onthoofd. Zóó viel een man, die langer dan veertig jaren het land trouw
had gediend, eerst als pensionaris van Rotterdam, toen als advocaat van
Holland. Met dit ambt bekleed, werd hij terstond het hoofd van de
partij, die zich tegenover Leicester stelde. Onbeschrijfelijk was de
verwarring, waarin zich 's lands zaken in die dagen bevonden.
Oldenbarnevelt vestigde een geregeld bewind en bracht orde in den
toestand der geldmiddelen. Hij stichtte, door zijn beleid, de Republiek,
die Maurits tegen buitenlandsch geweld beschutte. Hij alleen werd geacht
het bewind in handen te hebben. Aleer het vonnis geveld en 't hoofd van
den advocaat gevallen was, had de Contra-Remonstrantsche partij ook in
het kerkelijke met geweld de zegepraal behaald. Den 13den November 1618
werd _de nationale synode te Dordrecht_ geopend. De meerderheid der
inheemsche leden waren Contra-Remonstranten. Uit Engeland, Zwitserland
en vele staten van Duitschland kwam tal van godgeleerden, bijna allen
vijandig gestemd tegen de Remonstranten. Van de Remonstranten verschenen
slechts weinigen. Van den beginne aan werden zij niet als leden, maar
als gedaagden behandeld. Den 6den Mei 1619 werden de gevoelens der
Remonstranten in 't openbaar veroordeeld en de leeraars dier sekte
afgezet. Later werden al degenen, die te Dordrecht waren geweest over de
grenzen gezet, omdat zij weigerden _de akte van stilstand_ te teekenen,
die hen verplichtte, zich van alle kerkelijke bedieningen te onthouden.
Behalve de vervulling der rechterlijke taak, die de synode op zich had
genomen, wijdde zij nog een deel harer zittingen aan het vaststellen van
de voornaamste leerstukken der Nederlandsche hervormde kerk. Eindelijk
nam zij het gewichtig besluit, den bijbel uit de grondtalen in de taal
des lands over te zetten, een werk, dat in 1635 tot stand kwam. Het is
bekend onder den naam _Staten-overzetting_, _Statenbijbel_.
§ 20.
_De hernieuwing van den oorlog na het bestand.--De oprichting der
West-Indische compagnie.--De aanslag op het leven van Maurits en zijn
dood._
Nadat Hogerbeets en de Groot met hun vonnis waren bekend gemaakt, werden
zij in Juni 1619 naar het slot Loevestein (bij de samenvloeiing van Maas
en Waal, in 't z.w. van Gelderland) overgebracht. Hogerbeets bleef hier
tot Maurits' dood. Toen vergunde men hem, zijn verdere levensdagen onder
toezicht te slijten in een buitenhuis nabij Wassenaar (niet ver van
Leiden). Hugo de Groot wijdde zich op Loevestein aan de studiën en aan
de vervaardiging van eenige dier werken, welke zijn naam onsterfelijk
hebben gemaakt. Zoodra echter ~Maria van Reigersbergen~, zijn
echtgenoote, die zijn gevangenis deelde, bijgestaan door zijn
dienstmaagd Elsje van Houwingen, hem de gelegenheid verschafte, in Maart
1621 in een kist, schijnbaar met boeken gevuld, naar Gorinchem te
ontvluchten, maakte de Groot er volvaardig gebruik van en begaf zich
naar Frankrijk.
Het is licht te begrijpen, dat de macht van Maurits na den dood van
Oldenbarnevelt zeer toenam. Nog rees zijn aanzien bij den dood zijns
broeders Philips Willem, die in 1618 stierf en hem al zijn bezittingen,
ook het prinsdom Oranje, naliet. Hoeveel Maurits' aanhangers thans
vermochten, ondervonden bovenal de Remonstranten. Al degenen, die eenig
ambt, hoe gering ook, bekleedden, werden afgezet. Tot ongeveer
tweehonderd klom het getal hunner predikanten, die hun ontslag bekwamen
en van welke vele, ten minste tachtig, het brood der ballingschap
moesten gaan eten. Op aandrang van Maurits werden ook Oldenbarnevelts
zonen van hun ambten ontzet. De oudste dier zonen heette ~Reinier van
Groeneveld~ (nabij Wassenaar), de andere ~Willem van Stoutenburg~ (nabij
Amersfoort).
