Den 18den Januari 1651 opende de raadpensionaris Cats _de groote

vergadering_ of die der Algemeene Staten, alwaar ruim 300 personen

tegenwoordig waren. Hoofdzakelijk kwam de rede van den raadpensionaris

hierop neer, dat, vermits de Republiek, door 't overlijden van Willem II

en bij ontstentenis van een prins uit het huis van Oranje-Nassau, in

staat om stadhouder en kapitein-generaal te zijn, zich in een toestand

bevond, hoedanigen zij nimmer had gekend, er moest worden beraadslaagd

over _de unie_, _de religie_ en _de militie_. Ten aanzien van de religie

verklaarde men zich te houden aan den hervormden godsdienst, zooals hij

was vastgesteld op de synode van Dordrecht, en de andere sekten

oogluikend te willen toelaten. De vaststelling van het punt der unie

leverde groote bezwaren op. De grootste moeilijkheid bestond hierin, een

geschikt middel te vinden, ten einde de geschillen van één gewest of

tusschen onderscheiden gewesten bij te leggen. De verscheidenheid der

meeningen over dit punt liep hierop uit, dat er niets werd vastgesteld.

Het spreekt vanzelf, dat het derde punt, dat over de militie,

waaromtrent in de beide laatste jaren zooveel was voorgevallen,

inzonderheid de aandacht der vergadering bezig hield. Men kwam tot deze

uitkomst, dat, naast den Staten-Generaal, aan de staten der gewesten

meer gezag en grooter bevoegdheid op het stuk van 't krijgswezen werd

toegekend, dan tot hiertoe het geval was geweest. Alles, wat op de

groote vergadering was besloten, werd aangemerkt als een grondwet van

den staat. Hetgeen omtrent de beide eerste punten was beslist bracht de

regeering op zoodanigen voet, dat Holland veel meer invloed kreeg op de

Vereenigde Nederlanden, dan het tevoren had gehad. Kort nadat de groote

vergadering was uiteengegaan, legde Cats het ambt van raadpensionaris

neer. In zijn plaats benoemden de staten van Holland nog in 1651 ten

tweeden male (zie blz. 90) ~Adriaan Pauw~.

Hetgeen in 1649 hier te lande ten opzichte van de gezanten der Engelsche

Republiek (zie blz. 103) was voorgevallen werd door het parlement zeer

euvel opgenomen. De dood van den prins gaf het parlement grond om te

meenen, dat er in de denkwijze der zeven gewesten ten aanzien van

Engeland een omkeering had plaats gegrepen. Het zond dus in 1651 een

plechtig gezantschap naar dezen staat, hetwelk terstond gehoor verwierf

in de groote vergadering. De bezending had in last, een verbond met de

Staten-Generaal te sluiten, nauwer dan immer tusschen de beide staten

had bestaan. Hoe de aard van dit verbond zou zijn, werd voorshands niet

nader verklaard. De Staten-Generaal toonden weinig geneigdheid, aan den

voorslag te voldoen. Alzoo riep het parlement nog in den zomer van 't

zelfde jaar zijn gezantschap terug. Wat Holland had gevreesd en van den

beginne af had trachten te voorkomen gebeurde. In Oct. 1651 vaardigde de

Engelsche Republiek _de akte van navigatie_ uit, die een zwaren slag

toebracht aan de vrachtvaart en aan den tusschenhandel der Nederlanders

(zie blz. 98). Deze akte toch bepaalde, dat de vaartuigen van vreemde

natiën geen andere voorbrengsels dan die van hun eigen land in de

Britsche havens mochten invoeren. Groot was het nadeel, door deze akte

aan Nederlands vrachtvaart, haringvangst en visscherij in 't algemeen

toegebracht. Nog grooter werd het, daar ook andere natiën, even

ijverzuchtig op den bloei der Republiek als de Engelsche, het voorbeeld

van dit volk gingen navolgen. Toen voorzeker moest het getal der

Nederlandsche vrachtschepen, hetwelk in 1651 meer dan elf duizend

bedroeg, wel dalen.

