Bedenkende, welk gevaar zij hadden geloopen, keerden de Nederlandsche

troepen binnen kort naar het vaderland terug. Dit geschiedde evenwel

niet, dan nadat er, ter zake van dit punt, een woordenwisseling had

plaats gegrepen tusschen Maurits en eenige leden der Staten-Generaal,

inzonderheid Oldenbarnevelt. Van dit oogenblik af bestond er een niet

zeer goede verstandhouding tusschen de beide hoofdpersonen van den

staat. In 1601 sloeg de vijand het beleg voor Ostende. De leiding der

zaak nam weldra ~Ambrosius Spin[)o]la~ op zich, de man, die, met het

opperbevel over de troepen van den aartshertog bekleed, bestemd was zich

als een waardig tegenstander van Maurits te doen kennen. Na drie jaren

met volharding tegenstand te hebben geboden, gaven de Staten-Generaal in

1604 de vesting over, die niets meer was dan een steenhoop. Sedert 1607

werd de oorlog te land voorloopig gestaakt. Doch terzelfder tijd

begonnen de Nederlanders hun eerste lauweren te verwerven op het

element, waarover zij eens, als de eerste der mogendheden, de

heerschappij zouden voeren. In 1606 greep de roemrijke daad plaats van

den vice-admiraal ~Reinier Klaassens~, die in de nabijheid van kaap ~St.

Vincent~ (in 't z.w. van Portugal) met zijn schip in de lucht vloog, een

eervollen dood boven een vernederende overgave kiezende. In 't volgende

jaar behaalde ~Jakob van Heemskerk~ in ~de baai van Gibraltar~ een

aanmerkelijke zege op de Spaansche vloot, waarbij hij wel zelf omkwam,

doch zóó, dat de vijand zijn dood met een zwaar verlies moest boeten.

§ 18.

_Het twaalfjarig bestand.--De oprichting der Oost-Indische compagnie._

In 1603 overleed koningin Elizabeth. Haar opvolger, Jakob I, sloot een

jaar later vrede met Spanje. Uit spijt hierover versperden de

Staten-Generaal de Schelde voor de Engelsche schepen. Zóó bleven zij,

als oorlogvoerende mogendheid, alleen staan tegenover Spanje en de

Zuidelijke Nederlanden. De oorlog te land leverde in de eerste jaren der

nieuwe eeuw geen bijzonder gunstige uitkomsten op. De ingezetenen

zuchtten onder zulke zware belastingen, dat zij voor geen verhooging

vatbaar waren. Wel was het nog waar, dat de oorlog den handel voedde;

maar toch kostte die oorlog aanzienlijke sommen. In zes gewesten werd de

behoefte aan vrede vrij algemeen erkend. Slechts eenige steden in

Holland en de provincie Zeeland waren ertegen. De reden was niet ver te

zoeken. Philips II had, ofschoon wel eens beslag leggende op de

Nederlandsche schepen, die in de havens van Spanje en Portugal lagen, de

vaart op zijn rijk over 't geheel oogluikend toegelaten, omdat hij de

waren, welke die vaartuigen hem aanbrachten, niet konde ontberen. Anders

deed Philips III. Nauwelijks den troon hebbende beklommen, verbood hij

voor goed allen handel van Nederland op zijn staten. Dit versterkte de

Nederlanders in hun plan om zelven naar de Indiën te varen, met welke

tochten zij vóór 1598 niet meer dan een begin hadden gemaakt, gelijk

beneden nader zal blijken. Deze tochten, zoo rijke winsten opleverende,

vreesden die kooplieden thans, bij een vrede of bestand, te moeten

staken.

