Gedurende de beide laatste jaren van 's prinsen leven had Holland

voortdurend onderhandeld, om Willem als grondwettig vorst aan te nemen

onder den naam "graaf van Holland en Zeeland." Slechts het toeven van

Gouda en Zeeland had de zaak vertraagd. Thans was het te laat. Friesland

benoemde ~Willem Lodewijk~, den oudsten zoon van Jan van Nassau (zie bl.

61), tot stadhouder. De Algemeene Staten richtten een nieuwen raad van

state op, aan 't hoofd van welk lichaam 's prinsen zoon ~Maurits~ werd

gesteld. Dezelfde staten droegen de oppermacht over deze landen aan

Hendrik III (zie blz. 62) op. Toen deze vorst weigerde, deed men

hetzelfde aanbod aan Elizabeth, koningin van Engeland. Zij nam het

evenmin aan, doch zond hulp tegen zekere onderpanden, n.l. het bezetten

van Brielle, Vlissingen en het kasteel Rammekens (ten o. van

Vlissingen). In December 1585 verscheen aan 't hoofd harer troepen

~Robert Dudley, graaf van Leicester~ (in 't midden van Engeland).

Aanstonds bekleedden de Staten-Generaal Leicester met de algemeene

landvoogdij. Ongeveer terzelfder tijd benoemden de staten ~MAURITS~

(1585-1625) tot stadhouder van Holland en Zeeland, terwijl ~JOHAN VAN

OLDENBARNEVELT~ in Holland _advocaat van den lande_ (zie blz. 31) werd.

Nog ternauwernood had Leicester het bewind aanvaard, of er bestond

alreede een klove, die slechts behoefde te worden verwijd. Hiervoor

zorgde hijzelf. De eerste twistvraag, die tusschen hem en de staten van

Holland en Zeeland opkwam, betrof den handel van Spanje en met de

Spaansche Nederlanden. Leicester en Elizabeth wilden een volstrekt

verbod van uitvoer naar 's vijands land. In weerwil van de vertoogen,

door Holland hiertegen ingediend, werd zoodanig verbod afgekondigd. Bij

dit punt van verschil kwamen andere. In December 1586 vertrok de

Engelschman voor een wijl naar zijn vaderland en vertoefde er ruim een

half jaar. Zijn verblijf in deze streken had meer kwaad dan goed gedaan.

De predikanten en de mindere volksklasse, die zeer aan den rechtzinnigen

landvoogd waren gehecht, stonden tegenover hen, die de partij der Staten

van Holland omhelsden. Grooter verdeeldheid en meer verwarring in 't

bestuur: dit waren de vruchten van Leicesters tegenwoordigheid hier te

lande. De Staten-Generaal, waarin Vlaanderen nu geen zitting meer had en

Holland het meest gold, haastten zich van Leicesters afwezigheid gebruik

te maken. Het plakkaat nopens den handel werd zoo gewijzigd, dat het al

zijn kracht verloor. Van hun kant kwamen de staten van Holland thans tot

het volle besef van de noodzakelijkheid, om de souvereiniteit, die zij

zich immers, ook toen Leicester de landvoogdij werd opgedragen, hadden

voorbehouden, metterdaad te aanvaarden. De leer van de souvereiniteit

der staten is gedurende den tijd van 't bestaan der Republiek het

heerschend denkbeeld gebleven.

Intusschen keerde Leicester in 't midden van 1587 naar de Nederlanden

terug, vast besloten om, des noods met geweld, een omwenteling teweeg te

brengen, die hem in 't genot van de volheid der macht zou stellen. Maar

een poging, die hij deed om Maurits en Oldenbarnevelt, de ziel van de

tegenstand, op te lichten mislukte. Evenmin slaagde een aanslag op

Amsterdam, onder den schijn van een bezoek gedaan. Op Medemblik en Hoorn

na, verklaarde zich Noord-Holland tegen hem. In 't kort, alom bespeurde

hij, dat zijn rijk ten einde was. Weldra vertrok hij, door Elizabeth van

zijn ambt ontslagen, naar Engeland. Elizabeths hulptroepen bleven in

Nederland; doch Leicesters opvolger als veldheer werd door de

Staten-Generaal met geen landvoogdij of andere waardigheden bekleed.

§ 15.