Bij de onderhandelingen, vervolgens aangeknoopt tusschen de Britsche en

de Nederlandsche Republiek over een verbond van vriendschap en

koophandel, kwamen de Engelschen met hooge eischen voor den dag, b. v.

met dien van 't recht eener volstrekte heerschappij over de zeeën van

Groot-Britannië, verlangende, dat ieder dit door het strijken der vlag

voor de Engelsche oorlogschepen erkende. Ook werd hetgeen ongeveer

dertig jaren geleden op Amboina (zie blz. 79, 80) was voorgevallen op

nieuw opgehaald. Intusschen waren de Engelsche oorlogschepen zelfs

begonnen, eenige vaartuigen der Nederlanders te nemen. Uit dien hoofde

werd de luitenant-admiraal ~Maarten Harpertsz. Tromp~ in 1652 met een

groote vloot in zee gezonden. Den 29sten Mei stiet hij op den Engelschen

admiraal ~Blake~, die op de hoogte van ~Dover~ kruiste. Hier werden zijn

schepen handgemeen met de vloot van Blake, die, omdat Tromp hem niet

spoedig genoeg groette, het sein gaf tot het gevecht. De nacht scheidde

de kampenden, en de beide admiralen verweten elkander de vredebreuk. De

onderhandelingen, nogmaals aangeknoopt, leidden tot niets, en _de eerste

zeeoorlog_ met Engeland was metterdaad verklaard.

~Michiel Adriaansz. de Ruiter~ sloeg den Engelschen vice-admiraal

~Askue~ in 1652 bij ~Plymouth~ (in 't z.w. van Engeland). Niet minder

krachtig handhaafde Tromp, toen op het toppunt van zijn roem, de eer der

Nederlandsche vlag, zoowel in _den_ onbeslisten _driedaagschen zeeslag_

bij ~Portland~ (een schiereiland in 't z. van Engeland, ten w. van

Dorchester) in Febr. 1653 tegen Blake en bij ~ter Heijde~ (ten z. van

Scheveningen), waar hijzelf sneuvelde (10 Aug.) en waar de zege eveneens

twijfelachtig was, tegen Monk (zie _Overzicht_, 9de druk, blz. 148), als

in vele andere ontmoetingen. De oorlog met Engeland kwam de schatkist

der Republiek op zulke zware offers te staan en de handel verliep

zoozeer, dat de rampen van den tachtigjarigen oorlog geringer schenen

dan die van dezen krijg. Amsterdam kwijnde. De Republiek was geenszins

opgewassen tegen Engeland. Niet minder dan in Nederland gevoelde men in

Engeland de gevolgen der stremming van handel en zeevaart, en Cromwell

zag in, dat zijn gezag licht aan 't wankelen kon worden gebracht, zoo

hem de fortuin eens tegenliep. Bovendien duchtte hij, dat, indien de

oorlog den prins van Oranje in Nederland op het kussen mocht brengen,

deze verheffing die van Karel II in de hand kon werken.

Hier te lande wenschte Holland, hetwelk, naar gewoonte, de zwaarste

lasten voor den oorlog droeg en voor de achterlijk blijvende gewesten de

penningen wederom moest voorschieten, bovenal den vrede. De staten van

dit gewest droegen, na den dood van Pauw (zie blz. 109), in 1653 het

raadpensionarisschap op aan ~JOHAN DE WITT~. Hij was de tweede zoon van

Jakob de Witt, twee jaren jonger dan zijn broeder Cornelis. Zonder de

andere provinciën te hebben geraadpleegd, wendde Holland zich, in Maart

1653, tot het parlement, om te pogen eenig uitzicht op den vrede te

verkrijgen. Het gevolg was, dat een paar maanden later een gezantschap

der Staten-Generaal naar Londen vertrok. Een of twee dezer gezanten

hielden geheime briefwisseling met de Witt. Dit gaf aanleiding tot het

vermoeden, dat de Witt en zij, die in Holland met hem eenstemmig

dachten, van zins waren, met Engeland een verdrag te doen tot stand

komen, nadeelig voor de belangen van het huis van Oranje-Nassau.

