een hoog standpunt. Vroeger (zie blz. 44) is over dit punt het een en
ander opgeteekend, dat thans verdient eenigermate te worden uitgebreid.
De handel, die in de eerste plaats allengs voor het grootste gedeelte in
handen der Nederlanders kwam, was die op de Levant of op de
Middellandsche Zee, de handel, die Venetië groot had gemaakt. De
voornaamste handelsplaats in de Levant was Smyrna. Bovendien dreef men
handel op Rome, op Venetië en op andere groote steden van Italië en
Sicilië, op Alexandrië, Caïro, Constantinopel, enz.
Sinds de handel van Venetië, van Antwerpen en van de hanse geheel
verviel of sterk achteruit ging, begon Nederland handelsbetrekkingen met
alle rijken van Europa aan te knoopen. Zeer aanmerkelijk was die op
Frankrijk. Reeds in 1658 werd de waarde van alles, wat Frankrijk aan
Nederland leverde, begroot op omstreeks 36,000,000 gl. Voor den handel,
dien Nederland op Frankrijk dreef, behoefde die op het Noorden, d. i. op
Rusland, Noorwegen, Zweden, Denemarken en op de havens der Oostzee, niet
te wijken. Zooals Nederland alles, wat de natuur in het Zuiden en midden
voortbracht, aan de natiën van Noord-Europa leverde, zoo dreef het met
die van het Zuiden en het midden handel in de Noordsche waren. Een
tijdlang waren Polen en Rusland voor Nederland, wat Sicilië eens voor
Rome was, de korenschuur. Bovendien trok de Republiek van de havens der
Oostzee al hetgeen zij voor den scheepsbouw en het zeewezen behoefde. De
ijver der kooplieden werd niet verlamd door den tol, dien alle schepen,
welke de Sond doorvoeren, te Elseneur (op Seeland) moesten betalen.
Jaarlijks werd de Oostzee, welker toegang de koning van Denemarken
bewaarde, door vier duizend Nederlandsche schepen bevaren.
Niet minder belangrijk was de handel langs den Rijn en op verschillende
steden van Duitschland en Zwitserland. De waarde van den handel op den
Rijn, die uitsluitend in handen van Nederland was, werd jaarlijks
geschat op honderd millioen. Van minder gewicht was die op de Zuidelijke
Nederlanden, op Groot-Britannië, Spanje en Portugal. Een geheel
eigenaardigen handel dreef Amsterdam op Antwerpen, n.l. in ruwe en
geslepen diamanten. Onophoudelijk gaf de handel voedsel aan _de
vrachtvaart_. Al vroeg zagen de Nederlanders, niet ongelijk aan de oude
Tyriers (_Overzicht_, 9de druk, blz. 11, 12), in, dat zij, een land van
kleinen omvang bewonende, in de zee het element hadden te zoeken, waarop
zij voor een goed deel hun bestaan moesten vinden. De koopvaardijvloot
van het kleine Nederland was in die dagen talrijker, dan de schepen van
alle volken van Europa tezamen. In alle havens trof men Nederlandsche
vaartuigen aan, en maar zelden hadden zij ballast in. Buitenlandsche
handelshuizen gebruikten Nederlandsche schepen en bevrachtten ze met
allerlei goederen, om ze b. v. uit Engeland of andere landen naar
Frankrijk of elders over te brengen. Verder schonk de handel nieuw leven
aan de nijverheid. Beroemd waren de scheepstimmerwerven van Zaandam, de
bleekerijen van Haarlem, de boekdrukkerij van Elzevier te Leiden. Bij
den buitenlandschen handel, de vrachtvaart en de nijverheid kwam de
binnenlandsche handel, die van gewest tot gewest, van stad tot stad werd
gedreven. Boven alle handelsplaatsen in 't geheele land stak Amsterdam,
de koningin van Nederlands steden, uit. Onder de fraaie gebouwen der
stad muntte het nieuwe stadhuis uit, het achtste wonder der wereld,
waarvan men den bouw begon in 't gedenkwaardige jaar 1648. Een der
bouwmeesters was ~Jakob van Kampen~.