_De regeeringsvorm der Republiek van de Zeven Vereenigde Gewesten._

Het spreekt vanzelf, dat eerst de onlusten, vervolgens de unie van

Utrecht en de afzwering van Philips een groote verandering in den

regeeringsvorm der Nederlanden teweeg brachten. Vóór dien tijd toch was

de hertog, graaf of heer souverein, daar hij alle gezag, dat van

rechtswege den koning der Franken, later den keizer toekwam, allengs aan

zich had getrokken. Aan geregelde staatsrechtelijke beperking van de

heerschappij dier vorsten door 't volk of door eenig deel daarvan werd

niet of slechts bij wijze van uitzondering gedacht. Sedert evenwel de

staten meer en meer door de vorsten werden geraadpleegd, begonnen zij de

medewerking tot de regeering als een recht te eischen. Van 1572 af

begint de medewerking der staten tot de regeering in Holland, in 1576

die van de Algemeene Staten. En van lieverlede breidde zich hun invloed

op het bewind uit, totdat de staten der verschillende gewesten, na het

vertrek van Leicester, in 1588, in plaats van wederom een hoofd aan te

stellen, zelven de hooge overheid in handen namen.

Daarom is het jaar 1588 het tijdstip van de vestiging van de Republiek

der Vereenigde Nederlanden. Gedurende het bestaan dier Republiek berust

de souvereiniteit bij elk gewest in 't bijzonder, d. i. bij 't lichaam

van de edelen en _de vroedschappen_ (burgemeesters en raden) der steden,

die de afgevaardigden ter statenvergadering benoemen. In ieder der

zeven gewesten was de vergadering der staten op een bijzondere wijze

ingericht. _Gelderland_ bestond uit drie kwartieren: dat van Nijmegen,

dat van Zutfen en dat van Arnhem of van de Veluwe. In plaats van de

bannerheeren (zie blz. 37), die uit hoofde van hun gehechtheid aan de

Spaansche regeering niet meer als afzonderlijk lid werden gedoogd, namen

nu de edelen of ridderschap als eerste lid zitting. Het tweede lid der

staten waren de steden. Ieder kwartier had één stem.

De statenvergadering van _Holland_ bestond uit negentien stemmen,

waarvan de edelen één en de steden de overige hadden. De steden waren

ten getale van achttien, verdeeld in zes groote en twaalf kleine steden.

Elke stad had haren _pensionaris_, die de afgevaardigden vergezelde en

voor hen het woord voerde. De advocaat van den lande, kort na

Oldenbarnevelts dood raadpensionaris, bracht de stukken ter tafel en

liet erover stemmen. Al wat tot het gebied der rechtszaken behoorde was

de taak van _'t hof van Holland_. Boven dat hof stond _de hooge raad_,

opgericht in 1582, aan welks rechtsgebied ook Zeeland was onderworpen.

Een zeer gewichtig ambt was dat van _den advocaat van den lande_, of,

sedert 1630, _raadpensionaris_. Hij was de ziel van der staten

raadplegingen, de hoofdleider van alle gewichtige bedrijven. Hij was

belast met het houden van briefwisseling met de gezanten der Republiek

aan vreemde hoven en had alzoo veel invloed op den gang der

buitenlandsche aangelegenheden.

In _Zeeland_ zonden alleen _de eerste edele_, die de eenige

vertegenwoordiger was van den adel in die provincie, en zes steden

afgevaardigden naar de staten. Er waren dus zeven stemmen. Ten gevolge

van den opstand tegen Spanje was het eerste der drie leden, de abt van

Middelburg, van zijn recht van zitting in de vergadering der staten

verstoken geworden. Alzoo werd nu de eerste edele het voornaamste lid.

De waardigheid van eersten edele droegen de staten achtereenvolgens aan

alle prinsen van Oranje op, n.l. aan Maurits, Frederik Hendrik, Willem

II, Willem III, Willem IV, Willem V. De staten van _Utrecht_ waren uit

drie leden samengesteld: _de geëligeerden_, de edelen en de stad

Utrecht, benevens een paar kleinere steden. Er waren dus drie stemmen.

Het eerste lid was dat der geëligeerden. Vroeger waren dit Roomsche

geestelijken (zie blz. 40). Na de omwenteling der 16de eeuw waren het

edelen en burgers van den hervormden godsdienst. Ongeveer dezelfde

bemoeiingen als de raadpensionaris in Holland had hier _de secretaris

van staat_.

_Friesland_ was in vier kwartieren verdeeld, Oostergo, Westergo,

Zevenwolde en de steden, ten getale van elf. Elk kwartier had op _den

landdag_ één stem. De statenvergadering of _landdag van Overijsel_ telde

twee leden, de edelen uit de drie kwartieren Salland, Twente en

Vollenhoven, en de hoofdsteden Deventer, Kampen en Zwol. De wijze van

stemmen was zeer eigenaardig, daar de ridderschap niet één college

uitmaakte, maar hoofd voor hoofd stemde, terwijl elke stad één stem had.

