Nadat de eerste schrik was geweken, begon Margareta krachtdadig door te

tasten. Zij bewerkte, dat het compromissum werd ontbonden, en wierf

troepen. Overal moest het prediken der hervormden worden gestaakt. Van

dat oogenblik af scheidde Egmond zich van zijn vrienden, den eed van

trouw aan den koning opnieuw afleggende, terwijl Hoorne zich tegelijk

aan 's konings dienst en aan de bevordering van Oranje's plannen

onttrok. Van zijn kant nam Willem, inziende dat er vooreerst aan geen

verzet viel te denken, in 't zelfde jaar zijn ontslag als stadhouder van

Holland, Zeeland en Utrecht en ging naar Duitschland. Hij werd door een

overgroot aantal lieden, op meer dan honderd duizend begroot, gevolgd.

Onder hen was Willems vertrouwde vriend, de beroemde godgeleerde en

staatsman ~Philips van Marnix~, heer van St. Aldegonde (een heerlijkheid

in Henegouwen, terwijl een kasteel nabij Middelburg, waar Marnix een

tijdlang woonde, naar hem ook wel zoo werd genoemd, doch eigenlijk

West-Souburg heette). In Willems plaats werd ~Maximiliaan Hennin, graaf

van Boussu~ (ten w. van Bergen, in Henegouwen), bij voorraad over

Holland als stadhouder aangesteld. Intusschen was Philips tot een vast

besluit gekomen. Na lang te hebben voorgegeven, dat hijzelf een reis

naar de Nederlanden in den zin had, zond hij in 1567 ~Alv[=a]rez de

Tol[=e]do, hertog van Alva~ (d. i. Alva de Tormes, in 't n.w. van

Spanje, ten z.o. van Salamanca), als kapitein-generaal aan 't hoofd van

een leger van ongeveer 17,000 man, grootendeels oudgediende en geharde

mannen.

§ 12.

_De Nederlanden onder 't bestuur van Philips' landvoogd Alva._

De komst van Alva was Margareta een doorn in 't oog. Sedert

zij bovendien bespeurde, dat hij, behalve de aanstelling tot

kapitein-generaal, nog buitengewone volmacht had, drong zij met zooveel

nadruk op haar ontslag aan, dat zij het op 't einde van 1567 verwierf en

onverwijld naar Italië vertrok. Terstond werd Alva in haar plaats

algemeen landvoogd. Thans namen de wreedheden een aanvang. _De raad van

beroerte_, door het volk weldra met juist inzicht _bloedraad_ geheeten,

werd opgericht. Onder de beroemdste offers van dien raad waren Egmond en

Hoorne, wien het niet baatte, dat zij ridders van 't gulden vlies waren

(zie blz. 31). De 5de Juni 1568 was de noodlottige dag hunner

terechtstelling of liever van den gerechtelijken moord. Hun namen

blijven door de standbeelden, in 't jaar 1864 te Brussel opgericht, in

aller herinnering leven.

Hierbij berustte de raad van beroerte niet. De prins van Oranje en

andere uitgeweken edelen werden insgelijks, op zware beschuldigingen,

voor hem gedaagd. Zij verschenen niet, en met reden. Maar aan offers was

geen gebrek, hoewel het niet is bewezen, dat de Spaansche inquisitie in

een plechtig geschrift alle Nederlanders, op zeer weinigen na, als

ketters, des doods schuldig heeft verklaard. In 1570 werd Montigny, na

in Spanje een paar jaren in den kerker te hebben gezucht, insgelijks op

een vonnis van den bloedraad, in 't geheim geworgd, wat hem nog als een

weldaad werd toegerekend. Zijn reisgenoot Bergen was reeds in 1567 òf

aan een ziekte, òf aan vergif bezweken. Desniettegenstaande werd zijn

nagedachtenis met een vonnis bezoedeld, opdat zijn bezittingen den

koning niet ontgingen. Ook andere gewelddadigheden beging Alva. Hij liet

in 1568, tegen de voorrechten der hoogeschool te Leuven, den oudsten

zoon van prins Willem, ~Philips Willem, graaf van Buren~ (zie blz. 38),

vandaar oplichten en naar Spanje voeren, waar hij, als gijzelaar voor de

trouw des vaders, onder nauw toezicht werd opgevoed.

