vergadering_ of die der Algemeene Staten, alwaar ruim 300 personen
tegenwoordig waren. Hoofdzakelijk kwam de rede van den raadpensionaris
hierop neer, dat, vermits de Republiek, door 't overlijden van Willem II
en bij ontstentenis van een prins uit het huis van Oranje-Nassau, in
staat om stadhouder en kapitein-generaal te zijn, zich in een toestand
bevond, hoedanigen zij nimmer had gekend, er moest worden beraadslaagd
over _de unie_, _de religie_ en _de militie_. Ten aanzien van de religie
verklaarde men zich te houden aan den hervormden godsdienst, zooals hij
was vastgesteld op de synode van Dordrecht, en de andere sekten
oogluikend te willen toelaten. De vaststelling van het punt der unie
leverde groote bezwaren op. De grootste moeilijkheid bestond hierin, een
geschikt middel te vinden, ten einde de geschillen van één gewest of
tusschen onderscheiden gewesten bij te leggen. De verscheidenheid der
meeningen over dit punt liep hierop uit, dat er niets werd vastgesteld.
Het spreekt vanzelf, dat het derde punt, dat over de militie,
waaromtrent in de beide laatste jaren zooveel was voorgevallen,
inzonderheid de aandacht der vergadering bezig hield. Men kwam tot deze
uitkomst, dat, naast den Staten-Generaal, aan de staten der gewesten
meer gezag en grooter bevoegdheid op het stuk van 't krijgswezen werd
toegekend, dan tot hiertoe het geval was geweest. Alles, wat op de
groote vergadering was besloten, werd aangemerkt als een grondwet van
den staat. Hetgeen omtrent de beide eerste punten was beslist bracht de
regeering op zoodanigen voet, dat Holland veel meer invloed kreeg op de
Vereenigde Nederlanden, dan het tevoren had gehad. Kort nadat de groote
vergadering was uiteengegaan, legde Cats het ambt van raadpensionaris
neer. In zijn plaats benoemden de staten van Holland nog in 1651 ten
tweeden male (zie blz. 90) ~Adriaan Pauw~.
Hetgeen in 1649 hier te lande ten opzichte van de gezanten der Engelsche
Republiek (zie blz. 103) was voorgevallen werd door het parlement zeer
euvel opgenomen. De dood van den prins gaf het parlement grond om te
meenen, dat er in de denkwijze der zeven gewesten ten aanzien van
Engeland een omkeering had plaats gegrepen. Het zond dus in 1651 een
plechtig gezantschap naar dezen staat, hetwelk terstond gehoor verwierf
in de groote vergadering. De bezending had in last, een verbond met de
Staten-Generaal te sluiten, nauwer dan immer tusschen de beide staten
had bestaan. Hoe de aard van dit verbond zou zijn, werd voorshands niet
nader verklaard. De Staten-Generaal toonden weinig geneigdheid, aan den
voorslag te voldoen. Alzoo riep het parlement nog in den zomer van 't
zelfde jaar zijn gezantschap terug. Wat Holland had gevreesd en van den
beginne af had trachten te voorkomen gebeurde. In Oct. 1651 vaardigde de
Engelsche Republiek _de akte van navigatie_ uit, die een zwaren slag
toebracht aan de vrachtvaart en aan den tusschenhandel der Nederlanders
(zie blz. 98). Deze akte toch bepaalde, dat de vaartuigen van vreemde
natiën geen andere voorbrengsels dan die van hun eigen land in de
Britsche havens mochten invoeren. Groot was het nadeel, door deze akte
aan Nederlands vrachtvaart, haringvangst en visscherij in 't algemeen
toegebracht. Nog grooter werd het, daar ook andere natiën, even
ijverzuchtig op den bloei der Republiek als de Engelsche, het voorbeeld
van dit volk gingen navolgen. Toen voorzeker moest het getal der
Nederlandsche vrachtschepen, hetwelk in 1651 meer dan elf duizend
bedroeg, wel dalen.