Wie van den wereldhandel der Nederlanders in de 17de eeuw spreekt kan
niet zwijgen van de compagnieën. Na het bovenstaande (zie blz. 79 vlg.
en 88) moet althans van de Oost-Indische compagnie hier nog eenige
melding worden gemaakt. Na in 1622 de landvoogdij te hebben nedergelegd,
keerde Coen naar het vaderland terug. Doch in 1627 werd hem die hooge
betrekking op nieuw opgedragen. Een zijner merkwaardigste opvolgers was
~Antonie van Diemen~. Door de inheemsche bewoners van Ceylon ingeroepen,
veroverde hij in 1638 een fort van dit eiland op de Portugeezen. Eens
vasten voet hebbende gezet, breidde de compagnie haar macht ook hier
spoedig uit. Eveneens ging Malakka (in 't z.w. van Achter-Indië) in 1641
van Portugal op de Nederlandsche compagnie over. In 't zelfde jaar
gelastte de keizer van Japan, dat alle buitenlandsche betrekkingen
moesten worden afgebroken, behalve met Sina en met de Nederlandsche
compagnie, die hare factorij vestigde op het kleine eiland _Desima_, dat
verbonden was met de stad Nangasaki.
Onder de oorzaken, waaraan Nederlands handel zijn bloei had te danken,
is mede vermeld (zie blz. 44) de persoonlijke vrijheid welke alle
ingezetenen dezer landen genoten. Uit hoofde van die persoonlijke
vrijheid, waarvan men hier zeker was, werd de Republiek, van den aanvang
af, het toevluchtsoord, waar vele vreemdelingen zich metterwoon
nederzetteden, eerst Vlamingen en andere Zuid-Nederlanders, later
Franschen, Duitschers, enz. De hervormde kerk--het is waar--was met den
staat tot één geheel onafscheidelijk samengegroeid. Zelfs de
Roomsch-katholieken, ofschoon nog lang na de invoering der hervorming
de meerderheid der bevolking uitmakende, hadden, sinds de vestiging
der Republiek, geen volledige vrijheid van eeredienst. Maar evenals
alle andere gezindheden hadden ook zij vrijheid van geweten en
godsdienstoefening, mits de dienst niet in 't openbaar geschiedde. De
overheidsambten intusschen en zelfs de mindere bedieningen kon niemand
bekleeden, dan wie de leer der hervormde kerk beleed. Doch onbetwistbaar
is het, dat de Republiek niet den minsten gewetensdwang heeft geoefend.
Buiten de Roomsch-katholieken was het meerendeel der inwoners van
Nederland hervormd. In Holland en Zeeland telde men ook vele leden der
Waalsche kerk. Verder had men Doopsgezinden, Remonstranten, Lutherschen
en Joden. Was er alzoo voor den vreemdeling veel, dat hem uitnoodigde,
zich in deze streken te vestigen, niet alles kan hem hier hebben
behaagd. De ingezetenen der Vereenigde Nederlanden toch hadden zware
belastingen op te brengen.
Nederland leefde van den handel, doch niet alleen om den handel. Ook om
den lauwer in wetenschap en kunst ontstond hier een wedstrijd. Van de
zucht voor verbreiding van kennis en voor den bloei der wetenschap, die
de landzaten bezielde, leverde in de eerste plaats het stichten van
hoogescholen onweerlegbare bewijzen op. Na Leiden verrezen die van
Franeker, Groningen, Amsterdam (zie blz. 90), Utrecht en Harderwijk. Het
athenaeum van Franeker stichtten Willem Lodewijk (zie blz. 64) en de
staten van Friesland in 1585. De universiteit van Groningen werd door de
staten van 't gewest gegrondvest in 1614. Dan volgde de academie van
Utrecht, met goedvinden der staten door de stad opgericht in 1636. In
Gelderland bestond, sedert 1647, Harderwijk als een provinciale
academie. Latijnsche scholen waren verder in grooten getale door het
land verspreid. Wat het algemeene volks- of lager-onderwijs betreft, dit
was een vrucht der hervorming. Daarom stonden overal de scholen onder de
leiding der heerschende kerk, evenwel steeds onder toezicht der
regeering. In de heerlijkheden--en zij waren vele--had de heer eveneens
grooten invloed op de school. Over 't geheel stond het onderwijs op de
lagere scholen, staande den ganschen duur der Republiek, op een lagen
trap.
Het vernieuwde leven der natie openbaarde zich insgelijks in de
letterkunde. Na de tallooze tooneeldichten uit vroegere dagen, waaraan
de vele Rederijkerskamers (zie blz. 44) het aanzijn hadden gegeven, kwam
er een gansche hervorming in de letteren sedert den grooten omkeer, die
tegen het einde der 15de en in 't begin der 16de eeuw in staat en kerk
plaats greep. Een der beste prozaschrijvers uit de laatstgenoemde eeuw,
tevens een der merkwaardigste mannen van zijn tijd, is ~Philips van
Marnix van St. Aldegonde~ (zie blz. 53). In zijn hoofdwerk, _den
Bijenkorf der Heilige Roomsche kerk_, gispt hij geestig, ernstig en
krachtig de leer en de gebruiken dezer kerk.