Treurig was, te midden van al die tooneelen van diepen rouw, de toestand

van het land. Doch welhaast daagde er bijstand van buiten op. Veelzins

getergd, door den roof van zijn zoon en door de verbeurdverklaring van

't geen hij bezat, greep Willem eindelijk naar de wapens. Een

kortstondig geluk begunstigde de kloeke onderneming. ~Lodewijk van

Nassau~ zegevierde bij ~Heiligerlee~ (ten w. van Winschoten). Aremberg

sneuvelde er, maar ook Willems broeder Adolf. Doch nog in 't zelfde

jaar, 1568, versloeg Alva zelf Lodewijk bij ~Jemmingen~ (Jemgum, nabij

Leer in Oost-Friesland). Zoo was de tachtigjarige oorlog begonnen. Door

den uitslag van zijn krijgstocht overmoedig geworden, beraamde Alva het

plan, de grafelijke bede door vaste, algemeene belastingen te vervangen.

Drie belastingen waren het, welke de landvoogd uitschreef: 1) een

heffing voor eens van het honderdste der waarde of 1 p.c. van alle

roerende en onroerende eigendommen (_de honderdste penning_), en dan,

bij verkoop, 2) een heffing van tien ten honderd van de roerende (_de

tiende penning_), en 3) van vijf ten honderd (_de twintigste penning_)

van de onroerende goederen. Hij begon met de heffing te Brussel, waar

zijn eigen tegenwoordigheid, gelijk hij meende, den tegenstand zou

breken. De overheid gaf toe; maar de gilden, bovenal de slagers en de

brouwers, tartten den toorn van den landvoogd en sloten hun winkels.

Juist toen Alva het tot een punt van overweging zou hebben moeten maken,

wat hem bij dat algemeen verzet stond te doen, weerklonk de mare van de

verrassing van Brielle.

Duurzame gevolgen had de aanslag, op den 1sten April 1572 tegen deze

veste ondernomen. Hij was het werk van _de Watergeuzen_, vrijbuiters,

die onder de driekleurige vlag--rood of oranje, wit en blauw--, de vlag

van Willem van Oranje, voeren. Tot dusver waren zij op hun tochten vaak

de Engelsche havens binnengeloopen, om zich van levensmiddelen te

voorzien; doch eensklaps verbood koningin Elizabeth, beducht voor een

oorlog met Spanje, haar onderdanen, den Watergeuzen verder te

verstrekken, wat zij behoefden. Zoo werd hun vloot, staande onder 't

bevel van ~Lumey, graaf van der Marck~, als admiraal, gedwongen zee te

kiezen. Nu besloten zij deze of gene stad van Noord-Holland te

vermeesteren. Maar tegenwind belette dit en dreef hen voor den mond van

de Maas. Daarom eischten zij Brielle (op Voorne) in naam van den prins

op. Eer de regeering een bepaald antwoord had gegeven, veroverden de

Watergeuzen de stad zonder moeite. Zij werd voor den prins in bezit

gehouden. De inneming of verrassing van Brielle werd de grondslag van de

vestiging van de onafhankelijkheid der _Vereenigde Nederlanden_.

Vruchteloos beproefde Boussu, zelfs nog eer Alva hem het bevel hiertoe

kon geven, tegen Brielle opgerukt, de stad te heroveren. Integendeel, de

afval plantte zich voort. Vijf dagen na den 1sten April stond Vlissingen

uit eigen beweging tegen de Spaansche benden op en sloot de versterking,

die Alva in allerijl had afgezonden, buiten haar wallen. Ook Veere werd

voor de vrijheid gewonnen. Enkhuizen, Dordrecht en andere steden van

Noord- en Zuid-Holland volgden. Hierop namen ook vele steden van

Gelderland, Utrecht, Overijsel en Friesland bezettingen van den prins

in. In al die steden werd de regeering veranderd en de nieuwe overheid

verplicht, trouw te zweren aan den koning van Spanje en aan den prins

van Oranje. De strijd toch werd niet gevoerd tegen den koning, maar

tegen Alva en de dienaren van Philips. Nog in den zomer van 't zelfde

jaar, den 19den Juli en volgende dagen, hielden een groot aantal leden

der staten van Holland een _vergadering te Dordrecht_, de eerste, die in

Holland met terzijdestelling van Alva's gezag werd gehouden. Hier werd

besloten, prins Willem te erkennen als generaal-gouverneur en luitenant

des konings, d. i. als plaatsvervanger van Alva, en als stadhouder van

Holland, Zeeland en Utrecht.

Slechts ten deele gelukte het aan Alva, het Noorden te herwinnen.

Zutfen, Naarden en Haarlem, de beide eersten in 1572, Haarlem in 1573,

moesten achtereenvolgens haar poorten openen voor de Spanjaarden, door

Alva's zoon Frederik aangevoerd. Vreeselijk werden al die plaatsen

geteisterd. Van de steden, te dier tijde door Alva's zoon aangevallen,

hield alleen Alkmaar zich staande. Na Alkmaar was Leiden aan de beurt.