_Groningen_ bestond uit twee leden, de stad en de Ommelanden,

gezamenlijk "stad en lande" genoemd. Zij deelden het oppergezag zoo met

elkander, dat de burgemeesters en de raadsheeren, welke de stad zond, de

eene stem hadden, en de drie kwartieren, waaruit de Ommelanden

bestonden, n.l. Hunsingo, Fivelingo en 't Westerkwartier, de andere.

Zooals in Friesland, had, bij staking van stemmen, de stadhouder de

beslissing. De staten van _Drente_ waren samengesteld uit twee leden.

Het eerste lid waren de ridders, ten getale van niet meer dan achttien.

Het tweede lid was dat der eigenerfden. De heeren van de ridderschap

hadden één, de eigenerfden twee stemmen.

§ 16.

_Vervolg._

Ten tijde van de Republiek berustte de souvereiniteit, voor elk gewest

in 't bijzonder, bij 't lichaam van de edelen en bij de vroedschappen

der steden. Maar uit de staten der provinciën, uitgezonderd Drente, werd

een onbepaald getal leden afgevaardigd, die een college vormden, dat men

_Staten-Generaal_ noemde, hetwelk den souverein vertegenwoordigde

tegenover de buitenlandsche mogendheden en later het bestuur had over de

Generaliteitslanden. Er waren in de Staten-Generaal zooveel stemmen, als

er gewesten waren, zoodat het getal van hen, welke naar die

vergaderingen werden gezonden, hiertoe niets afdeed. De werkkring van

den raad van state werd sedert 1593 beperkt tot het beheer der

krijgszaken en van de financiën in 't algemeen.

Gelijk de pacificatie van Gent de grondslag was der Algemeene Staten,

zoo werd de unie van Utrecht dit voor het eenigszins anders

samengestelde lichaam der Staten-Generaal. Want na het jaar 1585 bestond

dit lichaam slechts uit de afgevaardigden van de staten der zeven

gewesten, die de unie hadden onderteekend. Drente werd van het voorrecht

om ter Staten-Generaal zitting te nemen uitgesloten, dewijl het, kort na

de unie te hebben onderteekend, door de Spaansche wapenen was

vermeesterd. Hoewel slechts een bondgenootschappelijk gewest, maakte

Drente een deel van den staat uit. Doch het was verre van onafhankelijk

te zijn, daar het verplicht was, in de algemeene lasten, buiten zijn

stem vastgesteld, te dragen.

In gewone gevallen beslisten de afgevaardigden zelven, mits blijvende

binnen de perken, hun door de provinciën gesteld. Doch in gewichtige

aangelegenheden vermochten zij niets zonder den uitdrukkelijken en

eenstemmigen wil der gewesten. Dikwijls waren intusschen de meeningen

over het verbindende der eenstemmigheid verdeeld. Dus rees in dergelijke

gevallen de vraag, of er overstemming plaats hebben en de meerderheid

beslissen kon, ja dan neen, iets waartoe de tijden van Maurits en Willem

II overhelden. Over 't geheel had Holland in de Staten-Generaal een

groot overwicht.

De _raad van state_ bestond uit twaalf leden, van welke die provincie de

meeste zond, welke het grootste aandeel droeg in de algemeene kosten.

Holland had er daarom drie leden. Bovendien waren de stadhouders lid van

den raad van state. Men stemde hoofdelijk. De werkkring van dezen raad

is uit het bovenstaande (zie boven op deze blz.) gebleken. In de

algemeene lasten waren de aandeelen zóó vastgesteld, dat van een som van

honderd gulden elk gewest het onderstaande opbracht:

Holland ongeveer 58 gl.

Friesland " 11-1/2 "

Zeeland " 9 "

Gelderland " 5-1/2 "

Utrecht en Groningen, ieder ruim 2-1/2 "

Overijsel 3-1/2 "

Drente 1 "

Vermits evenwel de meeste gewesten wat zij hadden beloofd niet nakwamen,

schoot Holland, het rijkste gewest, dikwijls voor, wat de anderen

verplicht waren op te brengen.

Al wat het zeewezen betrof behoorde tot het gebied der _admiraliteit_.

