochester op, en op zijn nadering vloden de schepen des

vijands. De Engelschen hadden menig schip in de rivier de Medway laten

zinken; doch dit belette de Nederlanders niet, meer dan één vaartuig in

brand te steken of te veroveren. Treurig zag het bij die zegepraal te

Londen uit. De stad sidderde, en aan afdoende maatregelen viel niet te

denken. Daarom oefende dan ook _de tocht naar Chattam_ een gunstigen

invloed op de onderhandelingen _te Breda_. Den 31sten Juli 1667 werd _de

vrede_ gesloten. Hij liet aan elk, wat hij op 't oogenblik van het

sluiten des vredes in bezit had, en beperkte de akte van navigatie in

zooverre, dat zij niet meer van toepassing zou zijn op de Duitsche

waren, die den Rijn af of over land in Nederland waren ingevoerd. Zooals

de Republiek dus, ten gevolge der eerste bepaling, Nieuw-Nederland

verloor, zoo bleef Suriname (in 't n.o. van Zuid-Amerika) behouden, dat

~Abraham Krijnszoon~ in Februari 1667 in naam der staten van Zeeland had

vermeesterd en dat iets later aan de West-Indische compagnie werd

verkocht.

§ 26.

_De triple alliantie en de vrede van Aken.--Het begin van den oorlog van

1672._

Gedurende het laatste gedeelte van den zeeoorlog waren de

onderhandelingen met Frankrijk (zie blz. 115) slepend gebleven.

Intusschen gebeurde, wat men lang had gevreesd. De koning van Frankrijk,

meenende, dat de oorlog met Engeland de Republiek zoozeer bezig hield,

dat hij haar niet langer behoefde te ontzien, sloeg een anderen weg in,

om tot zijn doel te geraken. Philips IV, de koning van Spanje, was in

1665 overleden, een minderjarigen zoon, Karel II, nalatende, die hem

opvolgde. Hem wilde Lodewijk thans de Spaansche Nederlanden, als een

erfenis zijner gemalin, Maria Theresia, een dochter van Philips IV,

ontrukken. In Mei 1667 viel hij plotseling in de Zuidelijke Nederlanden.

Binnen eenige weken vermeesterden de Franschen Charleroi, Doornik en

vele andere steden. De Nederlanden geraakten door Lodewijks gewelddadige

handelwijze in een neteligen toestand. Desniettemin hield de

raadpensionaris het roer van den staat met vaste hand. Eerst wist hij

tegen 't einde van 1667 een wapenstilstand tusschen de oorlogvoerende

partijen tot stand te brengen.

Middelerwijl leidden de overwegingen over de binnenlandsche

aangelegenheden tot een uitkomst, die wederom zeer verschillend werd

beoordeeld. Bij de beraadslagingen der Staten-Generaal over de

versterking der landmacht kwam de vraag op, wien men zou stellen aan 't

hoofd der troepen van den staat. De staten van Holland, inziende, dat

men er eerlang toe zou moeten komen, den prins van Oranje het

kapitein-generaal-admiraalschap op te dragen, inzonderheid indien de

Republiek in een oorlog te land mocht worden gewikkeld, en vreezende,

dat de vereeniging dier waardigheid met het stadhouderschap op den ouden

voet aan den persoon, die ermede werd bekleed, te veel overwicht gaf in

den staat, stelden den 5den Augustus 1667 een overeenkomst op, die

ongeveer dezelfde bepalingen inhield als de thans vervallen akte van

seclusie. Bij deze overeenkomst, met eenparig goedvinden opgemaakt,

_het eeuwig edict_, dat Hollands regenten, benevens de raadpensionaris,

onderling bezwoeren, werd het stadhouderschap in Holland afgeschaft en

verklaard, dat Hollands streven steeds zou zijn, dat het in de overige

provinciën werd afgescheiden van het kapitein-generaalschap der unie.