Van alle Rederijkerskamers is er geene, die vruchtbaarder werkte voor de
opkomst der Nederlandsche letteren, dan de Amsterdamsche kamer "in
liefde bloeiende". Mede door haar zijn Hooft en Vondel geworden, wat zij
waren. Met Cats en Huygens zijn de beide zooeven genoemde schrijvers de
vier, wier namen de gulden eeuw der Nederlandsche letterkunde, den tijd
van Frederik Hendrik, vermaard hebben gemaakt. ~Pieter Cornelisz.
Hooft~, gestorven in 1647, was drossaart of drost van Muiden. Een
zijner treurspelen is _Gerard van Velzen_. Keurig zijn bovenal
zijn minnedichten. Meer nog dan als dichter muntte hij uit als
geschiedschrijver. Zijn hoofdwerk, als zoodanig, is _de Nederlandsche
historiën_, welker onderwerp is de opstand tegen Spanje, van 1555 tot
1587. Een vreemdeling, zoo men op de geboorteplaats let, maar
Nederlander door zijn herkomst (uit Antwerpen) en door zijn woonplaats
van zijn kindsheid af (Utrecht en Amsterdam), is ~Joost van den Vondel~
(1587-1670). Hij is de vorst der Nederlandsche dichters. Onder de rijen
zijner treurspelen zijn uitnemend verheven lierzangen, als de lofzang
der engelen in _den Lucifer_ en die der Amsterdamsche maagden op de
huwelijkstrouw in _den Gijsbrecht van Amstel_. Met schier evenveel geluk
beoefende hij bijna alle dichtsoorten. De vruchtbaarste stof voor zijn
treurspelen leverde hem de bijbel. Een der stukken, hieraan ontleend, is
de _Lucifer_.
De derde van het viertal is ~Jakob Cats~ (zie blz. 90). Hij is geboren
te Brouwershaven en stierf in 1660, in den ouderdom van drie-en-tachtig
jaren. Zijn poëzie is natuurlijk en ongedwongen. Het "leerdicht" was de
vorm, die hem het meest aantrok. Groot was de populariteit, die hij
bekwam. Geen dichter werd door het Nederlandsche volk zoo gelezen, als
hij. Dit is niet vreemd, want zijn gedichten zijn huiselijke gedichten.
Bijna twee eeuwen lang was "vader Cats" als de tweede bijbel des
huisgezins. Men heeft van hem: _Ouderdom en Buitenleven_, _het
huwelijk_, enz.--Veel overeenkomst met het proza van Hooft heeft de
poëzie van ~Constantijn Huygens~. Evenals die prozaschrijver is hij hier
en daar duister en onverstaanbaar. De verzameling zijner werken, _de
Korenbloemen_, bevat punt- en hekeldichten, sneldichten, enz.
Met de ontwikkeling der letteren hield die van sommige kunsten ongeveer
gelijken tred, bovenal die der schilderkunst. Had België Rubens, die
moeielijk was te evenaren, Nederland kon op vele zijner tijdgenooten
bogen, die in het schilderen van huiselijke tafereelen of van
voorwerpen, aan de natuur of aan het leven ontleend, een zeldzame hoogte
bereikten. De beroemdste der Nederlandsche historieschilders is
~Rembrandt~, geboren te Leiden, die van 1608 tot 1669 leefde. Hij vormde
zichzelf zoo goed als geheel. In eigen waarneming, vooral van de
weerkaatsing van 't licht, zocht en vond hij zijn kracht. Op geheel
eenige wijze leerde hij met licht en bruin te werken. Ook was hij een
meester in het schikken der beelden. Vermaard is zijn "nachtwacht."
§ 23.
_Het stadhouderschap van Willem II._
De vrede van Munster was een gewichtige gebeurtenis, zoo voor Europa in
't algemeen, als voor de Republiek in 't bijzonder. Een volledige
zegepraal bekroonde de langdurige worsteling der vaderen. Gelijk met den
Westphaalschen vrede de toestand van Europa aanmerkelijke wijzigingen
onderging, daar, naast de zucht tot uitbreiding van 't grondgebied, de
belangen van den handel nu, in plaats van den godsdienst, de voornaamste
drijfveer werden van de politiek der kabinetten, zoo nam ook de
buitenlandsche staatkunde der Republiek een andere richting. De
zienswijze, gedurende de laatste jaren van den oorlog opgekomen, werd
een onwrikbare overtuiging van Nederlands staatsmannen (zie blz. 94).