Met klimmende bezorgdheid den achteruitgang der geldmiddelen

gadeslaande, achtte Oldenbarnevelt het in 't belang van 't land, dat de

oorlog ophield, die zooveel kostte. Ook Maurits was in den beginne niet

tegen het ten einde brengen van den oorlog. Doch toen er weldra niet

langer van een duurzamen vrede, maar van een bestand sprake was, kantte

hij zich met kracht tegen dit voornemen aan. Inmiddels viel ook den

aartshertogen de krijg zeer zwaar. Albert wenschte den vrede. Zijn

huwelijk bleef kinderloos, en bij zijn dood moesten de landen weder aan

de Spaansche kroon vervallen. Eveneens kon Spanje geen andere gezindheid

hebben. De schatkist van dit rijk was ledig ten gevolge van de zware

offers, welke Spin[)o]la's krijgstochten hadden vereischt. Hierdoor

wordt het verklaarbaar, hoe de aartshertogen er in 1607 toe konden

overgaan, onderhandelingen aan te knoopen met de Republiek, als met een

"onafhankelijke mogendheid." Maar weldra bleek het, dat er aan geen

vrede viel te denken. De vijand eischte afstand van de vaart op Indië en

vrijheid van godsdienst voor de Roomsch-katholieken. Deze beide

vorderingen achtte men dezerzijds ongehoord.

Bij zoo tegenstrijdige inzichten besloot men zich te vergenoegen met het

trachten naar een wapenschorsing voor een aantal jaren. Nog was er een

derde mogendheid, die, uit hoofde van de betrekking, waarin zij steeds

tot de oorlogvoerende staten had gestaan, meende een woord mede te

moeten spreken. Het was Frankrijk. Daarom zond ook Hendrik IV een aantal

gezanten, ten einde de onderhandelingen bij te wonen, waarbij ook

Engelsche en Duitsche afgevaardigden tegenwoordig waren. In April 1609

werd _de wapenstilstand te Antwerpen_ gesloten. De hoofdbepalingen

waren: de aartshertogen verklaren, ook uit naam van den koning van

Spanje, de Vereenigde Gewesten voor onafhankelijke landen te houden; het

bestand zal twaalf jaren duren; ieder zal behouden, wat hij heeft. Dit

punt werd evenwel niet nader omschreven.

Deze laatste bepaling was van des te meer gewicht, vermits de

Nederlanders zich sinds eenige jaren in de Oost-Indiën hadden gevestigd

en er belangrijke vorderingen maakten. Zoolang Lissabon de Oost-Indische

waren voor Neêrlands kooplieden veil had, was hier te lande geen

behoefte gevoeld aan een rechtstreeksche vaart op de Indiën. Maar sedert

Philips van tijd tot tijd beslag legde op de ladingen, gingen Nederlands

handelaars op middelen peinzen, om zelven de waren uit andere

werelddeelen te halen. De vaart naar Indië toch, hoe bezwaarlijk in 't

oog der menschen, was geen geheim. Zij was in vele geschriften van

Portugeezen beschreven, en er waren Nederlanders, die op Portugeesche

schepen de reis naar Indië mede hadden gedaan.

Ten einde evenwel de dreigende gevaren van kapers, Spaansche vloot en

Kaapsche stormen te ontgaan, namen de Hollanders zich voor, op 't

voorbeeld der Engelschen, een eigen weg te zoeken, niet zuidwaarts, maar

door het Noorden. In 1594 werden te dien einde eenige schepen

uitgezonden, in 1595 een tweede tocht gewaagd. De uitslag was niet

gunstig. Sneeuw en ijs versperden den weg om het Noorden. Nogmaals

wendde de Amsterdamsche regeering een poging aan. Zij rustte in 1596 een

paar schepen uit, waarover de stuurman ~Willem Barentsz~. en ~Heemskerk~

(zie blz. 75) het bevel voerden. Maar ook nu was de inspanning

vruchteloos. Na den winter op Nova Zembla te hebben doorgebracht,

aanvaardde de volhardende bemanning den terugtocht, doch verloor onder

weg den wakkeren Barentsz., die van vermoeienis bezweek.