Nog voordat het twaalfjarig bestand ten einde liep, overleed de
stadhouder van Friesland, Groningen en Drente, Willem Lodewijk, 1620, en
werd voor 't eerste gewest opgevolgd door zijn broeder ~Ernst
Kas[)i]mir~ (1620-1632), terwijl de beide andere Maurits kozen. Het
jaar van de hernieuwing der vijandelijkheden, 1621, werd gekenmerkt door
een belangrijke gebeurtenis, door de oprichting der _West-Indische
compagnie_. Den 3den Juni 1621 verleenden de Staten-Generaal een
vergunning voor vier-en-twintig jaren aan de West-Indische compagnie.
Het 1ste artikel kende aan de compagnie, met uitsluiting van iedereen,
den alleenhandel toe op Afrika, van den kreeftskeerkring of 23-1/2 graad
Noorderbreedte tot te Kaap de Goede Hoop, welke tot het gebied der
Oost-Indische compagnie behoorde, alsmede op geheel Amerika. De eerste
inleg was [f] 7,200,000. Er waren _vijf kamers_. Aan aandeelen had die
van Amsterdam 4/9, die van Zeeland 2/9, die van de Maas, d. i.
Rotterdam, die van Noord-Holland en die van Friesland met Groningen elke
1/9. Het getal der _bewindhebbers_ was _vier-en-zeventig_. Het
uitvoerend bewind of _de generale vergadering_, uit die vier-en-zeventig
gekozen, bestond uit 19 leden. De compagnie kreeg, als staat, dezelfde
rechten als de Oost-Indische. Tot hetgeen de West-Indische compagnie,
terstond bij haar oprichting, onder haar beheer kreeg, behoorde o. a.
een landstreek in Noord-Amerika, n.l. _Nieuw-Nederland_, waarin later
allengs de stad _Nieuw-Amsterdam_ ontstond.
Met het einde van het bestand werden in Europa de vijandelijkheden
tusschen Nederland en Spanje hervat. In 't zelfde jaar, 1621, overleed
Albert. Nu werd Isabella landvoogdes der Zuidelijke Nederlanden, die aan
Spanje, waarover Philips IV regeerde, terugvielen. Zijzelve overleed in
1633. Veel voordeel leverde de oorlog voor de Republiek niet op. In 1625
veroverde Spin[)o]la Breda, terwijl de stadhouder in 't vorige jaar zijn
aanslag op Antwerpen zag mislukken. Gaf de oorlog Maurits alzoo weinig
stof tot vreugde, wat de binnenlandsche aangelegenheden betreft gebeurde
er iets, hetwelk aanduidde, dat de rust, welke men sedert den
staatsgreep van de jaren 1618 en 1619 genoot, niet uit algemeene
tevredenheid voortsproot. In 1623 kwam het aan 't licht, dat
Oldenbarnevelts jongste zoon met verscheidene Remonstranten en
Roomsch-katholieken een samenzwering smeedde tegen het leven van den
prins. Het voornemen was, hem in de nabijheid van zijn buitenverblijf,
bij Rijswijk, te overvallen en te dooden. Het hoofd van den aanslag, de
heer van Stoutenburg, vluchtte naar het Zuiden, nam dienst bij den
vijand en vatte de wapenen op tegen zijn vaderland. Het getal van hen,
die onthoofd werden, beliep vijftien. De aanzienlijkste was Reinier van
Groenevelt, wiens moeder en gemalin Maurits tevergeefs om genade
vroegen, hoewel zijn misdrijf alleen hierop neerkwam, dat hij zijn
krediet had verleend tot het opnemen der benoodigde gelden.
Sedert geruimen tijd leed Maurits aan een ziekte, die zijn krachten meer
en meer sloopte, totdat hij den 23sten April 1625 in den ouderdom van 58
jaren bezweek. Kort vóór zijn dood had hij, die nimmer getrouwd was
geweest, zijn broeder Frederik Hendrik genoopt, een huwelijk aan te gaan
met de gravin Amalia van Solms (ten n.o. van Maints), die in 't gevolg
der koningin van Bohemen (_Overzicht_, 9de druk, blz. 130) in Holland
was gekomen.
§ 21.