Gedurende den genoemden wapenstilstand begon Karel II, duchtende dat

Nederland en Frankrijk ten aanzien der Zuidelijke Nederlanden

eendrachtig zouden te werk gaan, te neigen tot krachtdadige

tusschenkomst. Te dien einde gaf de koning van Engeland aan ~William

Temple~, zijn afgevaardigde te Brussel, last, zich, onder den schijn,

alsof hij over Holland naar Londen reisde, te 's Gravenhage op te houden

en zich met de Witt te verstaan over een verdrag ter wering van Lodewijk

uit de Zuidelijke Nederlanden. Na korte voorloopige beraadslagingen

stelden de beide staatslieden binnen vier dagen het verdrag op, bekend

onder den naam _triple alliantie_ of drievoudig verbond, hetwelk

Engeland en de Nederlanden in Januari 1668 met elkander sloten. Tot dit

verdrag trad Zwedens rijksraad, die destijds het bewind voerde voor den

minderjarigen Karel XI en hiertoe was omgekocht door Hollands geld,

terstond toe, en Spanje in 1669. Dit verdrag, het schrandere gewrocht

van Temple's en de Witts broederlijk overleg, bevatte hoofdzakelijk een

wederkeerige verbintenis der drie staten, om den vrede tusschen

Frankrijk en Spanje indiervoege tot stand te brengen, dat het

eerstgenoemde rijk zijn veroveringen of een deel hiervan behield.

Lodewijk XIV gaf aan den wensch der drie verbonden staten toe en sloot

den vrede van Aken (_Overzicht_, 9e druk, blz. 150).

Hoezeer zijn toorn voor 't oogenblik wetende te bedwingen, was Lodewijk

diep gekrenkt door den stouten greep, die zijn overmoed voor een wijl

had bedwongen. Zichzelf als den beschermer der Nederlanden, zooals nog

kort tevoren tegen den bisschop van Munster, aanmerkende, kon hij de

betoonde ondankbaarheid niet vergeven. Met onverbiddelijke

wraakgierigheid zwoer hij het verderf dier kramers en visschers, die

hem, den grooten koning, in zijn vaart hadden gestuit. Alle stappen, die

hij van dit oogenblik af deed, doelden op den val der Republiek. De

rijksraad van Zweden, wederom geld noodig hebbende, leende het oor aan

Frankrijks voorslagen en beloofde bij een verdrag, in 't begin van 1672

gesloten, tegen betaling eener groote geldsom, een leger op de been te

zullen houden, ten einde iederen Duitschen vorst, die de Nederlanden te

hulp mocht komen, aan te tasten. Alreede in 1670 sloot Karel II van

Engeland, steeds goud behoevende voor zijn verkwistende handelwijze, met

Lodewijk _het geheime verdrag van Dover_, waarin hij zich verplichtte,

Frankrijk tegen Nederland bij te staan.

Terwijl de Staten-Generaal op die wijze in 't onbepaalde voorgevoel van

naderende rampen verkeerden, stelden zij in 1670 eenparig een stuk vast,

volgens hetwelk, in overeenstemming met Hollands besluit (zie blz. 120,

121), het kapitein-generaal-admiraalschap voor altijd gescheiden bleef

van het stadhouderschap. Dit stuk heet _de harmonie_ of overeenstemming.

Vervolgens ging men in December 1671 een verdedigend verbond met Spanje

aan. In Februari 1672 benoemden de Staten-Generaal den prins tot

kapitein-generaal voor één veldtocht. Door 's prinsen toedoen kwam de

keurvorst van Brandenburg (zie blz. 108) er nu eerlang toe, een verdrag

met de Republiek te sluiten, waarin hij zich tot het geven van hulp

verplichtte. Met den keizer van Duitschland kwam in den loop van

hetzelfde jaar een dergelijk verbond tot stand.

Den 7den April verscheen de oorlogsverklaring der beide koningen op één

dag. Aan bondgenooten had Frankrijk geen gebrek. Den 18den Mei 1672

verklaarde de bisschop van Munster (zie blz. 117) den Staten-Generaal

den oorlog. Fransch geld en Fransche invloed bewogen hem hiertoe, gelijk

mede zijn nabuur ~Maximiliaan Hendrik~, keurvorst van Keulen en prins

van Luik (zie blz. 96). Den 11den Mei brak Lodewijk ten strijde op.

Maastricht werd voorbijgetrokken. Maar Wezel, Emmerik en andere steden,

tot het Kleefsche gebied behoorende, waarin de Staten-Generaal

bezettingen hadden liggen, vielen, binnen weinige dagen, in Lodewijks

handen. Zij bezweken, omdat de vestingwerken waren verwaarloosd, of de

bezetting te zwak was, of de noodige voorraad ontbrak, of de burgerij

Nederlands regeering niet was toegedaan, of het verraad zijn rol

speelde.