Inmiddels had men de fortuin zuidwaarts beproefd. Eenige kooplieden te

Amsterdam hadden een _maatschappij van verre_ (landen) opgericht en

zonden iemand, waarschijnlijk ~Cornelis Houtman~, naar Lissabon, om er

de bijzonderheden der vaart naar Oost-Indië uit te vorschen. Verder

rustte de vereeniging vier schepen uit, om den tocht langs de Kaap de

goede hoop te doen. Den 2den April 1595 lichtten Pieter Dirksz. Keyser,

de opperstuurman, en Cornelis Houtman, de opperkommies, d. i. de

vertegenwoordiger der handelsbelangen, te Texel het anker en landden in

Juni 1596 te Bantam (in 't n.w. van Java). Nu werden er talrijke

maatschappijen van verre opgericht, zoowel in verschillende steden van

Holland, als in Zeeland. In 1598 zeilde ~Olivier van Noort~ uit, de

eerste Nederlander, die den aardbol omstevende. Zoo werd er vloot op

vloot uitgerust, en niets kon de zucht naar winst doen afnemen, noch de

verliezen, die men nu en dan leed, noch de tegenwerking der inlandsche

vorsten, opgezet door de Portugeezen. Maar nog een grooter kwaad scheen

de pas ontkiemde plant in hare ontwikkeling te zullen verstikken. Het

was de wedstrijd tusschen de onderscheiden maatschappijen, die, de een

de ander, de loef trachtten af te steken en elkander tegenwerkten. Dat

er een samensmelting der maatschappijen noodig was, zagen vooral de

Staten-Generaal en Oldenbarnevelt in.

Eindelijk gelukte het den advocaat, de zaak in 1602 tot een voldoend

einde te brengen. Dus kwam _de Vereenigde Oost-Indische compagnie_ tot

stand, waaraan de Staten-Generaal het recht van alleenhandel

(_monopolie_) voor een-en-twintig jaren verleenden. Later werd de

vergunning bij herhaling vernieuwd. De maatschappij begon te handelen

met een kapitaal van ongeveer 6-1/2 millioen en had zes afdeelingen of

_kamers_, hebbende Amsterdam 1/2, Zeeland (gevestigd te Middelburg) 1/4,

Delft, Rotterdam, Enkhuizen en Hoorne elk 1/16 van den inleg. Ruime

uitdeelingen beloonden weldra het vertrouwen der inleggers. De

deelgenooten behoefden natuurlijk niet juist in een der zes steden, die

zetels van de kamers waren, te wonen. Aan alle inwoners der Vereenigde

Nederlanden werd vergund, binnen vijf maanden na de oprichting te

verklaren, of zij wenschten deel te nemen. De zes kamers, waarin de

compagnie was gesplitst, werden bestuurd door 73 _bewindhebbers_, wier

getal, bij versterf, niet lager zou dalen dan tot 60. De hoofdleiding en

het dagelijksch bestuur der zaken kwamen aan _de vergadering van

zeventienen_, uit de bewindhebbers gekozen.

De Oost-Indische compagnie werd een staat in een staat. Zij oefende in

de Indiën een volstrekt gezag. Zij benoemde haar ambtenaren, verklaarde

en voerde oorlog en sloot verbonden, op naam der Staten-Generaal. Zij

bouwde sterkten en nam krijgsvolk in dienst, dat evenwel den eed van

trouw aan de Staten-Generaal moest afleggen. Welhaast werd zij een bron

van rijkdom niet alleen voor hen, die naar Indië gingen, maar ook voor

die Nederlanders, welke zich niet verplaatsten.

Kort na de oprichting der compagnie legden onze voorouders den grondslag

tot de uitgestrekte heerschappij, die hun weldra in Azië ten deel viel.

In 1605 gaven de Portugeezen hun bij verdrag het kasteel op _Amboina_

over, waarop de vorsten van dat eiland zich deels aan de compagnie

onderwierpen, deels bondgenooten werden. Terzelfder tijd poogde de

compagnie zich op _Ternate_, _Tidor_ en de overige Molukken te vestigen.