_Het stadhouderschap van Frederik Hendrik._
De binnenlandsche staatkunde, door prins Maurits en zijn aanhangers na
den dood van Oldenbarnevelt gevolgd, gaf het aanzijn aan twee
_staatspartijen_, _de stadhouderlijke_ en _de staatsgezinde_, die
elkander voortdurend bestreden. Tot de ééne partij behoorden de
regenten, die, hoezeer gestemd voor 't beginsel der souvereiniteit van
de stedelijke raden en van de staten der gewesten, het stadhouderschap
evenwel der prinsen uit het huis van Oranje-Nassau als een noodzakelijk
bestanddeel van den regeeringsvorm aanmerkten. Zij vond vooral haren
steun bij de volksmenigte. Tegen haar over stond de staatsgezinde
partij, voortgekomen uit de afgezette regenten, die een bewind zonder
stadhouder voorstonden, iets, waaraan Oldenbarnevelt nimmer had gedacht.
De worsteling tusschen deze beide partijen heeft met wijziging der
begrippen, naar de verandering der tijden, tot den val der Republiek
voortgeduurd.
Onmiddellijk na den dood van Maurits benoemden Holland, Zeeland,
Utrecht, Gelderland en Overijsel ~FREDERIK HENDRIK~ (1625-1647) tot
stadhouder, terwijl de Staten-Generaal hem de waardigheid van
kapitein-generaal en admiraal der unie opdroegen. In Groningen en in
Drente verkoos men den stadhouder van Friesland (zie blz. 87). Door
wederzijdsche toegeeflijkheid zocht Frederik Hendrik, tegen het drijven
der heftige Contra-Remonstrantsche predikanten in, de partijen tot
elkander te brengen. In dit pogen werd hij weldra ondersteund zoowel
door andere stedelijke raden, als door de vroedschap van Amsterdam, waar
men den Remonstranten vergunde, in 1630 een _seminarium_ of kweekschool
ter opleiding hunner predikanten te stichten. Twee jaren daaraan
verrees, volgens het besluit derzelfde vroedschap, _het athenaeum_
(eigenlijk: tempel van de godin Athene of Minerva) te Amsterdam.
Omtrent terzelfder tijd, in 1631, kwam Hugo de Groot zijn vaderland
weder bezoeken, op den invloed rekenende van Frederik Hendrik, zijn
vriend, die de richting der Remonstranten was toegedaan. Maar de prins
wilde eensdeels ter wille van de Groot de verdeeldheid geen nieuw
voedsel geven en achtte zich anderdeels verplicht, het eens geslagen
vonnis te handhaven. Dus moest de balling zich in 't volgende jaar voor
goed verwijderen. Twee jaren later, in 1634, werd hij tot gezant van
Christ[=i]na, koningin van Zweden (_Overzicht_, 9de druk, blz. 149), aan
't Fransche hof benoemd. Hij overleed in 1645 op een reis uit Zweden
naar Frankrijk te Rostock (in 't n. van Mecklenburg-Schwerin).
Bij het gemis van voldoende omschrijving der staatsmachten kwam ook bij
Frederik Hendrik, in weerwil van zijn gematigdheid, van lieverlede de
zucht op, een soort van alleenheerschappij uit te oefenen. Vandaar dat
hij in elke provincie (zie beneden, blz. 93) een bijzonder persoon had,
om zich van den staat van zaken nauwkeurig te laten onderrichten. Lang
had hij weinig of geen tegenwerking te verduren. De raadpensionarissen,
die Hollands staten gedurende Frederik Hendriks stadhouderschap
achtereenvolgens ter zijde stonden, ~Antonie Duik~, ~Adriaan Pauw~ en
~Jakob Cats~, hadden uit het noodlottige einde van Oldenbarnevelt
geleerd, dat de dienaar niet behoort te trachten, den heer voorbij te
streven, of werden, zoodra zij eenige gezindheid hiertoe verrieden, ter
zijde gezet. In alles, wat den oorlog betrof, evenaarde Frederik Hendrik
zijn broeder, dien hij in zijn jeugd op meer dan één zijner
veldtochten, b. v. bij Nieuwpoort, had vergezeld. Van zijn bekwaamheid
in 't leveren van veldslagen heeft hij echter geen bewijzen gegeven,
vermits het bij hem vaststond, dat er de Republiek meer aan gelegen was,
door 't veroveren van sterke vestingen hare grenzen te dekken dan, in 't
open veld oorlogende, veel geld en manschappen op te offeren. Hoezeer
hij in de belegeringskunst uitmuntte, toonde hij door het nemen van Grol
in 1627, en bovenal door de verovering van 's Hertogenbosch en van
Maastricht. Die van 's Hertogenbosch staat in de geschiedenis van 't
krijgswezen bekend als een meesterstuk.