Men meende, dat de koning vervolgens zou trachten, den Ysel over te

trekken. Doch in plaats hiervan maakte hij een zuidelijke beweging en

richtte zich op den Rijn. Bij den Ysel lag het Nederlandsche leger, ruim

14,000 man voetvolk, 7000 ruiters en eenige duizenden gewapende

landlieden, ongeschikt tot krijgsdienst. De rivieren waren uitgedroogd.

Tegenover die Nederlandsche troepen stond een Frans leger van 118,000

man met 200 stukken geschut; bovendien meer dan 2000 adellijke

vrijwilligers, die als gemeenen dienden, in afzonderlijke ruiterbenden

ingedeeld. Allen bezielde de tegenwoordheid van hun koning, die het

opperbevel aan ~Turenne~ en ~Condé~ had opgedragen. Den 12den Juni 1672

begon het overtrekken bij het tolhuis te Lobith. Tevergeefs beproefde

men, de Franschen tot staan te krijgen. De overmacht was te groot,

hoewel menig schot der Nederlanders zijn man trof. Vruchteloos hebben

lage vleiers het overtrekken van den Rijn tot een schitterend wapenfeit

willen verheffen. Evenmin als het nemen der vele kleine sterkten, kan

die daad het Fransche leger tot eenigen roem verstrekken.

Wanhopig werd thans 's lands toestand, nu de deur der Vereenigde

Nederlanden was geopend en het leger der Republiek op Utrecht terugtrok,

om ook hier slechts een paar dagen te toeven en dan nog verder te

wijken. Binnen een tiental dagen bezweken de meeste steden van

Gelderland en geheel Utrecht. Den 23sten Juni ging de stad Utrecht bij

verdrag over. Dan gaf zich nog Naarden over. Eerst Muiden stuitte den

zegevierenden marsch des vijands. Gedurenden denzelfden tijd, dien

Frankrijk in zijn eigen belang zoo wel besteedde, veroverden de bisschop

van Munster en de keurvorst van Keulen een gedeelte van Gelderland,

waaruit hen evenwel de Franschen weder verdreven. Hun weg voortzettende,

onderwierpen zij vervolgens Overijsel en namen Koevorden in. Een

gelukkige tegenstelling tegen dit tafereel van vernedering was

Aardenburg (in Staats-Vlaanderen), van welke stad de Franschen werden

genoodzaakt met een zwaar verlies af te deinzen. Alleen ter zee bleek

Neêrlands meerderheid boven zijn vijanden, want den 7den Juni leverde

~de Ruiter~ bij ~Solebay~ (een inham op de Oostkust van Engeland, ten z.

van Soutwold) een slag aan de Fransch-Engelsche vloot, die onder 't

bevel stond van den ~hertog van York~ en ~d'Estrées~. Een beslissende

zege behaalde geen der beide partijen; maar het voordeel was aan den

kant van de Ruiter. De Franschen namen weinig deel aan den strijd, niet

ongaarne ziende, dat de beide zeemogendheden elkander zooveel mogelijk

afbreuk deden.

In Holland en in Zeeland brachten de ongehoorde voorspoed en de nadering

des vijands een buitengewone verslagenheid teweeg. De regenten der

Republiek helden tot onderhandelingen met Frankrijk over en zonden te

dien einde gezanten tot den koning. Lodewijk deed verregaande eischen.

Eer deze voorwaarden nog bekend waren, hadden Amsterdam en Zeeland hun

afkeer van 't onderhandelen aan den dag gelegd. Niet minder buitensporig

dan de vorderingen van Frankrijk, waren die, welke de koning van

Engeland omstreeks denzelfden tijd, op 't einde van Juni, deed.

§ 27.

_Het vervolg van den oorlog van 1672.--De dood der gebroeders de

Witt.--De verheffing van Willem III._

De rampen, die het vaderland zoo plotseling troffen, brachten een

geheele omkeering in het land teweeg. De staten van Holland beijverden

zich, hun gewest, door het doorsteken der dijken, ontoegankelijk te

maken voor den vijand. Amsterdam rustte zich op allerlei wijze wakker

ter verdediging toe en geleek weldra op een vesting, midden in het water

gelegen. Intusschen weet het volk, steeds zoowel het goede als het kwade

overdrijvende, de schuld van alle ongelukken aan 's lands regeering en

beschuldigde de Witt, met Frankrijk te heulen. Niets was ongerijmder dan

deze laatste beschuldiging. Doch nu die kreet van landverraad eenmaal de

uiting eener vrij algemeen verbreide meening was, lag de gedachte, dat

's prinsen verheffing in de benarde omstandigheden het eenige redmiddel

was, voor de hand. Weldra uitte zich de haat tegen de de Witten door

daden. De raadpensionaris, op den avond van den 21sten Juni 1672 uit de

vergadering der staten van Holland naar huis gaande, werd nabij het

Buitenhof aangerand door vier mannen, die hem verscheiden wonden

toebrachten, en, in de meening hem te hebben gedood, de vlucht namen.