Bij de onderhandelingen, vervolgens aangeknoopt tusschen de Britsche en
de Nederlandsche Republiek over een verbond van vriendschap en
koophandel, kwamen de Engelschen met hooge eischen voor den dag, b. v.
met dien van 't recht eener volstrekte heerschappij over de zeeën van
Groot-Britannië, verlangende, dat ieder dit door het strijken der vlag
voor de Engelsche oorlogschepen erkende. Ook werd hetgeen ongeveer
dertig jaren geleden op Amboina (zie blz. 79, 80) was voorgevallen op
nieuw opgehaald. Intusschen waren de Engelsche oorlogschepen zelfs
begonnen, eenige vaartuigen der Nederlanders te nemen. Uit dien hoofde
werd de luitenant-admiraal ~Maarten Harpertsz. Tromp~ in 1652 met een
groote vloot in zee gezonden. Den 29sten Mei stiet hij op den Engelschen
admiraal ~Blake~, die op de hoogte van ~Dover~ kruiste. Hier werden zijn
schepen handgemeen met de vloot van Blake, die, omdat Tromp hem niet
spoedig genoeg groette, het sein gaf tot het gevecht. De nacht scheidde
de kampenden, en de beide admiralen verweten elkander de vredebreuk. De
onderhandelingen, nogmaals aangeknoopt, leidden tot niets, en _de eerste
zeeoorlog_ met Engeland was metterdaad verklaard.
~Michiel Adriaansz. de Ruiter~ sloeg den Engelschen vice-admiraal
~Askue~ in 1652 bij ~Plymouth~ (in 't z.w. van Engeland). Niet minder
krachtig handhaafde Tromp, toen op het toppunt van zijn roem, de eer der
Nederlandsche vlag, zoowel in _den_ onbeslisten _driedaagschen zeeslag_
bij ~Portland~ (een schiereiland in 't z. van Engeland, ten w. van
Dorchester) in Febr. 1653 tegen Blake en bij ~ter Heijde~ (ten z. van
Scheveningen), waar hijzelf sneuvelde (10 Aug.) en waar de zege eveneens
twijfelachtig was, tegen Monk (zie _Overzicht_, 9de druk, blz. 148), als
in vele andere ontmoetingen. De oorlog met Engeland kwam de schatkist
der Republiek op zulke zware offers te staan en de handel verliep
zoozeer, dat de rampen van den tachtigjarigen oorlog geringer schenen
dan die van dezen krijg. Amsterdam kwijnde. De Republiek was geenszins
opgewassen tegen Engeland. Niet minder dan in Nederland gevoelde men in
Engeland de gevolgen der stremming van handel en zeevaart, en Cromwell
zag in, dat zijn gezag licht aan 't wankelen kon worden gebracht, zoo
hem de fortuin eens tegenliep. Bovendien duchtte hij, dat, indien de
oorlog den prins van Oranje in Nederland op het kussen mocht brengen,
deze verheffing die van Karel II in de hand kon werken.
Hier te lande wenschte Holland, hetwelk, naar gewoonte, de zwaarste
lasten voor den oorlog droeg en voor de achterlijk blijvende gewesten de
penningen wederom moest voorschieten, bovenal den vrede. De staten van
dit gewest droegen, na den dood van Pauw (zie blz. 109), in 1653 het
raadpensionarisschap op aan ~JOHAN DE WITT~. Hij was de tweede zoon van
Jakob de Witt, twee jaren jonger dan zijn broeder Cornelis. Zonder de
andere provinciën te hebben geraadpleegd, wendde Holland zich, in Maart
1653, tot het parlement, om te pogen eenig uitzicht op den vrede te
verkrijgen. Het gevolg was, dat een paar maanden later een gezantschap
der Staten-Generaal naar Londen vertrok. Een of twee dezer gezanten
hielden geheime briefwisseling met de Witt. Dit gaf aanleiding tot het
vermoeden, dat de Witt en zij, die in Holland met hem eenstemmig
dachten, van zins waren, met Engeland een verdrag te doen tot stand
komen, nadeelig voor de belangen van het huis van Oranje-Nassau.