Het bevel tot de insluiting dezer stad gaf Alva nog: de uitkomst zag

eerst zijn opvolger. Reeds sinds lang had hij bij den koning op zijn

ontslag aangedrongen. In 't laatst van 1573 werd de wensch van den

dwingeland voor goed vervuld. Hij ging met schulden overladen en den

vloek medenemende van al wat Nederlander was. Bij zijn vertrek moet hij

zich hebben beroemd, 18,600 ingezetenen dezer landen door de hand des

scherprechters te hebben laten ter dood brengen.

§ 13.

_De Nederlanden gedurende het bewind van Requ[=e]sens en van Don Jan van

Oostenrijk.--De unie van Utrecht._

Alva's opvolger was ~Don Louis de Requ[=e]sens~. Hij was gematigd en van

een geheel anderen aard dan zijn voorganger, zonder echter in de

hoofdpunten een tegenovergesteld gevoelen te zijn toegedaan. Het eerste

nadeel, dat hij ondervond, was dat Middelburg werd genoodzaakt zich in

1574 aan den prins over te geven. Hierop volgde echter de voor Nederland

noodlottige slag op ~de Mookerheide~ of bij Mook (ten z. van Nijmegen),

waar ~Lodewijk van Nassau~ met zijn broeder ~Hendrik~ omkwam. De eenige

gunstige uitwerking, die Lodewijks inval teweeg bracht, was deze, dat de

Spaansche troepen, die het beleg voor Leiden hadden geslagen, vandaar

trokken, om bij Mook mede te strijden. Doch onmiddellijk na den slag

werd het beleg hervat. In weerwil van de tegenwerking veler

flauwhartigen werd de stad wakker verdedigd door ~Jan van der Does~, den

standvastigen burgemeester ~Pieter Adriaansz. van de Werff~ en anderen.

Toch was de hongersnood reeds op 't hoogst geklommen en zou de stad zijn

bezweken, indien men niet de dijken had doorgestoken en de sluizen

opengezet. In de eerste dagen van October 1574 blies de wind uit het

n.w. en vervolgens uit het z.w. Nu drongen de wateren van den oceaan met

onweerstaanbaar geweld landwaarts in en dreven de belegeraars op de

vlucht. De 3de October was de dag van 't ontzet. Een vloot met

levensmiddelen voer Leiden binnen en verzadigde de hongerenden. Tot

belooning voor haar volharding verwierf de stad o. a. in 't volgende

jaar een hoogeschool, die de prins en de staten haar uit naam van

Philips schonken, want men hield zich nog steeds aan den ouden vorm en

bestreed Philips' benden in naam van hemzelf.

Inmiddels sloeg Requ[=e]sens het beleg voor Zierikzee, doch mocht het

einde dier onderneming niet beleven. Hij stierf in 1576. Bij gebrek aan

eenige beschikking aanvaardde de raad van state, na Requ[=e]sens' dood,

het bewind over de getrouw gebleven staten. Omtrent terzelfder tijd

hield de raad van beroerte, die gedurende de regeering van Requ[=e]sens

meer gekwijnd dan geleefd had, geheel op te bestaan, Weldra had de raad

van state met onoverkomelijke bezwaren te worstelen. Zierikzee ging bij

verdrag in handen der Spanjaarden over; maar onmiddellijk daarna stonden

de Spaansche troepen, die op Schouwen lagen, op en eischten betaling van

de sedert lang achterstallige soldij. Dicht ineengesloten, rukten zij

met die officieren, welke het met hen eens waren, uit Zeeland naar

Brabant. Waar zij kwamen, plunderden zij de kleine steden en stroopten

het platteland af. Terwijl de staten der Zuidelijke Nederlanden nu

begrepen, op niemand dan op zichzelven te moeten rekenen, was de

muiterij der soldaten voor Willem een hefboom van onberekenbaar gewicht.

Op zijn aanvraag kwamen de afgevaardigden uit het meerendeel der

Zuidelijke gewesten te Gent bijeen, ten einde een verbond te sluiten met

Holland en Zeeland. Te midden van het raadplegen dezer gemachtigden of

der Algemeene Staten richtten de Spaansche soldaten, van alle kanten te

Antwerpen bijeengeschoold, in deze stad een tooneel van moord en

plundering aan, gruwelijker dan nog ergens was aanschouwd. De daad

zelve, als het toppunt aller gruwelen, door dat krijgsvolk aangericht,

noemt men _de Spaansche furie_. Zij oefende een krachtigen invloed op de

beraadslagingen der staten. Den 8sten November was het stuk gereed,

bekend onder den naam _pacificatie_ of bevrediging _van Gent_. Het

stelde een vereeniging vast tusschen de Noordelijke en de Zuidelijke

Nederlanden, waarbij men overeenkwam, om de Spaansche soldaten den lande

uit te drijven en zich later op het stuk van godsdienst onderling te

verstaan.