In November 1653 werden de Nederlandsche gezanten in kennis gesteld van

een ontwerp van vrede, uitgaande van de Engelsche Republiek. Het ontwerp

bevatte o. a. de vordering, dat de Staten-Generaal, noch de staten der

gewesten den prins van Oranje of een zijner nakomelingen immer zouden

aanstellen tot kapitein-generaal en admiraal of stadhouder. Tegen dit

punt kwamen de afgevaardigden terstond in verzet. Doch in 't zelfde jaar

werd Cromwell protector van Groot-Britannië. Hij stond vast op het stuk

der uitsluiting van den prins, zeggende van oordeel te zijn, dat, indien

de zoon van Willem II tot hooge waardigheden mocht komen, hieruit

geschillen zouden voortspruiten tusschen Engeland en Nederland en alzoo

de vrede zou worden verstoord. De Staten-Generaal waren hiervan ten

eenen male afkeerig. Van zijn kant gaf Cromwell te verstaan, dat hij er

genoegen in zoude nemen, indien slechts de staten van Holland hem

omtrent die uitsluiting den noodigen waarborg gaven. Dit werd nu de

aangelegenheid, waarover een paar gezanten der Republiek met de Witt in

't geheim brieven wisselden en die aan de Staten-Generaal en aan 't

meerendeel der staten van Holland onbekend bleef.

Den 23sten April 1654 werd het vredesverdrag door de Staten-Generaal

bekrachtigd, den 30sten door Cromwell. Zóó kwam _de vrede van

Westminster_ tot stand. Hij bepaalde hoofdzakelijk, dat de

Nederlanders, in de Britsche wateren één of meer Engelsche oorlogschepen

ontmoetende, steeds de vlag zouden strijken en dat recht zou worden

gedaan wegens het op Amboina gebeurde. Overeenkomstig dit laatste punt

betaalde men een aanzienlijke som aan de erfgenamen der op Amboina

terecht gestelden. Den 3den April koesterde de Witt nog de hoop, dat

Cromwell ten aanzien van de uitsluiting van inzicht mocht veranderen.

Niet alsof hij de verheffing van den prins wenschte. Het tegendeel staat

vast. Een diepen indruk had 's vaders gevangenneming op den zoon

gemaakt. En dat de tijd bij hem en bij zijn partij dien indruk niet

wegnam, dit belette, zoo het voor 't overige mogelijk ware geweest,

reeds de naam _Loevesteinsche factie_, welken de staatsgezinde partij

(zie blz. 89) sedert dien tijd bij haar tegenstanders droeg. In weerwil

hiervan heeft men in familiewrok niet in de eerste plaats het beginsel

te zoeken van de Witts vooringenomenheid tegen het huis van

Oranje-Nassau. Die vooringenomenheid stond bij hem in verband met de

vaste overtuiging, dat de souvereiniteit der staten in aanhoudend gevaar

was, indien de Republiek steeds een dienaar in naam, een meester in 't

wezen der zaak had, die het opperbevel voerde over een staand leger en

als stadhouder veler gewesten een zoo veelzijdigen invloed kon

uitoefenen. De raadpensionaris was van meening, dat slechts in tijd van

oorlog een kapitein-generaal een onmisbaar dienaar der Republiek was.

Maar al was de Witt geen voorstander van de belangen van 't huis van

Oranje-Nassau, het kon hem niet anders dan onaangenaam zijn, dat het

besluit der tegenwerking van den prins door een vreemde mogendheid, als

volstrekte voorwaarde voor 't behoud des vredes, aan Holland werd

afgeperst. Vermits intusschen Cromwells onherroepelijke wil was, een

verklaring der staten van Holland over de uitsluiting, met zijn wensch

overeenstemmende, onmiddellijk na het teekenen van het vredesverdrag in

handen te hebben en hij de instandhouding van den nauwelijks gesloten

vrede hiervan afhankelijk stelde, werd de zaak den 28sten April en in de

eerste dagen van Mei in de vergadering der staten van Holland overwogen.