In November 1653 werden de Nederlandsche gezanten in kennis gesteld van
een ontwerp van vrede, uitgaande van de Engelsche Republiek. Het ontwerp
bevatte o. a. de vordering, dat de Staten-Generaal, noch de staten der
gewesten den prins van Oranje of een zijner nakomelingen immer zouden
aanstellen tot kapitein-generaal en admiraal of stadhouder. Tegen dit
punt kwamen de afgevaardigden terstond in verzet. Doch in 't zelfde jaar
werd Cromwell protector van Groot-Britannië. Hij stond vast op het stuk
der uitsluiting van den prins, zeggende van oordeel te zijn, dat, indien
de zoon van Willem II tot hooge waardigheden mocht komen, hieruit
geschillen zouden voortspruiten tusschen Engeland en Nederland en alzoo
de vrede zou worden verstoord. De Staten-Generaal waren hiervan ten
eenen male afkeerig. Van zijn kant gaf Cromwell te verstaan, dat hij er
genoegen in zoude nemen, indien slechts de staten van Holland hem
omtrent die uitsluiting den noodigen waarborg gaven. Dit werd nu de
aangelegenheid, waarover een paar gezanten der Republiek met de Witt in
't geheim brieven wisselden en die aan de Staten-Generaal en aan 't
meerendeel der staten van Holland onbekend bleef.
Den 23sten April 1654 werd het vredesverdrag door de Staten-Generaal
bekrachtigd, den 30sten door Cromwell. Zóó kwam _de vrede van
Westminster_ tot stand. Hij bepaalde hoofdzakelijk, dat de
Nederlanders, in de Britsche wateren één of meer Engelsche oorlogschepen
ontmoetende, steeds de vlag zouden strijken en dat recht zou worden
gedaan wegens het op Amboina gebeurde. Overeenkomstig dit laatste punt
betaalde men een aanzienlijke som aan de erfgenamen der op Amboina
terecht gestelden. Den 3den April koesterde de Witt nog de hoop, dat
Cromwell ten aanzien van de uitsluiting van inzicht mocht veranderen.
Niet alsof hij de verheffing van den prins wenschte. Het tegendeel staat
vast. Een diepen indruk had 's vaders gevangenneming op den zoon
gemaakt. En dat de tijd bij hem en bij zijn partij dien indruk niet
wegnam, dit belette, zoo het voor 't overige mogelijk ware geweest,
reeds de naam _Loevesteinsche factie_, welken de staatsgezinde partij
(zie blz. 89) sedert dien tijd bij haar tegenstanders droeg. In weerwil
hiervan heeft men in familiewrok niet in de eerste plaats het beginsel
te zoeken van de Witts vooringenomenheid tegen het huis van
Oranje-Nassau. Die vooringenomenheid stond bij hem in verband met de
vaste overtuiging, dat de souvereiniteit der staten in aanhoudend gevaar
was, indien de Republiek steeds een dienaar in naam, een meester in 't
wezen der zaak had, die het opperbevel voerde over een staand leger en
als stadhouder veler gewesten een zoo veelzijdigen invloed kon
uitoefenen. De raadpensionaris was van meening, dat slechts in tijd van
oorlog een kapitein-generaal een onmisbaar dienaar der Republiek was.
Maar al was de Witt geen voorstander van de belangen van 't huis van
Oranje-Nassau, het kon hem niet anders dan onaangenaam zijn, dat het
besluit der tegenwerking van den prins door een vreemde mogendheid, als
volstrekte voorwaarde voor 't behoud des vredes, aan Holland werd
afgeperst. Vermits intusschen Cromwells onherroepelijke wil was, een
verklaring der staten van Holland over de uitsluiting, met zijn wensch
overeenstemmende, onmiddellijk na het teekenen van het vredesverdrag in
handen te hebben en hij de instandhouding van den nauwelijks gesloten
vrede hiervan afhankelijk stelde, werd de zaak den 28sten April en in de
eerste dagen van Mei in de vergadering der staten van Holland overwogen.