Niet Spanje, maar Frankrijk was van nu aan het aanhoudend voorwerp der
bezorgdheid van de Republiek. De Zuidelijke Nederlanden werden thans als
een beveiligende voormuur tegen Frankrijk aangemerkt. De wrok, dien
Frankrijk wegens het sluiten van den vrede tegen Nederland had opgevat,
was diep geworteld en bleef bestaan.
Met den anderen nabuur, Groot-Britannië, was de verstandhouding der
Republiek, ten tijde van den vrede, ook niet zeer innig. Engelands rust
werd door binnenlandsche oneenigheden verstoord. In 1648, toen de vrede
tot stand kwam, had de partij van 't parlement niet alleen gezegevierd;
doch zij had ook den persoon des konings Karel I (_Overzicht_, 9de druk,
blz. 147) in haar macht. Deze uitkomst bracht de Republiek in een
moeielijken toestand. Den jongen stadhouder, Willem II, trof het lot
zijns schoonvaders diep. De Staten-Generaal erkenden Karel II als koning
en weigerden gehoor te geven aan de gezanten der Engelsche Republiek.
Eveneens stond Nederland niet op een goeden voet met Portugal (zie blz.
92). Evenmin waren de betrekkingen met Zweden, fier op de rol, die het
in den dertigjarigen oorlog had vervuld, en nauw verbonden met
Frankrijk, van vriendschappelijken aard. Tusschen Denemarken integendeel
en de Republiek heerschte veel welwillendheid. Met den keizer van
Duitschland waren in den laatsten tijd geen betrekkingen aangeknoopt;
doch, behalve de nabuurschap, moest de verandering van standpunt van
Nederland ten opzichte van Spanje ook gunstig werken op de verhouding
tot Duitschland.
In tegenspraak met hetgeen de natuurlijke loop der zaken scheen mede te
brengen, dat de vrede de voorlooper zou zijn van een tijdperk van rust,
moest Nederland het ten tweeden male beleven, dat de buitenlandsche
oorlog slechts was geweken, om plaats te maken voor binnenlandsche
tweedracht. In 1647 en 1648 was ~WILLEM~ II zijn vader in al zijn
bedieningen opgevolgd, ook in het stadhouderschap van Groningen en
Drente. Dit opvolgen van den prins greep onder ongunstige voorteekenen
plaats. Hoezeer hij van begeerte brandde om den oorlog gaande te houden,
had hij zoo duidelijk getoond, dat dit door de staten van Holland zeer
euvel werd opgenomen. Hierbij kwam de zaak van koning Karel I, die
sedert 1647 een gevangene zijner onderdanen was. Willem zocht in 't
volgende jaar de Staten-Generaal te bewegen, zich voor zijn schoonvader
in de bres te stellen; maar Holland en Zeeland wilden zich het in macht
zoo zeer aangroeiende parlement niet tot vijand maken.
Nog erger oneenigheid ontstond weldra tusschen Willem II en Holland. Het
financiewezen dezer provincie bevond zich in een ongunstigen toestand.
Daarom waren de staten van dit gewest ernstig bedacht op bezuinigingen,
om te verhoeden, dat den ingezetenen zwaardere lasten werden opgelegd.
Hiermede kwam de denkwijze van de staten der andere gewesten overeen.
Men besefte, dat de besparing van groote sommen niet anders dan op het
krijgswezen kon worden gevonden. Doch over het getal der af te danken
manschappen rees geschil tusschen de Staten-Generaal en Holland. Nadat
een paar afdankingen overeenkomstig de meening van dit gewest, maar niet
geheel volgens de zienswijze der Staten-Generaal en van den raad van
state, hadden plaats gegrepen, drongen de staten van Holland erop aan,
dat men nog vijftig compagnieën vreemdelingen en de helft der ruiterij
zou afdanken. Hiertegen waren de Staten-Generaal en de prins. Na vele
voorslagen over en weer besloten ten laatste de staten van Holland op
Maandag den 30sten Mei 1650 ter Generaliteit niet langer over de zaak te
spreken, doch naar eigen goedvinden te handelen. Zoo werden er, op naam
der Staten van Holland, brieven van afdanking gezonden aan de kapiteins
van een-en-dertig compagnieën voetvolk en van twaalf eskadrons ruiterij,
die Holland betaalde.