Veertien leden stemden er ten slotte voor. Alzoo werd _de akte van

seclusie_ of uitsluiting naar Engeland gezonden. Zij behelsde, dat de

staten van Holland den prins van Oranje of een zijner nakomelingen

nimmer tot stadhouder verkiezen, noch, zooveel hun stem aanging,

gedoogen zouden, dat hij ooit tot kapitein-generaal der unie werd

aangesteld. Ongeveer terzelfder tijd dat de akte aan Cromwell werd ter

hand gesteld, lekte het geheim in de Republiek uit en ontstond te dier

zake van alle zijden in 't land een groote verbolgenheid. Daarom schreef

de Witt een meesterlijk vertoog, een uitvoerige verdediging der akte en

van de wijze, waarop zij was verleend, die, met goedvinden van de meeste

leden, op naam der staten van Holland werd uitgegeven.

§ 25.

_De Staat onder de leiding van de Witt.--De bemoeiingen der Republiek

met den oorlog in 't Noorden van Europa.--De tweede Engelsche

zeeoorlog._

Als eerste vruchten van den gesloten vrede, werden welvaart en algemeene

tevredenheid in Nederland geplukt. Die vrede opende weder de bronnen van

handel, scheepvaart en nijverheid. De vrees, dat de akte van seclusie

duurzame onlusten zou doen geboren worden, bleek ongegrond te zijn. Van

zijn kant vestigde de Witt, daar de Republiek thans op een goeden voet

stond met Engeland en de eendracht in 't land zelf hoe langer hoe meer

veld won, al zijn aandacht op de binnenlandsche aangelegenheden en

bovenal op het financiewezen. Dit was een tak, die dringend regeling

vereischte, iets, waartoe den raadpensionaris zijn uitnemende

bekwaamheden in dit deel der huishouding van den staat bij uitstek te

stade kwamen. Aan de Witts verstandige beginselen in het beheer der

geldmiddelen, echt Hollandsche spaarzaamheid in het besteden der

penningen en een voortdurend streven naar vermindering der hoofdschuld,

had de staat het te danken, dat hij later, onder kostbare oorlogen, zijn

krediet kon handhaven. De lessen, geput uit den nauwelijks geëindigden

oorlog, versmaadde de Witt geenszins. In dien krijg was de meerderheid

der Engelsche vloot boven de Nederlandsche helder aan den dag gekomen.

Daarom was de verbetering van het zeewezen het doelwit, waarop hij den

blik aanhoudend gericht hield. Aan alles, dat te dien einde werd

voorgesteld, zette hij kracht en leven bij.

De waardigheid en de belangen der Republiek wist de raadpensionaris met

eere te verdedigen tegen het buitenland. Toen in 1655 een oorlog

losbarstte tusschen Zweden en Polen (_Overzicht_, 9e druk, blz. 149) en

het weldra duidelijk werd, dat de koning van Zweden, Karel X Gustaaf,

naar de opperheerschappij over de Oostzee streefde, waren de

Staten-Generaal terstond bedacht op de belangen van den Nederlandschen

handel (zie blz. 98). ~Jakob van Wassenaar-Obdam~ (ten w. van Hoorn)

stevende, als luitenant-admiraal van Holland, naar de Oostzee, om de

koopvaardijschepen der Republiek en Dantzig, dat door de Zweden werd

belegerd, te ontzetten. Dit geschiedde in 1656. En toen Frederik III,

koning van Denemarken, als bondgenoot van Polen aan den oorlog deel nam,

stond Nederland hem zoowel anderszins als met zijn vloot bij. Wassenaar

behaalde in 1658, nabij het slot ~Kroonenburg~, een zege op ~Wrangel~,

bevelhebber der Zweedsche vloot. In 1659 landde Hollands vice-admiraal

~de Ruiter~ op het eiland Funen en veroverde Nijborg. Hem viel de eer

ten deel, door den koning van Denemarken met een gouden keten, alsmede

met een jaarwedde van 2000 gl. begiftigd en in den adelstand verheven te

worden.