In 1610 stelde zij als eersten _gouverneur-generaal_ ~Pieter Both~ aan,

die zijn verblijf doorgaans op Ternate had. De gouverneur-generaal was

het hoofd van 't bewind over Nederlandsch Indië, opperbevelhebber van de

legers en van de vloot der compagnie. Hem stond _de raad van Indië_ ter

zijde. Een der opvolgers van Both was ~Jan Pietersz. Coen~, die in 1619

de stad ~Jak[)a]tra~ op de inboorlingen en op de Engelschen veroverde en

de factorij van dien naam onder den naam _Batavia_ tot hoofdplaats van

Nederlandsch Indië verhief. In 1624 verwierf de compagnie het eiland

_Form[=o]sa_ (ten n.o. van Kanton, in Sina), waar het fort Zelandia werd

gebouwd. Inmiddels ontdekte men in 1623 op Amboina een samenzwering van

Engelsche kooplieden, die ten doel hadden, de Nederlandsche ambtenaren

te vermoorden en zich van 't kasteel van dit eiland meester te maken.

Zij werden gegrepen en tien van hen ter dood gebracht. Zoodra dit in

Groot-Britannië bekend werd, ontstaken de Engelschen in grooten toorn en

haalden deze zaak later nog menigmaal op als een zware verongelijking,

hun aangedaan. Zooals men ziet, was het twaalfjarig bestand geen

beletsel voor de uitbreiding van Nederlands macht in de Indiën, waar de

vijandelijkheden werden voortgezet.

§ 19.

_De oneenigheden, die de Republiek ten tijde van het bestand schokten._

In plaats dat Nederland nieuwe krachten opdeed gedurende den rusttijd,

werd bewaarheid, wat Maurits had gevreesd: bij rust naar buiten

ontstonden binnenlandsche twisten. Hevige kerkgeschillen barstten

in de nauwelijks gevestigde Republiek los en werden gaandeweg

staatsgeschillen. Reeds vóór het bestand waren de zaden dier

verdeeldheid gestrooid. In 1603 werd ~Jakob Arminius~, predikant

te Amsterdam, tot hoogleeraar in de godgeleerdheid aan de hoogeschool

te Leiden benoemd. Het duurde niet lang, of het openbaarde zich, dat

hij in een belangrijk punt, n.l. omtrent _de praedestinatie_ of

voorbeschikking, van de leer afweek, die als de heerschende leer der

kerk werd aangemerkt. Volgens dit leerstuk, in den strengsten zin

opgevat, hangt de zaligheid hier namaals uitsluitend af van Gods vrije

verkiezing in verband met 's menschen geloof, _niet_ met zijn werken.

Arminius daarentegen was een van de weinigen, die, aan 's menschen

vrijen wil niet allen invloed op zijn doen en laten kunnende ontzeggen,

het leerstuk der voorbeschikking niet onvoorwaardelijk aannam. Tegen hem

stond een andere Leidsche hoogleeraar in de godgeleerdheid, ~Franciscus

Gom[=a]rus~, over. Inmiddels stierf Arminius in 1609.

Een tweede punt van verschil kwam weldra bij het leerstellige. De

aanhangers van Gomarus waren verklaarde tegenstanders van alle bemoeiing

der regeering met aangelegenheden van den kerk: de Arminianen waren van

een tegenovergestelde zienswijze. Dit toonden zij metterdaad in 1610

door het indienen van een _remonstrantie_ of vertoog bij de staten van

Holland, naar welk stuk zij den naam _Remonstranten_ verkregen. Hierin

verzochten zij om de bescherming der staten en erkenden het gezag dier

staten over de kerk. Naar het tegenvertoog, door de bestrijders der

Arminianen gehouden, werden zij _Contra-Remonstranten_ genoemd.