Toen de prins in 1629 met de voorbereidende maatregelen gereed en met
den aanval begonnen was, kwam een groot Spaansch leger tot ontzet
opdagen. Doch ziende, dat de stadhouder onaantastbaar was, beproefde het
een afleiding, door in de Republiek zelve een inval te doen. De inval
geschiedde in de Veluwe en verbreidde wijd en zijd schrik in 't land.
Tot overmaat van ramp voegden zich de troepen van den keizer van
Duitschland bij de Spaansche. Intusschen liet Frederik Hendrik zich door
niets aftrekken. Daarom spanden de Staten-Generaal al hun krachten in,
om den vijand zoo goed mogelijk tegen te houden. De stadhouder van
Friesland werd aan 't hoofd van een verdedigingsleger gesteld. Lang kon
de vijand het in de schrale streek, waar hij was, niet uithouden, zonder
gebrek aan levensmiddelen te krijgen. Een bijzondere gebeurtenis
verhaastte zijn aftocht. Het was de aanslag op Wezel, dien een paar
duizend man Nederlandsche troepen op een vroegen morgen in 't zelfde
jaar, 1629, waagden en die uitnemend gelukte. Daar de vestingwerken der
stad destijds open lagen en een deel der bezetting mede naar de Veluwe
was getrokken, ontmoette men zoo goed als geen tegenstand, en binnen één
uur was de stad in handen der Nederlanders. De uitwerking volgde
dadelijk. De vijanden ontruimden het grondgebied der Republiek, en 's
Hertogenbosch gaf zich bij verdrag over. In 1632 deed de stadhouder,
vergezeld door Ernst Kasimir, een krijgstocht langs de Maas. Eerst dwong
hij Venlo en Roermond zich over te geven, welke steden evenwel eenige
jaren later door den vijand werden heroverd. Hierop voerde hij het
leger voor Maastricht, dat hij na een langdurig beleg bij verdrag innam,
in weerwil dat het wakker werd verdedigd en dat wederom een paar legers
tot ontzet kwamen opdagen. De belegering van Roermond kwam Friesland
duur te staan. Ernst Kas[)i]mir, die de onderneming bestuurde, werd er
doodelijk getroffen, stierf binnen kort en kreeg zijn zoon ~Hendrik
Kas[)i]mir~ (1632-1640) tot opvolger. Het verdrag, met Maastricht
gesloten, bepaalde, dat de hervormde godsdienst er zou worden toegelaten
en dat de bisschop van Luik, op wiens grondgebied de stad lag, er zijn
oude voorrechten zou behouden.
Ook ter zee begon Nederland zijn strijdkrachten ten toon te spreiden. In
1630 vermeesterde de admiraal ~Loncq~ voor de West-Indische compagnie
Olinda en het Recif (d. i. een in zee opschietenden klipbrug). Het Recif
werd versterkt en bleef de hoofdplaats van Nederlands bezittingen in
Brazilië. In 1628 bemachtigde ~Piet Hein~, vlootvoogd van dezelfde
compagnie, in ~de baai van Matanzas~ (op de noordkust van het eiland
Cuba, in West-Indië) de Spaansche zilvervloot. Zij viel zoo goed als
zonder tegenweer in handen van de vloot der compagnie. Groot was de
buit, dien men vond aan goud, zilver, paarlen, edelgesteenten en
specerijen. Alleen de waarde der kostbaarheden werd op ruim 11-1/2
millioen geschat. De compagnie deed een uitdeeling van 50 ten honderd,
wat de deelhebbers zeer verheugde. Het was een gelukkige tijd voor de
West-Indische compagnie. In Brazilië breidde zij zich verder uit, zoodat
zij weldra de streek bezat, gelegen tusschen de rivier St. Francisco en
Rio Grande. Landvoogd van Nederlandsch Brazilië werd in 1636 graaf
~Johan Maurits~ van ~Nassau~, een kleinzoon van Willems broeder Jan.