Veertien leden stemden er ten slotte voor. Alzoo werd _de akte van
seclusie_ of uitsluiting naar Engeland gezonden. Zij behelsde, dat de
staten van Holland den prins van Oranje of een zijner nakomelingen
nimmer tot stadhouder verkiezen, noch, zooveel hun stem aanging,
gedoogen zouden, dat hij ooit tot kapitein-generaal der unie werd
aangesteld. Ongeveer terzelfder tijd dat de akte aan Cromwell werd ter
hand gesteld, lekte het geheim in de Republiek uit en ontstond te dier
zake van alle zijden in 't land een groote verbolgenheid. Daarom schreef
de Witt een meesterlijk vertoog, een uitvoerige verdediging der akte en
van de wijze, waarop zij was verleend, die, met goedvinden van de meeste
leden, op naam der staten van Holland werd uitgegeven.
§ 25.
_De Staat onder de leiding van de Witt.--De bemoeiingen der Republiek
met den oorlog in 't Noorden van Europa.--De tweede Engelsche
zeeoorlog._
Als eerste vruchten van den gesloten vrede, werden welvaart en algemeene
tevredenheid in Nederland geplukt. Die vrede opende weder de bronnen van
handel, scheepvaart en nijverheid. De vrees, dat de akte van seclusie
duurzame onlusten zou doen geboren worden, bleek ongegrond te zijn. Van
zijn kant vestigde de Witt, daar de Republiek thans op een goeden voet
stond met Engeland en de eendracht in 't land zelf hoe langer hoe meer
veld won, al zijn aandacht op de binnenlandsche aangelegenheden en
bovenal op het financiewezen. Dit was een tak, die dringend regeling
vereischte, iets, waartoe den raadpensionaris zijn uitnemende
bekwaamheden in dit deel der huishouding van den staat bij uitstek te
stade kwamen. Aan de Witts verstandige beginselen in het beheer der
geldmiddelen, echt Hollandsche spaarzaamheid in het besteden der
penningen en een voortdurend streven naar vermindering der hoofdschuld,
had de staat het te danken, dat hij later, onder kostbare oorlogen, zijn
krediet kon handhaven. De lessen, geput uit den nauwelijks geëindigden
oorlog, versmaadde de Witt geenszins. In dien krijg was de meerderheid
der Engelsche vloot boven de Nederlandsche helder aan den dag gekomen.
Daarom was de verbetering van het zeewezen het doelwit, waarop hij den
blik aanhoudend gericht hield. Aan alles, dat te dien einde werd
voorgesteld, zette hij kracht en leven bij.
De waardigheid en de belangen der Republiek wist de raadpensionaris met
eere te verdedigen tegen het buitenland. Toen in 1655 een oorlog
losbarstte tusschen Zweden en Polen (_Overzicht_, 9e druk, blz. 149) en
het weldra duidelijk werd, dat de koning van Zweden, Karel X Gustaaf,
naar de opperheerschappij over de Oostzee streefde, waren de
Staten-Generaal terstond bedacht op de belangen van den Nederlandschen
handel (zie blz. 98). ~Jakob van Wassenaar-Obdam~ (ten w. van Hoorn)
stevende, als luitenant-admiraal van Holland, naar de Oostzee, om de
koopvaardijschepen der Republiek en Dantzig, dat door de Zweden werd
belegerd, te ontzetten. Dit geschiedde in 1656. En toen Frederik III,
koning van Denemarken, als bondgenoot van Polen aan den oorlog deel nam,
stond Nederland hem zoowel anderszins als met zijn vloot bij. Wassenaar
behaalde in 1658, nabij het slot ~Kroonenburg~, een zege op ~Wrangel~,
bevelhebber der Zweedsche vloot. In 1659 landde Hollands vice-admiraal
~de Ruiter~ op het eiland Funen en veroverde Nijborg. Hem viel de eer
ten deel, door den koning van Denemarken met een gouden keten, alsmede
met een jaarwedde van 2000 gl. begiftigd en in den adelstand verheven te
worden.