Het beklimmen in 1660 van den troon van Groot-Britannië door Karel II

bracht geen innige verhouding teweeg tusschen dit rijk en Nederland. Op

het bericht zijner verheffing reisde Karel van Breda, waar hij destijds

vertoefde, naar Holland, om zich te Scheveningen in te schepen. Afscheid

nemende, beval hij de belangen van den jongen prins van Oranje-Nassau

ernstig aan de Staten-Generaal en aan de staten van Holland aan.

Voortshands had deze aanbeveling geen andere uitwerking, dan dat de

staten van Holland in 't laatst van September 1660 de akte van seclusie,

die met den dood van Cromwell haar beteekenis verloor, introkken. Den

koning van Engeland deden zij hierdoor geen bijzonder groot genoegen.

Hij toch achtte de akte door dien dood zelven te zijn vervallen.

Intusschen beseffende, dat de Republiek niet bestand was tegen de

vereenigde macht der rijken Frankrijk en Engeland, meende de Witt, dat

men bij Engeland steun moest zoeken tegen de overmacht van Frankrijk,

bij Frankrijk tegen die van Engeland. Op dit beginsel berustten de beide

verdragen, die Nederland in 1662 sloot, het eene met Engeland, het

andere met Frankrijk. Het verdrag met Engeland, aan de beide staten de

verplichting opleggende, elkander in geval van oorlog bij te staan, kwam

in September van dat jaar tot stand. Reeds vroeger, in April, was het

verwerend verbond met Frankrijk gesloten, waarin werd vastgesteld, dat

elk der bondgenooten, in geval een van hen in oorlog geraakte, den

anderen bijstaan en zonder hem geen vrede sluiten zoude.

Zóó meende de Witt zijn doel te hebben bereikt, den staat te hebben

beveiligd tegen mogelijke aanvallen op het vasteland, ten einde zich op

zee tegenover Engeland te kunnen doen gelden, hetzij zonder, hetzij met

geweld. Één moeielijkheid was er bij dit stelsel der buitenlandsche

politiek, en die moeielijkheid ontging de Witts scherpzienden blik in

geenen deele. Met den aanvang der regeering van Lodewijk XIV was

Frankrijk de eerste mogendheid van Europa geworden. Het was voor de Witt

geen geheim, dat de inlijving der Spaansche Nederlanden een der

hoofdplannen was van Lodewijks buitenlandsche staatkunde. Maar ook was

het zijn vaste overtuiging, dat men Frankrijk wel tot vriend, maar niet

tot nabuur moest hebben (zie bladz. 103). Kon de Republiek dit laatste

niet beletten, dan stond haar eigen zekerheid op het spel. Weldra werd

er tusschen den graaf ~d'Estrades~, den gezant van Frankrijk te 's

Gravenhage, en de Witt een onderhandeling aangeknoopt omtrent een

verdeeling of vrijmaking der Zuidelijke Nederlanden, geheel

overeenkomende met het oogmerk, dat Frankrijk en de Nederlanden voorheen

hadden gekoesterd (zie bladz. 93). Nog waren de Staten-Generaal bezig,

hierover met Lodewijk te onderhandelen, toen de koning in 1664

plotseling de zekerheid meende te hebben verkregen, dat de Republiek

niet bij machte zou zijn, zich tegen de inlijving dier gewesten te

verzetten. Daarom hield hij het voor overbodig, den buit met een ander

te deelen. Terwijl Lodewijk zich met deze overdenking bezig hield, kwam

het hem zeer gelegen, dat de Republiek weldra met Engeland in oorlog

geraakte. Zoo werd Nederland verplicht, zich steeds nauwer aan

Frankrijk aan te sluiten, en kon hijzelf gelegenheid vinden, zijn

plannen omtrent de Zuidelijke Nederlanden in rust te volvoeren, zoodra

zich hiertoe de gelegenheid aanbood.