Sedert 1616 was Willem Lodewijk de man, die Maurits voortdurend ried,

met kracht tegen de Remonstrantsche partij op te treden. Van een anderen

kant werd Maurits gesteund door Jakob I, koning van Engeland, die er

zich veel op liet voorstaan, een groot godgeleerde te zijn en zich

geroepen achtte, de beschermer der hervormde leer in Europa te wezen.

Waar hij kon, werkte de koning de tegenpartij van Oldenbarnevelt in de

hand en trachtte den advocaat ten val te brengen. In 't oog van Jakob

was het begunstigen der Arminianen en het weerstreven der synode (zie

blz. 83) een zware misdaad. Ook kon hij het den ervaren staatsman niet

vergeven, dat hij in 1615, gebruik makende van een der vele

oogenblikken, dat hij groote geldsommen behoefde, hem ertoe had

gebracht, tegen betaling van 3,000,000 gl., d. i. van niet meer dan ruim

1/3 van de toen nog verschuldigde som, de pandsteden (zie blz. 64) aan

de Republiek terug te geven.

Intusschen scheidden de Contra-Remonstranten zich meer en meer af en

hielden ter oefening van hun godsdienst afzonderlijke vergaderingen.

Hier werd door de ééne, daar door de andere partij onderdrukking en

geweld tegen de zwakkeren gepleegd. Vanhier onlusten in verschillende

plaatsen gedurende het jaar 1617. Bij al die tooneelen van wanorde bleek

het vaak, dat de magistraat of overheid luttel kon rekenen op de

troepen, die de bezettingen der steden uitmaakten. De oorzaak hiervan

lag voor een goed deel in de houding, die Maurits sinds eenigen tijd had

aangenomen. Tot het jaar 1617 onthield hij zich van 't geven van

openbare blijken van instemming met één der beide partijen. Maar van het

tijdstip af, dat hij op een Zondag van het genoemde jaar in 't openbaar

met een groot gevolg naar de den Contra-Remonstranten afgestane

kloosterkerk ging, wierp hij zijn zwaard in de weegschaal. Behalve

Willem Lodewijk en Jakob I, was het hoofdzakelijk ~François van

Aerssen~, heer van Sommelsdijk (op Overflakkee), een man van groote

schranderheid, list en stoutheid, die den stadhouder tegen

Oldenbarnevelt in 't harnas joeg. Aerssen was verbitterd op zijn

voormaligen beschermer Oldenbarnevelt, omdat hij het hem weet, dat

Lodewijk XIII, koning van Frankrijk, in 1613 had verzocht, dat de

Staten-Generaal, in zijn plaats, een anderen gezant aan het Fransche hof

mochten benoemen, aan welk verzoek men had voldaan. Met eenige andere

mannen werd hij een van het zeven- of achttal, dat den advocaat ten val

bracht.

Het was geen bijzonder moeielijke onderneming, den wrok van den

stadhouder tegen Oldenbarnevelt te prikkelen. De klove, die alreede

tusschen de beide hoofden van de Republiek bestond, behoefde nog maar

een weinig wijder te worden gemaakt. Hadden de vroegere geschillen

tusschen de beide leiders van den staat louter over _zaken_ geloopen

(zie blz. 75, 76, 77), aangelegenheden van _persoonlijken_ aard waren er

sedert bijgekomen. Bij herhaling was de vraag gerezen, of het, ten einde

meer eenheid in 't bewind te krijgen, niet wenschelijk was, aan Maurits

het hoogste gezag toe te vertrouwen. Hoewel Oldenbarnevelt geheel

doordrongen was van 't besef der behoefte aan eenheid in het bestuur,

was hij er sinds het bestand tegen, dat Maurits' macht werd uitgebreid.

Maar al te wel slaagden zij, die het in 't belang van 't land en van

henzelven achtten, den stadhouder hoe langer hoe meer tegen

Oldenbarnevelt en zijn aanhangers in te nemen. Hij, de advocaat, en die

het met hem eens waren werden met de Remonstranten als vereenzelvigd.