Het beklimmen in 1660 van den troon van Groot-Britannië door Karel II
bracht geen innige verhouding teweeg tusschen dit rijk en Nederland. Op
het bericht zijner verheffing reisde Karel van Breda, waar hij destijds
vertoefde, naar Holland, om zich te Scheveningen in te schepen. Afscheid
nemende, beval hij de belangen van den jongen prins van Oranje-Nassau
ernstig aan de Staten-Generaal en aan de staten van Holland aan.
Voortshands had deze aanbeveling geen andere uitwerking, dan dat de
staten van Holland in 't laatst van September 1660 de akte van seclusie,
die met den dood van Cromwell haar beteekenis verloor, introkken. Den
koning van Engeland deden zij hierdoor geen bijzonder groot genoegen.
Hij toch achtte de akte door dien dood zelven te zijn vervallen.
Intusschen beseffende, dat de Republiek niet bestand was tegen de
vereenigde macht der rijken Frankrijk en Engeland, meende de Witt, dat
men bij Engeland steun moest zoeken tegen de overmacht van Frankrijk,
bij Frankrijk tegen die van Engeland. Op dit beginsel berustten de beide
verdragen, die Nederland in 1662 sloot, het eene met Engeland, het
andere met Frankrijk. Het verdrag met Engeland, aan de beide staten de
verplichting opleggende, elkander in geval van oorlog bij te staan, kwam
in September van dat jaar tot stand. Reeds vroeger, in April, was het
verwerend verbond met Frankrijk gesloten, waarin werd vastgesteld, dat
elk der bondgenooten, in geval een van hen in oorlog geraakte, den
anderen bijstaan en zonder hem geen vrede sluiten zoude.
Zóó meende de Witt zijn doel te hebben bereikt, den staat te hebben
beveiligd tegen mogelijke aanvallen op het vasteland, ten einde zich op
zee tegenover Engeland te kunnen doen gelden, hetzij zonder, hetzij met
geweld. Één moeielijkheid was er bij dit stelsel der buitenlandsche
politiek, en die moeielijkheid ontging de Witts scherpzienden blik in
geenen deele. Met den aanvang der regeering van Lodewijk XIV was
Frankrijk de eerste mogendheid van Europa geworden. Het was voor de Witt
geen geheim, dat de inlijving der Spaansche Nederlanden een der
hoofdplannen was van Lodewijks buitenlandsche staatkunde. Maar ook was
het zijn vaste overtuiging, dat men Frankrijk wel tot vriend, maar niet
tot nabuur moest hebben (zie bladz. 103). Kon de Republiek dit laatste
niet beletten, dan stond haar eigen zekerheid op het spel. Weldra werd
er tusschen den graaf ~d'Estrades~, den gezant van Frankrijk te 's
Gravenhage, en de Witt een onderhandeling aangeknoopt omtrent een
verdeeling of vrijmaking der Zuidelijke Nederlanden, geheel
overeenkomende met het oogmerk, dat Frankrijk en de Nederlanden voorheen
hadden gekoesterd (zie bladz. 93). Nog waren de Staten-Generaal bezig,
hierover met Lodewijk te onderhandelen, toen de koning in 1664
plotseling de zekerheid meende te hebben verkregen, dat de Republiek
niet bij machte zou zijn, zich tegen de inlijving dier gewesten te
verzetten. Daarom hield hij het voor overbodig, den buit met een ander
te deelen. Terwijl Lodewijk zich met deze overdenking bezig hield, kwam
het hem zeer gelegen, dat de Republiek weldra met Engeland in oorlog
geraakte. Zoo werd Nederland verplicht, zich steeds nauwer aan
Frankrijk aan te sluiten, en kon hijzelf gelegenheid vinden, zijn
plannen omtrent de Zuidelijke Nederlanden in rust te volvoeren, zoodra
zich hiertoe de gelegenheid aanbood.