In weerwil van de banden, die Engeland aan Nederland schenen te hechten,

als gelijkheid van afstamming, godsdienst en zeden, bestond er tusschen

de inwoners dier beide rijken een nationale haat. De oorzaak der

verwijdering lag vooral in den strijd der belangen. Engeland zocht zijn

macht te vestigen op dezelfde grondslagen, als Nederland, op den handel

en de zeevaart. Wat Karel II betreft, hij kon het der Republiek niet

vergeven, dat zij gedurende de jaren zijner ballingschap het gevaar

zorgvuldig had ontweken, om zijnentwil Cromwell eenigen aanstoot te

geven. Bovenal nam hij het euvel, dat de Witt, zooals hij zeide, zijn

neef geen recht deed wedervaren. Deze gronden verklaren, hoe de krijg

losbarstte, dien men _den tweeden Engelschen zeeoorlog_ noemt en die een

dier merkwaardige zeeoorlogen is, welke de zeventiende eeuw boven alle

tijdperken der oude en der nieuwe geschiedenis onderscheiden. De naijver

op den nog altijd grooteren handel en de uitgebreider scheepvaart van

Holland en Zeeland maakte hem voor de Engelschen tot een nationalen

strijd, en hun aanvallen en veroveringen gingen de oorlogsverklaring

reeds een jaar vooraf. In 1664 vermeesterden zij Nieuw-Nederland met

Nieuw-Amsterdam (zie blz. 88), hetwelk sinds New-York heet, en namen

vele Nederlandsche koopvaardijschepen in beslag, waarvoor de Ruiter

weldra op de kust Guin[=e]a weerwraak nam.

Ongelukkig was voor Nederland het begin: Den 13den Juni 1665 leed de

vloot van dezen staat een zware nederlaag op de hoogte van ~Lowesthoff~

(op de kust van Engeland, ten z. van Yarmouth), haar door ~den hertog

van York~ toegebracht. De luitenant-admiraal ~Kortenaar~ sneuvelde; de

opperbevelhebber der vloot, de luitenant-admiraal van ~Wassenaar-Obdam~

(zie blz. 114), vloog met zijn schip in de lucht; vele schepen werden

genomen, lafhartigen namen de vlucht, en met moeite dekte men den

terugtocht. In weinige weken--zoodanig was de veerkracht dier

tijden--was de vloot hersteld en weder uitgeloopen. Maar eerst in 't

volgende jaar herstelde een schitterende overwinning, den gekrenkten

roem onzer zeemacht. Een geduchte vloot van meer dan 100 zeilen, met

over de 21,000 koppen bemand, onder ~de Ruiters~ opperbevel liep in 't

begin van Juni uit. Den 11den raakte zij bij ~Foreland~ (ten n.o. van

Dover) slaags met de Engelschen, die bijna even sterk waren, onder prins

~Robert~, een zoon van paltsgraaf Frederik, den gewezen koning van

Bohemen (zie blz. 89), en ~Monk, hertog van Albemarle~; den 12den des

morgens begon de strijd op nieuw; den 13den werd hij hervat en eerst op

den 14den Juni 1666 beslist, toen de Engelschen de wijk namen. Zwaar

gehavend, doch met 3000 gevangenen, onder welke de vice-admiraal Ayscue,

en met zes veroverde schepen, keerde de Nederlandsche vloot naar hare

havens terug. Deze _vierdaagsche zeeslag_ is ook in de latere

geschiedenis eenig gebleven, gelijk hij het in de vroegere was.