Eerst zijn bestuur gaf er het voorkomen aan eener geregelde
volkplanting. Op uitbreiding van 't grondgebied had hij den blik
voortdurend gericht. In 1639 werd b. v. St. Eustatius door de
Nederlanders bezet. Maurits was het, die in 1637 St. George del Mina
(St. Joris van de mijn, in Guin[=e]a, op de w.kust van Afrika)
veroverde.
In 1640 hernam Portugal zijn zelfstandigheid (_Overzicht_, 9de druk,
blz. 141). Johan Maurits, den strijd voorziende, dien Nederlands
Brazilië weldra zou hebben te verduren, vroeg de compagnie om
aanmerkelijke versterking der strijdkrachten. Zij, meenende dat dit te
kostbaar was, riep in 1644 den landvoogd terug. Na zijn vertrek begon de
achteruitgang dezer bezitting. De Portugeezen, die dáár onder 't bewind
der compagnie waren, klaagden over onderdrukking en stonden op. Ofschoon
er vrede tusschen de compagnie en Portugal scheen te bestaan, hielp dit
rijk de oproerige onderdanen der compagnie en verloor zij hoe langer hoe
meer grond in Brazilië. In 1654 ging het Recif met de weinige forten,
die de maatschappij nog in dat land bezat, aan Portugal over. De oorlog,
dien de Staten-Generaal Portugal verklaarden, deed niets herwinnen. En
zoo werd het geschil in 1661 bij _den vrede te 's Gravenhage_, twee
jaren daarna bekrachtigd, indiervoege uit den weg geruimd, dat Nederland
tegen een afkoop van 4,000,000 _gouden crusado's_ (8,000,000 gl.) ten
behoeve van Portugal afstand deed van Brazilië.
Zooals het gezag van Frederik Hendrik in allen opzichte groot was in de
Republiek, zoo oefende hij ook een belangrijken invloed op haar
buitenlandsche betrekkingen uit. Het werd gedurende zijn stadhouderschap
de gewoonte, dat de stadhouder met een negental vertrouwelingen, leden
der Staten-Generaal, uit ieder gewest één of meer, den draad der
belangrijkste onderhandelingen in handen hield. Zelf was Frederik
Hendrik, evenals zijn vader, gehecht aan Frankrijk. Hier zocht dus hij
eveneens steun tegen Philips IV. Zoo werden er onderhandelingen met
Frankrijk aangeknoopt. Richelieu, de leider der Fransche staatkunde,
doorgrondde, welk gewicht Nederland in de schaal van Europa's
statenstelsel zou kunnen leggen. Hij leende dus het oor aan de
voorslagen, die het kabinet van 's Gravenhage deed, en sloot terzelfder
tijd, als Frankrijk een werkdadig aandeel begon te nemen aan den
dertigjarigen oorlog (_Overzicht_, 9de druk, blz. 132), met de
Nederlanden _het aanvallend en verdedigend verbond_ van den 8sten
Februari 1635. Dit bepaalde, dat de beide mogendheden zouden pogen, de
Zuidelijke provinciën aan Spanje te onttrekken en haar hare
zelfstandigheid terug te geven, of wel het land onder elkander te
verdeelen.
Op die wijze smolt het laatste gedeelte van den tachtigjarigen oorlog
ineen met den dertigjarigen. Al werd er, behalve dat Frederik Hendrik
Breda heroverde, te land weinig gedaan, ter zee behaalden de
Nederlanders in die dagen een zege, die onder de schitterende
krijgsbedrijven een eerste plaats bekleedt. Philips IV rustte in 1639
een arm[=a]da uit, niet geheel ongelijk aan die van 1588. Zij bestond
uit 67 schepen, waaronder 33 van de zwaarste soort, _galjoenen_ genoemd.
Aan het hoofd der vloot stond ~Don Antonio d'Oquendo~, een uitstekend
admiraal. Hem leverde, in weerwil van het verbod van Karel I, koning van
Engeland, ~Maarten Harpertszoon Tromp~ met een vloot van ruim honderd,
maar lichtere vaartuigen, den 21sten October, slag te ~Duins~ (een reede
nabij Noord-Voorland, in 't z.o. van Engeland). De vijand, die liever
den slag niet had geleverd, werd eenigszins onvoorbereid overvallen.