Zóó kwam de tegenpartij op het denkbeeld, de Remonstranten uit de kerk

te stooten en op die wijze den grijzen staatsman tevens in 't verderf te

storten. Dit doel kon worden bereikt, indien men, volgens den raad van

Jakob, één _nationale synode_ voor alle gewesten bijeenriep. De meeste

provinciën waren de zaak der Contra-Remonstranten uitsluitend toegedaan.

Slechts Holland en Utrecht waren grootendeels voor die der

Remonstranten. Dat de partij der Remonstranten nu tegen een nationale

synode moest zijn, is duidelijk. Zij van haren kant verlangde, dat er in

Holland, en waar men het verder noodig rekende, een provinciale synode

bijeenkwam.

Uit al de bewegingen van 't jaar 1617 en vroeger sprak klaarblijkelijk

verzet tegen de wettige overheid. Het was daarom, dat de staten van

Holland den 4den Augustus 1617 een besluit uitvaardigden, door de

tegenstanders _de scherpe resolutie_ genoemd. In dat besluit, door de

edelen en de groote meerderheid der steden genomen, werden o. a. de

steden gemachtigd, zoo het werd vereischt, op eigen gezag krijgsvolk in

dienst te nemen. Op dit besluit werd menige aanmerking gemaakt, maar

geen enkele, die gegrond mocht heeten. De punten, waaruit het bestond,

behoorden tot diegene, waarover de staten, krachtens hun souvereine

macht, een beslissing konden nemen. Dergelijke soldaten, als de

resolutie bedoelde, hadden de gewesten en de steden van oudsher in

dienst genomen. Men noemde ze _waardgelders_, d. i. lieden, gehuurd,

om _waarde_ of wacht te houden, aldus zooveel als bezoldigde

rustbewaarders. Vele steden van Holland brachten nu waardgelders op de

been. Twee of drie honderd was het gewone getal voor één stad. In 't

geheel had Holland er niet meer dan 1800. De staten van Utrecht namen er

eveneens ruim zeshonderd aan. Het spreekt vanzelf, dat de vroedschappen,

die waardgelders aannamen, dit deden, om, des gevorderd, zichzelven

tegen woelingen van onruststokers te kunnen verdedigen en alle

dadelijkheden tegen te gaan. Dat zij met die 1800 onervaren manschappen,

in verschillende plaatsen verstrooid, een vijandelijken aanval in den

zin hadden op de 30,000 welgeoefende krijgsknechten, welke de Republiek

in dienst had, is een beschuldiging, die zichzelve weerlegt. De

aanvallende partij was, zooals men weldra zal zien, niet die van

Oldenbarnevelt.

Tegen het einde van Juni 1618 naderde de ontknooping. Toen hakte

plotseling de partij, die in de Staten-Generaal de zege wilde behalen,

d. i. het boven (zie blz. 82) bedoelde achttal, den knoop met geweld

door. Vooreerst besloten de Staten-Generaal, dat er een bezending uit

hun midden zou gaan naar Utrecht, om de staten dezer provincie te

bewegen tot afdanking der waardgelders; dan, dat er een nationale synode

zou worden uitgeschreven. In plaats van aan de staten van ieder gewest

de zorg te laten voor datgene, waarin zij alleen hadden te beslissen,

trachtte men hun alzoo de zienswijze der staten van sommige andere

provinciën op te dringen en hen te nopen, even zoo gezind te zijn,

als die staten. Ten andere waren het besluiten van slechts een

deel der Generaliteit. Den 25sten Juli 1618 kwam de deputatie der

Staten-Generaal, met Maurits aan 't hoofd, te Utrecht aan. Op den 31sten

dier maand, vroeg in den morgen, dankte Maurits na de toegangen tot de

voornaamste plaatsen van de stad te hebben bezet, op het plein, geheeten

de Neude, de waardgelders af. Vervolgens veranderde hij de vroedschap

der stad Utrecht. Hierdoor zag de secretaris (zie blz. 68) der staten,

~Gillis van Ledenberg~, de ziel der staten en in gevoelens geheel

overeenstemmende met Oldenbarnevelt, zich genoopt, zijn ontslag te

nemen.