Van dezen beslissenden stap kennis hebbende gekregen, begaven zich de
beide stadhouders en de gansche raad van state naar de buitengewone
vergadering der Staten-Generaal, die op Zondag den 5den Juni werd
gehouden. Dit college verzochten zij, met hen de hand eraan te houden,
dat die voorgenomen afdanking niet plaats greep, en te overwegen, wat in
deze gewichtige aangelegenheid verder behoorde te worden gedaan. In
weerwil dat vanwege de meeste gewesten slechts een gering aantal leden
de vergadering bijwoonde, kwam den 5den Juni 1650 een besluit tot stand,
door een zeker aantal dier leden genomen. Hierin bepaalde men, dat aan
de kapiteins der troepen tegenbevel zou worden gezonden; dat een
aanzienlijke bezending zou rondgaan bij alle leden van de staten van
Holland, om hen over te halen, zich van alle afzonderlijke afdanking van
krijgsvolk te onthouden; dat de prins werd verzocht, alle zoodanige
maatregelen te nemen, waardoor de rust bewaard bleef en de unie werd
gehandhaafd.
De prins stelde zichzelf aan 't hoofd der bezending en ging weldra op
reis. Zij werd begeleid door ongeveer vier honderd officieren van
hoogeren en lageren rang. De eerste stad, die de gemachtigden bezochten,
was Dordrecht, waar de oud-burgemeester ~Jakob de Witt~ het woord tot
hen voerde en vanwaar zij, zonder de gewenschte belofte te hebben
bekomen, weder vertrokken. Nog minder slaagde de bezending in een paar
andere steden. Inzonderheid werden te Amsterdam scherpe woorden geuit.
Wederom in andere kwam de raad bijeen, hoorde het voorstel aan en gaf
eenig antwoord, zonder zich evenwel te verbinden tot hetgeen de
bezending verlangde. Na de bezending werden over de hoofdzaak, het stuk
der afdanking, weder nieuwe onderhandelingen tusschen de staten van
Holland en den prins geopend. Hierbij naderden de beide partijen
elkander op zoo korten afstand, dat Holland ten laatste slechts 300
ruiters en ruim 300 voetknechten meer dan Willem II uit den dienst wilde
ontslaan. Terwijl echter de een niet voor den ander wilde zwichten, liet
de prins den 30sten Juli 1650 Jakob de Witt, oud-burgemeester van
Dordrecht, en vijf andere heeren uit Holland, leden der overheid in
verschillende steden en tevens van de staten van Holland, aanzeggen, dat
hij hen wenschte te spreken. Een der vertrekken van het gebouw te 's
Gravenhage, dat "het hof" heette, zijnde binnengetreden, werden zij uit
's prinsen naam in hechtenis genomen. Den 31sten Juli liet de stadhouder
de zes heeren naar Loevestein brengen.
Inmiddels waren, onder bevel van Willem Frederik, reeds den 29sten dier
maand troepen opgebroken, die in last hadden Amsterdam te bezetten. Het
voornemen van den prins was, zonder gewelddadigheid een sterke
bezetting te Amsterdam te leggen en dan de vroedschap te veranderen. Een
gedeelte van 't krijgsvolk kwam op den bepaalden tijd in de nabijheid
van Amsterdam, te Abkoude. Maar een ander gedeelte, des avonds van
Hilversum (ten z. van Naarden) opgebroken, geraakte door het onstuimige
weder en de duisternis van den nacht aan het dwalen. De Hamburger
postbode, op zijn reis naar Amsterdam te midden dier rondzwervende
troepen gerakende, bracht op den vroegen morgen van den 30sten Juli te
Amsterdam het bericht, dat eenige duizenden ruiters, die ieder toen voor
vreemde troepen hield, tegen de stad in aantocht waren. Onverwijld nam
Amsterdam alle vereischte maatregelen, om zich in staat van tegenweer te
stellen. Den 31sten Juli vertrok de prins van Oranje naar het leger, dat
voor Amsterdam lag. Inmiddels had de overheid der stad een paar
zeesluizen laten openen en was op die wijze begonnen het land onder
water te zetten. Willem II alzoo ziende, dat zijn toeleg was verijdeld,
en vreezende, dat zijn soldaten mochten verdrinken, verzocht de
Staten-Generaal, hem terug te roepen. Hetzelfde verzoek deden hun de
staten van Holland. Eer hieraan echter gevolg werd gegeven, trad de
stad, uit bezorgdheid dat de handel, die reeds veel door 't beleg had
geleden, mocht verloopen, en ziende, dat zij niet veel steun vond bij de
overige steden van Holland, in onderhandeling met den prins. Die
onderhandelingen voerden den 3den Augustus tot een verdrag, hetwelk
behelsde, dat Amsterdam zich in het twistgeding over 't krijgsvolk zou
voegen naar de meening der zes provinciën en dat Zijn Hoogheid de
troepen zou doen aftrekken. Nu ontsloeg de prins ook de zes heeren,
zonder te reppen van eenige misdaad, waarom zij zouden zijn gevangen
genomen.