Bovendien was de logheid van de zware bodems der Spanjaarden, zoozeer
verschillende van de welbezeildheid der Nederlandsche schepen, een der
hoofdoorzaken van het verderf hunner vloot. Een groot aantal hunner
vaartuigen werd het offer der Nederlandsche branders, dertien waren uit
Duins ontsnapt, en maar achttien bodems keerden naar Spanje terug. In 't
kort, Tromp fnuikte voor goed Spanje's macht en verloor zelf slechts één
schip.
Was Frederik Hendrik de hoofdontwerper geweest van het verdrag met
Frankrijk, hij was ook de eerste of een der eersten hier te lande, die
het gevaar van Frankrijks nabuurschap hoe langer hoe meer begon in te
zien. Hij hield het gezegde voor waarheid, hetwelk weldra een der
hoofdroersels werd van de buitenlandsche staatkunde der Republiek, dat
het beter was, Frankrijk tot vriend dan tot nabuur te hebben. En
naarmate hij de onheilen, die hieruit dreigden voor te komen, beter
doorgrondde, werd hij des te meer afkeerig van dien staat en helde tot
het sluiten van vrede met Spanje over. Zijn gezag was nog steeds groot,
al had hij, hoe invloedrijk ook ter Staten-Generaal, dikwijls met verzet
van Holland en Amsterdam te strijden. Het rees nog in 1640, toen hij
stadhouder werd van Groningen en van Drente in plaats van Hendrik
Kasimir, die aan een wonde, in den oorlog bekomen, stierf en slechts in
Friesland door zijn broeder ~Willem Frederik~ (1640-1664) werd
vervangen. Deze Willem Frederik trouwde in 1652 met Albertine Agnes, de
tweede dochter van Frederik Hendrik. De eenige zoon, dien Hollands
stadhouder had, heette Willem. Hij huwde in 1641 met ~Maria~, de oudste
dochter van Karel I, koning van Engeland, of liever hij werd in dit jaar
met haar verloofd, want omdat de beide jonge lieden nog te weinig jaren
telden, werd het eigenlijke huwelijk eerst in 1644 voltrokken.
Aleer de vrede tot stand kwam, dien zoowel de meeste der oorlogvoerende
mogendheden als de stadhouder wenschten, stierf Frederik Hendrik den
14den Maart 1647 in den ouderdom van 63 jaren. In hem ontviel der
Republiek een man van groote gaven en bekwaamheden, die het gebouw van
den staat, door zijn voorgangers opgetrokken, had voleindigd. Als
staatsman was hij schrander, bedachtzaam en ondoorgrondelijk. In
krijgskunst en dapperheid behoefde hij niet onder te doen voor zijn
broeder Maurits en was een waardig tijdgenoot van Gustaaf Adolf. Over 't
geheel was het tijdperk van zijn stadhouderschap de gouden eeuw der
Republiek. Overal was veerkracht en bloei. De koophandel breidde zich
verder en verder uit; volkplantingen ontloken en bloeiden meer en meer;
de handwerken werden naarstig beoefend; de oorlog schonk lauweren;
kunsten en wetenschappen eindelijk gaven licht en sieraad aan het
geheel. Toch waren er ook donkere tinten in het tafereel op te merken.
In vergelijking met den tijd, toen Oldenbarnevelt aan 't hoofd stond,
werd de huishouding der Republiek minder goed bestuurd.
§ 22.
_De vrede van Munster.--Blik op den toestand des lands._
Reeds sedert 1641 en vroeger was er sprake van een vrede, die de rust
zou teruggeven aan het door den dertig- en den tachtigjarigen oorlog
zoozeer geschokte Europa. Het duurde tot April 1645, eer het congres
werd geopend. De gezanten van Zweden en van de protestantsche
rijksvorsten kwamen bijeen te _Osnabrück_, die der Roomsch-katholieke
staten te _Munster_. In den beginne waren de Staten-Generaal van zins,
in overeenstemming met het verbond van 1635, niet zonder Frankrijk vrede
te sluiten. Maar van 't oogenblik af, dat Mazarin (_Overzicht_, 9de
druk, blz. 144) den toeleg had geopenbaard, om Frankrijks heerschappij
in het Noorden tot de grenzen der Republiek uit te breiden, achtte men
zich dezerzijds gerechtigd, op zichzelf te handelen, te meer, vermits er
sedert jaren geen spoor meer was van samenwerking tusschen de beide
bondgenooten. In Nederland zelf waren Zeeland en Utrecht ertegen, dat
men, buiten Frankrijk, vrede sloot. Desniettemin werd _de Westphaalsche
vrede_ den 30sten Januari 1648 geteekend. De uitwisseling der
wederzijdsche bekrachtigingen of _ratificatiën_ had te Munster plaats op
den 15den Mei, hoewel Zeeland eerst den 30sten dier maand toetrad.