Van de vier misdadigers, die, door den wijn verhit, de daad bijna

terzelfder ure beraamd en gepleegd hadden, werd alleen Jakob van der

Graaf, een zoon van een lid van 't hof van Holland, gegrepen. Den 29sten

Juni werd hij ter dood gebracht. Velen hadden gepoogd, ook bij de Witt,

vergiffenis voor den jeugdigen man te erlangen, doch vruchteloos. Dit

deed, evenals de zaak van Buat, den haat tegen den raadpensionaris zeer

toenemen.

Te Dordrecht wendde de woede des volks zich tegen den ruwaard, terwijl

hij nog op de vloot was. Een hoop volk vloog naar het stadhuis en

vernielde de schilderij, dáár ter zijner eer opgehangen. Eenige dagen

daarna kwam hij in zijn vaderstad terug, maar moest, wegens

ongesteldheid, het bed houden. Ongeveer gelijktijdig met den aanslag van

van der Graaf trachtten op een avond vier onverlaten het huis van den

ruwaard binnen te dringen en zouden het booze opzet, dat zij in den zin

hadden, hebben volvoerd, zoo niet de gewapende macht tusschenbeide ware

gekomen. Zelfs stond te Amsterdam het huis van de Ruiter, die zich op de

vloot bevond, een weinig later aan een aanval van het grauw bloot, die

eveneens door de burgerwacht werd afgewend.

Gedurende des ruwaards ongesteldheid rottede in verscheidene steden van

Holland en Zeeland het volk samen met het doel, den prins van Oranje

verder te doen bevorderen. Het eerst gebeurde dit te Veere, waar men de

wethouderschap dwong, den 21sten Juni de belofte af te leggen, dat zij

den prins het stadhouderschap zou aanbieden. Van Veere sloeg de beweging

over naar Dordrecht. Den 29sten Juni onderteekenden de leden der

vroedschap een geschrift, waarin zij het eeuwig edict herriepen en

Willem het stadhouderschap opdroegen. Vermits de ruwaard nog ziek was,

begaf zich de secretaris der stad met een kapitein der burgerwacht naar

zijn legerstede en hielden hem voor, dat gewapende burgers zijn huis

hadden omsingeld, hem, indien hij aarzelde, met den dood dreigende.

Slechts met moeite brachten zijn huisgenooten hem ertoe, aan het verzoek

te voldoen. Onderteekenende voegde hij er de letters _v. c._ bij, d. i.

_vi coactus_, met geweld gedwongen. Maar de Witts gemalin haalde, op

aansporing van den secretaris, de pen door deze woorden. Ongeveer op

dezelfde wijze als te Veere en te Dordrecht ging het elders. Op de eene

plaats kwam het volk uit eigen beweging op de been, op een andere werd

het opgeruid.

Het werk, in de stemmende steden voorbereid, werd ter dagvaart voltooid.

Den 2den Juli benoemden de staten van Zeeland, in den nacht tusschen den

3den en den 4den die van Holland, na eerst het eeuwig edict te hebben

ingetrokken, ~WILLEM~ III (1672-1702) tot stadhouder. Terzelfder tijd

benoemden de Staten-Generaal hem tot kapitein-generaal der unie. De

verheffing van den prins gaf een geheel andere richting aan de

onderhandelingen over den vrede. Thans kwamen de onderhandelingen met

Engeland op den voorgrond, die met Frankrijk op den achtergrond, juist

het tegendeel van hetgeen men in de laatste weken had gezien. Willem

hoopte Karel II te kunnen bewegen, voor zich een einde aan den oorlog te

maken en wellicht daarenboven Frankrijk tot een billijken vrede te

verplichten. Reeds waren zij het over sommige punten met elkander eens,

ook hierover, dat de prins souverein zou worden; maar verder kwam het

niet. Karel achtte Willems aanbiedingen onvoldoende en wilde zich niet

van zijn bondgenoot laten aftrekken. De prins zag in, dat er geen

gunstige voorwaarden waren te bedingen en alzoo de wapens moesten

beslissen.