Willem II beleefde het einde van 't jaar, waarin de tweedracht zoo fel
was uitgebarsten, niet meer. Naar Dieren (nabij Arnhem) vertrokken, waar
hij een landgoed had, hield hij zich, in weerwil van 't ongunstige weder
van den herfst van dit jaar, zoo onafgebroken met de jacht bezig, dat
hij tegen 't eind van October ziek werd en naar den Haag moest worden
vervoerd. Reeds den 6den November overleed hij in den jeugdigen ouderdom
van ruim vier-en-twintig jaren. Naar alle waarschijnlijkheid voorkwam
zijn vroegtijdige dood groote moeielijkheden, die zich aan den
gezichteinder begonnen te vertoonen. Behalve dat het lang zou
hebben geduurd, eer de bestaande spanning ware verkeerd in een
vriendschappelijke verhouding tot Hollands regenten, is het te
vermoeden, dat de onbezonnen aanmoediging van een drom vleiers, wien hij
het oor leende, den heerschzuchtigen en hartstochtelijken stadhouder
mettertijd het spoor had doen bijster worden. De onervaren prins stond
op het punt, het zoo even voltooide meesterstuk, te Munster tot stand
gebracht, te vernietigen. In overleg met hem had het Fransche hof een
ontwerp-verdrag opgesteld, dat de Republiek en Frankrijk in een dubbelen
oorlog zou hebben gewikkeld met Spanje en met Engeland. De Stuarts
zouden door de beide bondgenooten op den troon worden hersteld. Maar de
plotselinge dood van den prins deed het ontwerp in duigen vallen. In hem
ontviel der Republiek een man, die ontegenzeggelijk groote gaven had en
den staat aanmerkelijke diensten had kunnen bewijzen. Ware hem een
langer leven gegund geweest, hij zou zijn vermaarde voorzaten in vele
opzichten hebben kunnen evenaren, want hij was onvermoeid, dapper,
ondernemend en milddadig.
§ 24.
_De groote vergadering.--De eerste Engelsche zeeoorlog._
De mare van 's prinsen dood verwekte, toen zij door 't gansche land
weerklonk, naarmate van ieders gezindheid, verschillende aandoeningen
van droefheid of blijdschap. Den 14den November, acht dagen na 's
prinsen dood, werd Willem Hendrik, de zoon van Willem II, geboren. De
staten van Holland, intusschen bijeengekomen, deden een bezending aan
hun medeleden in de unie, om hun voor te stellen, de staten der
bijzondere gewesten te 's Gravenhage te beschrijven, ten einde op de
unie, de religie en de militie te besluiten. Dit duidt aan, dat de
staten van Holland zich onwrikbaar hadden voorgenomen, de regeering op
een vasten voet te brengen, ten welken einde zij de toestemming der
andere gewesten behoefden en wenschten, dat de staten dier provinciën
een aanmerkelijk getal afgevaardigden naar den Haag zouden zenden.
Thans immers, nu de tachtigjarige oorlog voor goed was geëindigd, scheen
het noodzakelijk, een vasten regeeringsvorm aan de Republiek te geven.
Middelerwijl werd de voogdij over den jongen prins opgedragen, ter ééne
zijde, aan de prinses-weduwe (zie blz. 95), en ter andere aan de
prinses-grootmoeder (zie blz. 89) en aan den keurvorst van Brandenburg
gezamenlijk. Deze keurvorst was Frederik Willem, getrouwd met de oudste
dochter van Frederik Hendrik, ~Louise Henriëtte~. Terwijl vervolgens de
staten van de meeste gewesten de rechten, die de stadhouder tot dusver
had gehad, aan zichzelven trokken of aan de steden toekenden, benoemden
Groningen en Drente Willem Frederik (zie blz. 94) in 1650 tot
stadhouder.