Na de terugkomst van prins Maurits en van de gedeputeerden uit de

Generaliteit tastte men ter Staten-Generaal ook ten aanzien van Holland

door. Den 21sten Augustus stelden die Staten-Generaal een plakkaat vast,

dat de zes provinciën en zes steden uit Holland goedkeurden en dat den

waardgelders gelastte, binnen tweemaal vier-en-twintig uur de wapens

neer te leggen. Het geschiedde. Vervolgens werden den 28sten en den

29sten Augustus ter Staten-Generaal door een achttal leden een paar

geheime besluiten genomen, waarin werd goedgevonden, dat men

Oldenbarnevelt, Hugo de Groot en ~Rombout Hogerbeets~, pensionaris van

Leiden, in hechtenis zou nemen. Toen op denzelfden 29sten Augustus de

advocaat van den lande op het punt stond, de vergadering der staten van

Holland binnen te treden, kwam een kamerdienaar hem verwittigen, dat de

stadhouder hem wenschte te spreken. In plaats van den stadhouder zag hij

weldra den luitenant van Maurits' lijfwacht, die hem, in naam der

Staten-Generaal, gevangen nam. Met hem werden de Groot, Hogerbeets en

Ledenberg gekerkerd. In het begin van September reisde de prins,

vergezeld van een aantal edelen en omstuwd door zijn lijfwacht, bij de

steden van Holland rond en koos er overal, waar het hem behaagde, andere

leden in de vroedschap. Dat de wettige tijd hiervoor niet was

aangebroken en hem geen voordrachten (zie blz. 70) in behoorlijken vorm

waren gedaan, was iets, waarom hij zich evenmin bekreunde, als dat hij

te Utrecht zijn bevoegdheid als stadhouder had overschreden. Op deze

wijze was alsnu de partij, die bovendreef, tegen alle verzet gedekt.

Weldra werd er een commissie uit de Staten-Generaal benoemd, ten

overstaan waarvan de gevangenen werden verhoord, met uitzondering van

Ledenberg, die zichzelf in de gevangenis had gedood. Tot dit uiterste

was hij overgegaan in de hoop, dat men zijn bezittingen dan niet zoude

verbeurd verklaren, hetgeen evenwel geschiedde. Op het voorloopig

onderzoek volgde de benoeming van vier-en-twintig buitengewone rechters,

twaalf uit Holland en twaalf uit de overige gewesten. Onder de

vier-en-twintig was meer dan één bijzonder vijand van Oldenbarnevelt en

menig tegenstander van zijn staatkundige denk- en handelwijze. De

Staten-Generaal waarborgden de rechters tegen alle onaangenaamheden, die

hun wegens de vervulling der taak, hun opgedragen, konden worden

aangedaan. De maatstaf, waaraan alle woorden en daden der beschuldigden

werden getoetst, was de zienswijze der tegenpartij. Een behoorlijke

gelegenheid om zich te verdedigen werd den gevangenen niet gegund. Dat

zij dienaren waren der staten van hun gewest en alzoo niet

verantwoordelijk voor de besluiten van dit lichaam, kwam geenszins in

aanmerking. Ten opzichte van Hogerbeets zagen de rechters nog bovendien

dit over het hoofd, dat hij eerst sinds October 1617, als pensionaris,

in dienst was van de vroedschap van Leiden en alzoo niet had medegewerkt

tot het meerendeel der besluiten, om welke hij werd veroordeeld. Het

vonnis luidde, dat Oldenbarnevelt zou worden onthoofd, de Groot en

Hogerbeets levenslang gevangen gezet. Tevens werden hun goederen

verbeurd verklaard.

Beknopte geschiedenis van het vaderland · 第 7 / 24 段