Aleer evenwel de lezer zijn aandacht vestigt op den verderen gang der

vijandelijkheden, behoort hij ze nog een oogenblik bij de binnenlandsche

aangelegenheden der Republiek te bepalen. Op het tijdstip dat de

roekelooze aanslag, boven vermeld, op 't leven van Jan de Witt werd

gepleegd, was hij het nog, die aan 't hoofd van 's lands regeering

stond. Toen hij genezen was, had de omwenteling plaats gegrepen, die

Willem III aan het roer van den staat plaatste. Op dit nieuwe tooneel

kon hij, zonder zijn eed (zie blz. 121) te breken en zijn beginselen te

verloochenen, niet voegzaam verschijnen, of hij moest er een tweede of

derde rol vervullen. Hij vroeg en verkreeg zijn ontslag den 4den

Augustus. Doch hij en zijn broeder schenen slechts in het leven te zijn

gespaard, om aan nog grievender leed ten doel te staan, dan hun tot

dusver was beschoren geweest.

Het eerst trof dit lot den ruwaard. Willem Tichelaar, barbier te

Piershil (ten w. van Dordrecht), beschuldigde Cornelis de Witt, een

poging te hebben aangewend, om hem tot een aanslag op het leven van den

prins van Oranje te bewegen. Tichelaar stond zeer slecht ter faam. Niet

alleen had hij meer dan een vergrijp gepleegd; maar hij was ook in 1670,

bij vonnis van des ruwaards plaatsvervanger, veroordeeld tot een

geldboete en tot verbanning uit het land van Putten. De prins bracht

Tichelaars aanklacht ter kennis van het hof van Holland, hetwelk den

ruwaard, in strijd met de privilegiën van Dordrecht, gevankelijk naar

den Haag, en weldra naar de Gevangenpoort liet voeren en de kennisneming

der zaak aan zich trok. Lijnrecht tegenover de aangifte van Tichelaar

stond de betuiging van Cornelis de Witt, luidende dat Tichelaar zijn

steun had gevraagd voor het ondernemen der bedoelde misdaad, die hij

evenwel eerder had aangeduid, dan uitgesproken. De Witts dienaar en

zoon, die hadden geluisterd aan de deur van 't vertrek, waarin Tichelaar

met den ruwaard vertoefde, bevestigden deze getuigenis grootendeels.

Ondervraging en pijnbank leidden tot geen ander gevolg, dan dat Cornelis

de Witt bij zijn verklaring volhardde. Zoo weinig vermocht de pijniging

op de Witt, dat hij te midden der felste smarten het begin van een van

Horatius' fraaiste lierzangen, als op zichzelf toepasselijk, opzeide.

De afloop van 't proces is zeer vreemd. Het vonnis, hetwelk van geen

misdaad gewaagde,--iets, dat bijna zonder voorbeeld was,--luidde, dat de

Witt werd vervallen verklaard van al zijn ambten, voor immer uit Holland

verbannen en tot betaling der kosten van 't geding veroordeeld. Het

vonnis werd den 20sten Augustus uitgesproken. Op dien noodlottigen dag

werd Tichelaar, die tot dusver mede in hechtenis was gehouden, des

morgens ontslagen. Terstond liet hij zich tegenover hen, die hij

ontmoette, indezervoege uit, dat zijn eigen ontslag, evenzeer als het,

hoewel zachte, vonnis, over de Witt geveld, aantoonde, dat de ruwaard

schuldig was. Inmiddels kwam de gewezen raadpensionaris zijn broeder in

de gevangenis bezoeken, van zins zijnde hem mede te nemen. Doch dit

bleek weldra onmogelijk te zijn. Het duurde niet lang, of de

Gevangenpoort, waarop zich de gebroeders bevonden, was door een

tallooze menigte saamgeloopen volk omgeven. Tegen den middag schaarde

zich tevens de schutterij onder haar vaandels voor de Gevangenpoort en

hield er wacht. Kort hierna kwamen de drie afdeelingen ruiterij, die in

de stad in garnizoen lagen, aanrijden en vatteden insgelijks in de

nabijheid der gevangenis post. Doch toen vervolgens een gerucht werd

verspreid, dat de boeren uit den omtrek op weg waren, om zich bij de

saamgeschoolde lieden te voegen en hun in hun opzet de behulpzame hand

te bieden, kregen twee van de afdeelingen der ruiters bevel, af te

trekken en de toegangen tot den Haag te bezetten.