Bij dien vrede erkende de koning van Spanje in art. 1 de Vereenigde
Nederlanden als vrije en onafhankelijke landen. Art. 3 en 5 bepaalden,
dat de Staten-Generaal hun veroveringen in Brabant, Limburg en
Vlaanderen, alsmede in de vreemde werelddeelen behielden. Nog bevatte
art. 5 de voorwaarde, dat de Spanjaarden zich zouden beperken tot de
vaart op Oost-Indië, gelijk zij toen was, zonder zich verder te mogen
uitbreiden. Art. 14 schreef voor, dat de Schelde en de kanalen, welke
met die rivier in gemeenschap stonden, vanwege de Staten-Generaal zouden
worden gesloten gehouden.
De vrede van Munster was in allen opzichte een eervolle vrede voor de
Republiek. Met luister omstraald, trad zij in de rij van Europa's
mogendheden op. Aan grondgebied won zij Staats-Vlaanderen,
Staats-Brabant, waartoe ook de stad en omtrek van Maastricht behoorde,
en Staats-Limburg of de landen van Overmaas. Gelijk Drente, drong
Staats-Brabant er thans op aan, als achtste gewest tot de Generaliteit
te worden toegelaten. Het werd geweigerd. De Staten-Generaal voerden het
bewind over de pas verworven landen, _de Generaliteitslanden_ geheeten.
Zonderling was het gelegen met de regeering van Maastricht. Deze
regeering was tweeheerig, d. i. de Staten-Generaal, als verbeeldende den
hertog van Brabant, oefenden er gemeenschappelijk met den prins-bisschop
van Luik (zie blz. 11) het gezag.
Voor de Zuidelijke Nederlanden was geen artikel van den vrede nadeeliger
of meer vernederend dan het 14de. Volgens dit artikel mocht geen schip
de Schelde op- of afvaren, zonder dat er inkomende of uitgaande rechten
werden betaald en dat de lading der schepen, uit zee komende, in
Nederlandsche binnenschepen werd gebracht. Dit alles was een
bekrachtiging van een oud gebruik, dat Nederland sedert 1604 (zie blz.
76) ten opzichte van Engeland had doen gelden. Van nu af werd dus aan
alle zeeschepen de pas afgesneden om Antwerpen te naderen en tevens een
winstgevende vrachtvaart voor Noord-Nederlanders geopend. Bij Lillo lag,
ten minste in tijd van vrede, slechts één wachtschip van de
Nederlandsche vloot, _de uitlegger_ genoemd, om ervoor te waken, dat het
artikel werd nagekomen. Ten overvloede liet men schuiten met zware
steenen in de rivier zinken, ten einde ze voor diepgaande schepen
onbevaarbaar te maken.
Nog op andere wijze, dan door het oorlogszwaard, nam gedurende den
tachtigjarigen oorlog de omvang van 't grondgebied der Republiek toe.
Zoowel in Friesland, als inzonderheid in Holland kreeg men door
indijkingen veel land. Hier won men in de eerste jaren der 17de eeuw de
Beemster, de Purmer, de Wormer. Doch het Haarlemmermeer insgelijks droog
te maken ried Leeghwater vruchteloos in een geschrift, getiteld het
"Haarlemmermeerboek."
Zoo trad dan ons vaderland, krachtig naar buiten en van binnen, onder de
mogendheden van Europa op. Geschiedde dit eerst in 1648, reeds veel
vroeger had het met het buitenland betrekkingen aangeknoopt, deels van
staatkundigen aard, deels ter wille van den handel. Aan het doorzicht en
aan de wakkerheid van den onsterfelijken landsadvocaat hadden de
Vereenigde Nederlanden het te danken, dat zij alom in Europa met eere en
achting werden bejegend.