In weerwil van de banden, die Engeland aan Nederland schenen te hechten,
als gelijkheid van afstamming, godsdienst en zeden, bestond er tusschen
de inwoners dier beide rijken een nationale haat. De oorzaak der
verwijdering lag vooral in den strijd der belangen. Engeland zocht zijn
macht te vestigen op dezelfde grondslagen, als Nederland, op den handel
en de zeevaart. Wat Karel II betreft, hij kon het der Republiek niet
vergeven, dat zij gedurende de jaren zijner ballingschap het gevaar
zorgvuldig had ontweken, om zijnentwil Cromwell eenigen aanstoot te
geven. Bovenal nam hij het euvel, dat de Witt, zooals hij zeide, zijn
neef geen recht deed wedervaren. Deze gronden verklaren, hoe de krijg
losbarstte, dien men _den tweeden Engelschen zeeoorlog_ noemt en die een
dier merkwaardige zeeoorlogen is, welke de zeventiende eeuw boven alle
tijdperken der oude en der nieuwe geschiedenis onderscheiden. De naijver
op den nog altijd grooteren handel en de uitgebreider scheepvaart van
Holland en Zeeland maakte hem voor de Engelschen tot een nationalen
strijd, en hun aanvallen en veroveringen gingen de oorlogsverklaring
reeds een jaar vooraf. In 1664 vermeesterden zij Nieuw-Nederland met
Nieuw-Amsterdam (zie blz. 88), hetwelk sinds New-York heet, en namen
vele Nederlandsche koopvaardijschepen in beslag, waarvoor de Ruiter
weldra op de kust Guin[=e]a weerwraak nam.
Ongelukkig was voor Nederland het begin: Den 13den Juni 1665 leed de
vloot van dezen staat een zware nederlaag op de hoogte van ~Lowesthoff~
(op de kust van Engeland, ten z. van Yarmouth), haar door ~den hertog
van York~ toegebracht. De luitenant-admiraal ~Kortenaar~ sneuvelde; de
opperbevelhebber der vloot, de luitenant-admiraal van ~Wassenaar-Obdam~
(zie blz. 114), vloog met zijn schip in de lucht; vele schepen werden
genomen, lafhartigen namen de vlucht, en met moeite dekte men den
terugtocht. In weinige weken--zoodanig was de veerkracht dier
tijden--was de vloot hersteld en weder uitgeloopen. Maar eerst in 't
volgende jaar herstelde een schitterende overwinning, den gekrenkten
roem onzer zeemacht. Een geduchte vloot van meer dan 100 zeilen, met
over de 21,000 koppen bemand, onder ~de Ruiters~ opperbevel liep in 't
begin van Juni uit. Den 11den raakte zij bij ~Foreland~ (ten n.o. van
Dover) slaags met de Engelschen, die bijna even sterk waren, onder prins
~Robert~, een zoon van paltsgraaf Frederik, den gewezen koning van
Bohemen (zie blz. 89), en ~Monk, hertog van Albemarle~; den 12den des
morgens begon de strijd op nieuw; den 13den werd hij hervat en eerst op
den 14den Juni 1666 beslist, toen de Engelschen de wijk namen. Zwaar
gehavend, doch met 3000 gevangenen, onder welke de vice-admiraal Ayscue,
en met zes veroverde schepen, keerde de Nederlandsche vloot naar hare
havens terug. Deze _vierdaagsche zeeslag_ is ook in de latere
geschiedenis eenig gebleven, gelijk hij het in de vroegere was.