Thans hadden de vijanden der gebroeders de baan ruim. Een aantal van hen

drongen verwoed den kerker binnen, noodzaakten de de Witten met hen het

gebouw te verlaten en brachten hen te midden eener gewapende menigte van

1000 tot 1200 menschen laaghartig om. Hierop mishandelden eenige der

burgers en het gemeen, niet tevreden met de gepleegde euveldaad, de

doode lichamen op een wijze, te afschuwelijk om te verhalen. Wegens dit

misdrijf, een der verfoeielijkste feiten uit de geschiedenis der

Nederlanden, de grootste vlek, die op haar bladen is te vinden, heeft

men de Hollanders, anders als goedaardig te boek staande, bij het

verscheurend gedierte vergeleken. Noch de regeering van den Haag, noch

de staten van Holland, destijds vergaderd, durfden de onzalige daad

verhinderen. Wel schreven de staten van Holland, van zins schijnende de

misdadigers te vervolgen, in dien zin aan den prins van Oranje. Doch

Willem meende, dat men in de toenmalige omstandigheden aan geen

gestrenge vervolging kon denken van een euveldaad, door menigeen van de

meest gezeten burgers bedreven. Vreemd blijft het evenwel, hoe de prins

een jaargeld kon toeleggen aan Tichelaar, die de onmiddellijke oorzaak

is geweest van het treurige schouwspel, dat hijzelf verfoeide en dat aan

het huis van Oranje-Nassau meer nadeel heeft gedaan, dan zijn vrienden

immer in staat waren te vergoeden.

Ten zelfden dage, waarop de daad werd gepleegd, verkozen de staten van

Holland ~Gaspar Fagel~ tot raadpensionaris. Het was een moeielijke taak,

de opvolger te zijn van een man, als Johan de Witt. Onder zijn leiding

vervulde Nederland een der eerste rollen in de Europeesche staatkunde.

Onvermoeid was de Witt werkzaam voor de verheffing der Republiek, van

haar zeemacht en handel. Groote diensten heeft hij aan zijn vaderland

bewezen. Van 's mans ervarenis in 't financiewezen is boven (zie blz.

113) melding gemaakt. Alom heerschte, gedurende de jaren van de Witts

raadpensionarisschap in Holland, uitnemende welvaart. Hij was het, die

Holland en, door middel van Holland, de Vereenigde Gewesten met kracht,

grootheid en ver vooruitzienden blik bestuurde. Dat hij zeldzame en

uitstekende geestvermogens had, betwijfelt niemand. Van de beide

gebroeders was hij de jongste in jaren, de oudste in wijsheid. Was hij

uitnemend bekwaam en werkzaam, niet minder lof verdienen zijn

onbaatzuchtigheid en eerlijkheid. Kalm was hij en, het meesterschap

voerende over eigen gelaat, gewoon tot op den bodem door te dringen

van eens anders gemoed. De stuurschheid, die zijn broeder schijnt

eigen te zijn geweest, was geenszins een der eigenschappen van den

raadpensionaris. Verwijt men hem, dat hij te veel gezag oefende, dit is

toe te schrijven niet aan heerschzucht, maar aan zijn schrander vernuft

en aan zijn bekwaamheden, die hem een zedelijken invloed gaven, grooter

dan de meeste stadhouders hadden. Acht men het verkeerd, dat hij het oog

bovenal op Hollands belangen gericht hield, men behoort niet te

vergeten, dat hij de eerste ambtenaar van Holland was.

Mocht men meenen, dat de ongelukken van 1672 hem zijn te wijten, de

onpartijdige beschouwing der geschiedenis leert, dat hij, zoo hij heeft

gedwaald, hierin alleen dwaalde, dat hij niet heeft vooruit gezien, dat

Karel II zoo bekrompen en laag was, Engelands belangen veil te hebben

ter wille van een handvol Fransch goud.

Het noodlottige uiteinde der gebroeders bleek weldra geen voldoend

middel te wezen, om de in beweging geraakte bevolking der steden tot

bedaren te brengen. Eensdeels hierom, anderdeels omdat vele der

regenten, als aanhangers der staatsgezinde partij, niet aangenaam waren

aan den stadhouder, machtigden de staten van Holland den prins, den

27sten Augustus, voorzoover hij het noodig achtte, overal de wet te

verzetten. Gelijk in Holland, koos de prins ook in de raden van Zeelands

staten nieuwe leden.

Beknopte geschiedenis van het vaderland · 第 11 / 24 段