Zij telde vijf collegiën: dat van de Maas, hetwelk te Rotterdam zat; dat

van Amsterdam; dat van Middelburg; dat van Noord-Holland, hetwelk bij

afwisseling te Hoorn en te Enkhuizen zetelde; dat van Dokkum, hetwelk in

1645 naar Harlingen werd verplaatst. Hoofd en voorzitter der vijf

collegiën tezamen en van ieder in 't bijzonder was, sedert Maurits, de

admiraal-generaal.

Van de collegiën gaan wij over tot den persoon van _den stadhouder_ of

_gouverneur_, zooals de titel eigenlijk luidt. Steeds benoemden de

provinciën zelven haar gouverneurs. Van wege de Staten-Generaal was de

gouverneur _kapitein-generaal_ en _admiraal_ van de unie. Veelal was de

gouverneur ook kapitein-generaal van het gewest, welke staten hem tot

gouverneur benoemden. Van die staten was hij de eerste dienaar,

voorzoover het militair en het burgerlijk gezag betreft, in elk gewest

het hoofd der uitvoerende macht. Op de samenstelling der vroedschappen

in de meeste gewesten had de gouverneur een beslissenden invloed,

doordien hij uit voordrachten, door die vroedschappen opgemaakt, de

leden koos. De onderdanigheid van den stadhouder aan de staten der

gewesten werd getemperd, doordien hij kapitein-generaal van de unie was

en tot meer dan één provincie in betrekking stond, door het hooge

aanzien van 't geslacht van Oranje-Nassau, door de talrijke bezittingen

dezer vorsten op Nederlands bodem en ten laatste doordat de hooge

waardigheden in dit huis weldra zoo goed als erfelijk werden.

Friesland had tot 1748 altijd afzonderlijke stadhouders, welke de

waardigheid doorgaans tevens in Groningen en Drente bekleedden, terwijl

de gouverneur van Holland ook steeds in Zeeland, Utrecht, Gelderland en

Overijsel tot stadhouder is benoemd. De vijf laatstgenoemde gewesten

hebben tweemaal een stadhouderloos tijdperk gehad, waaraan voor het

meerendeel de regeeringsreglementen van 1672 en 1747 een einde hebben

gemaakt. Toen, d. i. in 1747, werd ook het stadhouderschap met de

overige waardigheden, die de prins van Oranje-Nassau bekleedde, erfelijk

verklaard in zijn nakomelingschap, ook in de vrouwelijke linie.

De regeeringsvorm van de Republiek der Zeven Vereenigde

Nederlanden--zooals zij doorgaans wordt genoemd, ofschoon het eigenlijk

zeven Republieken waren,--had voorzeker groote gebreken. Dit lag in den

aard der zaak, daar de staatsinrichting niets anders was dan een

wijziging van hetgeen er, na de afzwering van den landsheer, van de

overige bestanddeelen der vroegere regeering overbleef en slechts voor

een tijdelijk doel, voor een toestand van oorlog, bestemd was. Die

gebreken vielen, naargelang de staat in jaren toenam, des te meer in 't

oog. Zij deden zich, naarmate de drang van buiten minder tot eendracht

en veerkracht noopte, meer en meer gevoelen. Intusschen bedenke men, dat

een regeeringsvorm geen onbepaalde afkeuring verdient, waaronder een

Republiek ontstond en aangroeide, die zulk een grootsche rol in de

geschiedenis der wereld heeft vervuld. Onbetwistbaar is het, dat in den

regel dat, wat aan den vorm zelf ontbrak, werd aangevuld en vergoed door

de kunde, de braafheid en de goede trouw van velen onder hen, die aan

den vorm het leven hadden te geven.

§ 17.

_De onoverwinnelijke vloot.--Maurits' krijgsbedrijven.--De afstand der

Nederlanden door Philips II.--De eerste zeeslagen van den tachtigjarigen

oorlog._

Zóó was dan de staat der Vereenigde Nederlanden gesticht. Bij die

grondvesting hadden de Nederlanders met grooter zwarigheden te kampen

gehad, dan eenig volk, waarvan de geschiedenis gewaagt. Maar zij

toonden, dat zij ten volle opgewassen waren tegen elke inspanning, die

de drang der omstandigheden hun oplegde. Dus werd ook in hun voorbeeld

de waarheid bekrachtigd, dat ieder de schepper is van zijn eigen lot.

Al dadelijk bedreigde de pas ontstane Republiek een groot gevaar.