Minder gelukkig liep een later zeegevecht af, in Augustus van 't zelfde
jaar nabij ~Duinkerken~ geleverd. De opperbevelhebber de Ruiter moest
wijken, maar door vriend en vijand bewonderd. Dat de vloot voor Monk
moest afdeinzen, weet de Ruiter aan den luitenant-admiraal ~Cornelis
Tromp~, een zoon van Maarten Harpertszoon, die zich met zijn eskader op
eenigen afstand van den hoofdslag had gehouden. Tromp schreef dit op
zijn beurt aan de hitte van den strijd toe, waarin hijzelf was gewikkeld
geweest. Hoe dit zij, de staten van Holland ontsloegen Tromp uit den
dienst. Ongelukkig voor dezen staat gaf het wijken der Nederlandsche
vloot aan de Engelschen, die haar vervolgden, gelegenheid, om 100 à 150
koopvaardijschepen in het Vlie (tusschen Vlieland en Terschelling) in
brand te steken en een gedeelte van Terschelling te verwoesten. Dan de
wraak toefde niet, gelijk beneden zal blijken.
Inmiddels had de oorlog zich verder uitgebreid. Door Karel II
aangespoord, deed ~Christoffel Bernard van Galen~, bisschop van Munster,
in 1665 een inval in Gelderland en bemachtigde eenige plaatsen. Maar
ziende, dat Nederland van verschillende zijden, b. v. door Frankrijk,
werd gesteund en de hem beloofde gelden uit Engeland niet ontvangende,
sloot hij in 1666 met de Republiek _den vrede te Kleef_. Kort tevoren
verloor de partij van Oranje een steun in den stadhouder Willem Frederik
(zie blz. 94) die in 1664 overleed. Hem verving zijn zoon ~Hendrik
Kasimir~ II (1664-1696), onder regentschap zijner moeder, in de drie
gewesten. Middelerwijl verlangde Zeeland, gesterkt door eenige steden
van Holland, wat het ook reeds vroeger had te kennen gegeven, dat den
prins van Oranje de hooge staatsambten zouden worden opgedragen. De
meerderheid der staten van Holland echter, van een tegenovergesteld
gevoelen zijnde, wist haar meening te doen zegevieren. Nogtans iets
willende toegeven, belastten die staten zich in April 1666 met de zorg
voor 's prinsen opvoeding. Dus namen zij Willem Hendrik, zooals men het
kind noemde, tot _kind van staat_ aan. Zij begonnen met een zuivering
van het personeel, dat den prins omringde. Onder hen, aan wie de staten
het toezicht op de opvoeding in 't bijzonder opdroegen, bevond zich
Johan de Witt. Zelf onderrichtte hij den prins in zaken van regeering.
Tot diegenen, welke uit 's prinsen dienst werden ontslagen, behoorde
~Henri de Fleury de Coulan, heer van Buat~ en ritmeester in dienst van
den staat. Sedert eenigen tijd hield hij, met voorkennis en goedvinden
der staten van Holland, in 't geheim briefwisseling met leden der
regeering van Engeland, onder voorwaarde evenwel, dat hij den inhoud
getrouw aan den raadpensionaris mededeelde. Het onderwerp dier brieven
was de vrede. Buat nu gaf de Witt de brieven, welke hij ontving,
geregeld te lezen. Dit deed hij ook in Augustus 1666. Doch toen liet hij
onder die brieven, uit onachtzaamheid, er een, waarop stond "pour
vous-même," voor uzelf, en die dus voor hem alleen bestemd was. Hierin
werd niet onduidelijk te kennen gegeven, dat de partij des prinsen, zoo
zij door Engeland wilde gesteund worden, krachtiger moest optreden.
Ternauwernood had de Witt deze letteren gelezen, of hij deelde den
inhoud aan de staten van Holland mede, op wier last Buat in hechtenis
werd genomen en voor het hof van Holland gedaagd. In het afschrift van
een brief, vroeger door Buat aan een van Engelands ministers gericht,
trof men verder bij het beslag leggen op zijn papieren, plaatsen aan,
die den argwaan tegen hem versterkten. De slotsom was, dat het hof den
ritmeester Buat wegens ongeoorloofde briefwisseling met den vijand, d.
i. dus wegens hoogverraad of gekwetste majesteit, ter dood veroordeelde.
Het vonnis werd voltrokken.