Minder gelukkig liep een later zeegevecht af, in Augustus van 't zelfde

jaar nabij ~Duinkerken~ geleverd. De opperbevelhebber de Ruiter moest

wijken, maar door vriend en vijand bewonderd. Dat de vloot voor Monk

moest afdeinzen, weet de Ruiter aan den luitenant-admiraal ~Cornelis

Tromp~, een zoon van Maarten Harpertszoon, die zich met zijn eskader op

eenigen afstand van den hoofdslag had gehouden. Tromp schreef dit op

zijn beurt aan de hitte van den strijd toe, waarin hijzelf was gewikkeld

geweest. Hoe dit zij, de staten van Holland ontsloegen Tromp uit den

dienst. Ongelukkig voor dezen staat gaf het wijken der Nederlandsche

vloot aan de Engelschen, die haar vervolgden, gelegenheid, om 100 à 150

koopvaardijschepen in het Vlie (tusschen Vlieland en Terschelling) in

brand te steken en een gedeelte van Terschelling te verwoesten. Dan de

wraak toefde niet, gelijk beneden zal blijken.

Inmiddels had de oorlog zich verder uitgebreid. Door Karel II

aangespoord, deed ~Christoffel Bernard van Galen~, bisschop van Munster,

in 1665 een inval in Gelderland en bemachtigde eenige plaatsen. Maar

ziende, dat Nederland van verschillende zijden, b. v. door Frankrijk,

werd gesteund en de hem beloofde gelden uit Engeland niet ontvangende,

sloot hij in 1666 met de Republiek _den vrede te Kleef_. Kort tevoren

verloor de partij van Oranje een steun in den stadhouder Willem Frederik

(zie blz. 94) die in 1664 overleed. Hem verving zijn zoon ~Hendrik

Kasimir~ II (1664-1696), onder regentschap zijner moeder, in de drie

gewesten. Middelerwijl verlangde Zeeland, gesterkt door eenige steden

van Holland, wat het ook reeds vroeger had te kennen gegeven, dat den

prins van Oranje de hooge staatsambten zouden worden opgedragen. De

meerderheid der staten van Holland echter, van een tegenovergesteld

gevoelen zijnde, wist haar meening te doen zegevieren. Nogtans iets

willende toegeven, belastten die staten zich in April 1666 met de zorg

voor 's prinsen opvoeding. Dus namen zij Willem Hendrik, zooals men het

kind noemde, tot _kind van staat_ aan. Zij begonnen met een zuivering

van het personeel, dat den prins omringde. Onder hen, aan wie de staten

het toezicht op de opvoeding in 't bijzonder opdroegen, bevond zich

Johan de Witt. Zelf onderrichtte hij den prins in zaken van regeering.

Tot diegenen, welke uit 's prinsen dienst werden ontslagen, behoorde

~Henri de Fleury de Coulan, heer van Buat~ en ritmeester in dienst van

den staat. Sedert eenigen tijd hield hij, met voorkennis en goedvinden

der staten van Holland, in 't geheim briefwisseling met leden der

regeering van Engeland, onder voorwaarde evenwel, dat hij den inhoud

getrouw aan den raadpensionaris mededeelde. Het onderwerp dier brieven

was de vrede. Buat nu gaf de Witt de brieven, welke hij ontving,

geregeld te lezen. Dit deed hij ook in Augustus 1666. Doch toen liet hij

onder die brieven, uit onachtzaamheid, er een, waarop stond "pour

vous-même," voor uzelf, en die dus voor hem alleen bestemd was. Hierin

werd niet onduidelijk te kennen gegeven, dat de partij des prinsen, zoo

zij door Engeland wilde gesteund worden, krachtiger moest optreden.

Ternauwernood had de Witt deze letteren gelezen, of hij deelde den

inhoud aan de staten van Holland mede, op wier last Buat in hechtenis

werd genomen en voor het hof van Holland gedaagd. In het afschrift van

een brief, vroeger door Buat aan een van Engelands ministers gericht,

trof men verder bij het beslag leggen op zijn papieren, plaatsen aan,

die den argwaan tegen hem versterkten. De slotsom was, dat het hof den

ritmeester Buat wegens ongeoorloofde briefwisseling met den vijand, d.

i. dus wegens hoogverraad of gekwetste majesteit, ter dood veroordeelde.

Het vonnis werd voltrokken.

Beknopte geschiedenis van het vaderland · 第 10 / 24 段