Sedert 1580, toen Philips met geweld de heerschappij over Portugal

verkreeg en hierdoor zijn zeemacht meer dan verdubbeld zag, dacht hij

aan een aanval op Engeland, het bolwerk van hen, die van de

Roomsch-katholieke kerk waren afgevallen. Wat na dien tijd in en van

wege dezen staat geschiedde, de zending van Leicester naar de

Nederlanden en het ter dood brengen van Maria Stuart, bevestigde hem in

zijn voornemen. In 1587 schonk paus Sixtus V Engeland, alsof het een

leen van Rome ware, aan de kroon van Spanje.

Sedert een paar jaren had Philips al de middelen, die ter zijner

beschikking stonden, besteed, om een groote vloot, bij voorraad _de

onoverwinnelijke_ geheeten, van stapel te kunnen doen loopen, ten einde

niet alleen Engeland te veroveren, maar ook Nederland weder onder het

juk te brengen. De vloot stond onder 't opperbevel van ~Alonzo Perez de

Guzman~, hertog van ~Med[=i]na-Sidonia~. Op den laatsten Juli 1588

verscheen deze _arm[=a]da_ of vloot in het Kanaal. Weldra bracht de

Engelsche vloot aan de Spaansche schepen, te log schier om zich te

wenden, een aanmerkelijk nadeel toe, waarop binnen kort een zege der

Engelschen en der Nederlanders volgde. Vermits de wind en de vloot der

bondgenooten Med[=i]na-Sidonia den terugtocht door het Kanaal onmogelijk

maakten, besloot hij om Schotland en Ierland heen te zeilen. Op dezen

tocht overviel hem een geduchte storm, die de gansche vloot verstrooide

en vele schepen op de kust van Ierland deed stranden, welks barbaarsche

bewoners de bemanning doodden. Slechts een derde gedeelte der arm[=a]da

keerde, en niet dan zeer beschadigd, in October naar Spanje terug. Men

had haar te voorbarig "de onoverwinnelijke" genoemd. "Gods adem

verstrooide ze", zegt een gedenkpenning van dien tijd, door Zeeland

geslagen.

Van dit oogenblik af helde de fortuin meer tot de zijde der unie over.

~MAURITS~ (1590-1625) werd in 1590 ook stadhouder van Utrecht en

Overijsel, in 1591 van Gelderland. Zoo was hij met genoegzame macht

bekleed, om de Republiek met het zwaard te verdedigen, haar bevestiger,

haar tweede stichter te worden. Een staatsman was hij in 't geheel niet.

Doch in dit gemis voorzag ~OLDENBARNEVELT~ ruimschoots. Met vaste hand

greep hij het roer der binnen- en buitenlandsche politiek en bestuurde

het ruim dertig jaren lang. Gaarne liet Maurits hem deze rol, om zich

des te meer aan de zaken van den oorlog te kunnen wijden. Schitterend

waren de wapenfeiten, waardoor Maurits den naam van "eerste veldheer

zijner eeuw" verwierf. In 1590 verraste hij Breda door middel van een

turfschip. Den 30sten Mei 1591 veroverde hij Zutfen. Denzelfden avond

lag zijn leger reeds voor Deventer, dat zich in de volgende maand

overgaf. Hierop werd Delfzijl overrompeld en Nijmegen gedwongen over te

gaan. In 1592 vielen Steenwijk (zie blz. 62), dat de Spanjaarden in 1582

bij verrassing hadden genomen, en Koevorden in handen van den jeugdigen

veldheer, in 1593 Geertruidenberg. Dertien maanden later, den 24sten

Juli 1594, verdween het laatste spoor van Rennenbergs verraad, toen

Groningen het hoofd moest buigen voor den zegevierenden Maurits en voor

Willem Lodewijk. De voornaamste voorwaarden, waarop de stad zich

overgaf, waren, dat geen andere godsdienst binnen haar muren zou worden

geoefend, dan de hervormde, een bepaling, die de meerderheid der

ingezetenen zeer tegen de borst stuitte, en dat de stad met de

Ommelanden één gewest zou uitmaken, lid der unie zijn en Willem Lodewijk

als stadhouder erkennen. Ongeveer ter zelfder tijd verkoos Drente Willem

Lodewijk tot stadhouder.

Dit alles had Parma zoo goed als lijdelijk moeten aanzien. Eindelijk

bezweek de krachtige man voor al de wederwaardigheden, die de fortuin

des oorlogs hem sedert jaren deed ondervinden, in 1592. Van zijn

opvolgers, die elkander snel afwisselden, was de laatste de aartshertog

~Albert van Oostenrijk~, een broeder des konings van Duitschland. Met

hem kwam Philips Willem (zie blz. 55), na acht-en-twintig jaren in

gevangenschap te hebben gesleten, in deze landen terug. Hij vestigde

zich voorloopig te Breda, een baronie van zijn huis. Kort na de aankomst

van Philips Willem voegde zijn broeder Maurits nieuwe schakels aan de

keten zijner luisterrijke krijgsdaden toe. Dicht bij ~Turnhout~ bracht

hij in 1597 binnen een half uur tijds met 1000 man, grootendeels

ruiters, aan de Spanjaarden een verlies toe van 2000 dooden, terwijl

hijzelf slechts 10 man verloor en nog 500 gevangen nam. Hierop rondde

hij het gebied der Vereenigde Gewesten in 't o. af.

In 1598 verwezenlijkte Philips II een ontwerp, dat hij lang had

gekoesterd. Uitgaande van het denkbeeld, dat een vorst zich te midden

zijner onderdanen behoort te bevinden, schonk hij de Nederlanden, als

bruidschat, aan zijn oudste dochter, ~Isabella~, die met ~Albert~,

aartshertog van Oostenrijk, in 't huwelijk trad. Beiden aanvaardden die

gift, met behoud hunner titels, dien van _aartshertog_ voor Albert, dien

van _infante_ voor Isabella. Mocht een van hen kinderloos komen te

overlijden, dan zouden de Nederlanden aan Spanje terugvallen. Naar de

meening van den koning, waren ook de Noordelijke gewesten in den afstand

begrepen. Albert haastte zich dan ook, deze gewesten uit te noodigen, in

dien zin te handelen. Maar de Staten-Generaal volhardden in hun vroegere

zienswijze. Zoo gingen dan Noord- en Zuid-Nederland voor goed uiteen.

De dood van Philips II, die in 't zelfde jaar, 1598, plaats greep,

verbrak den laatsten band, die Noord-Nederland in 't oog van dezen of

genen, wien de afzwering een gruwel was, nog aan Spanje hechtte. Aan

zijn zoon en opvolger, Philips III, hadden zij geen eed gedaan. Veel was

er de Nederlanden aan gelegen, dat de band met Engeland niet werd

verbroken. Anders toch konden zij licht de eenige, tegen Spanje oorlog

voerende mogendheid blijven, nu Hendrik IV, koning van Frankrijk, hoewel

hij hun niet allen bijstand onttrok, een einde maakte aan den oorlog,

dien hij eenige jaren tegen Spanje had gevoerd. Daarom sloten zij een

nieuw verdrag met Engeland.

In plaats van tijd te verspillen met onderhandelingen, die schenen tot

niets te kunnen leiden, rustte de Republiek zich ten oorlog tegen de

nieuwe beheerschers van de Zuidelijke Nederlanden, doorgaans _de

aartshertogen_ geheeten. Men had een onderneming op het oog tegen

Duinkerken, een nest van zeeroovers, waaruit de vijand den koophandel

der Nederlanders gedurig bestookte. Maurits, hoewel ze vrij gewaagd

achtende, voegde zich, doch met weerzin, naar den wensch der

Staten-Generaal. Vergezeld van dit aanzienlijke college, scheepte hij

zich in 't jaar 1600 met een leger van ongeveer 15,000 man in. Bij

Nieuwpoort gekomen, vernam hij, dat de aartshertog met zijn leger, groot

omtrent 12,000 man, in aantocht was. Dit viel tegen. Men had bij het

muiten der Spaansche soldaten, die in langen tijd weder geen soldij

hadden getrokken, erop gerekend, dat de vijand niet genoeg

strijdkrachten had kunnen bijeenbrengen. Inmiddels was goede raad duur.

Maurits begon op den morgen van den 2den Juli met de schepen, die

leeftocht en krijgsbehoeften hadden overgevoerd, daar zij voor 't

oogenblik van geen dienst konden zijn en gevaar liepen, door de

bezetting van Nieuwpoort in brand te worden gestoken, in zee terug en

naar Ostende te zenden. Hierop werden de beide legers bij ~Nieuwpoort~

(in West-Vlaanderen aan zee) slaags. Zon en wind waren in 't voordeel

der Nederlanders. En tegen den avond neigde de kans van den strijd, die

van weerszijden met hardnekkigheid werd gevoerd, geheelenal ten gunste

van Maurits. Albert week, een menigte zijner manschappen als

gesneuvelden en gevangen achterlatende.

Beknopte geschiedenis van het vaderland · 第 6 / 24 段