Vier dagen vóór de afkondiging van het Gentsche verdrag overschreed de

man, dien Philips II tot opvolger van Requ[=e]sens had benoemd, de

grenzen van Nederland en kwam te Luxemburg aan. Het was Philips'

bastaardbroeder, ~Don Jan van Oostenrijk~ (zie blz. 48). Reeds had hij,

hoe jong ook, schitterende lauweren behaald in de oorlogen tegen de

Mooren en de Turken (_Overzicht_, 9de druk, blz. 140) en spiegelde zich

van de toekomst een nog luisterrijker tijdperk voor. De aanvang

beantwoordde niet aan die verwachting. Want de Algemeene Staten gaven

hem welhaast te kennen, dat zij, niet dan op zekere voorwaarden, hem als

landvoogd konden erkennen. De gestelde eischen willigde Don Jan in bij

een verdrag, gesloten in Februari 1577 en _het eeuwig edict_ geheeten.

Hierbij werd de pacificatie bekrachtigd en de wegzending der vreemde

troepen beloofd.

Van een bewind van den nieuwen landvoogd, in den eigenlijken zin, kan

geen sprake zijn. Tevergeefs trachtte hij ook Willem, die volstrekt geen

vertrouwen in hem stelde en zich, met Holland en Zeeland, zorgvuldig

hoedde het eeuwig edict te onderteekenen, voor de zaak des konings te

winnen. Eensklaps wierp hij in 1577 het masker der lijdelijke houding,

dat hij tot dusver had gedragen, af door op zekeren dag in persoon het

slot te Namen te verrassen en er zich te vestigen. Naar hij zeide, wilde

hij zich beveiligen tegen de plannen, die men tegen hem smeedde. Aan de

Algemeene Staten scheen het toe, dat hij hierdoor alle recht had

verbeurd om met eenig gezag in de zeventien gewesten op te treden.

Terwijl Don Jan op die wijze al zijn macht verloor, of liever niet tot

de oefening der macht kon geraken, groeide die van Willem steeds aan.

Hij werd uitgenoodigd te Brussel te komen, en, door den invloed van den

derden stand, tot _ruwaard_ van Brabant benoemd. De reden dier benoeming

was hierin gelegen, dat de zetel der regeering ledig stond. Deze

toenemende invloed van den prins ook op de zaken van het Zuiden

verbitterde de edelen dier landstreek. Zij waren het, die, in den waan

aan Oranje een doodelijken slag toe te brengen, den jeugdigen

aartshertog van Oostenrijk ~Matth[=i]as~ (_Overzicht_, 9de druk, blz.

130) in het land riepen. Toen toonde Willem, hoe groot zijn meerderheid

van geest was. Hij verzette er zich niet tegen, dat de Algemeene Staten

Matth[=i]as in 't begin van 1578 tot landvoogd benoemden, maar onder

zulke voorwaarden, dat hij niets vermocht. Terecht noemde het volk

Matth[=i]as _'s prinsen griffier_, want zijn werkzaamheid bepaalde zich

tot het onderteekenen van stukken. Intusschen hadden de Algemeene Staten

uitdrukkelijk verklaard, dat zij Don Jan niet langer als landvoogd

erkenden.

Bij alle wisseling van gebeurtenissen bleef Willem van Oranje

verdraagzaamheid jegens andersdenkenden in 't stuk van den

godsdienst voorstaan. Zelf was hij aan 't hof van Karel V in den

Roomsch-katholieken godsdienst opgebracht. Dien bleef hij, voor het

uiterlijk, getrouw tot 1573, toen hij tot de hervormde kerk, naar de

begrippen van Calvijn, overging. Maar zijn geheele leven door was hij

een vurig voorstander van de verdraagzaamheid. De dag was echter nog

evenmin aangebroken voor het betoonen eener ware verdraagzaamheid, als

voor een vereeniging van het Noorden en het Zuiden. Dit bewijzen de

gebeurtenissen der jaren 1578 en 1579. Het jaar 1578 werd geopend met de

aankomst van den hertog van Parma, ~Alexander Farnese~, een zoon van

Margareta (zie blz. 48). Welhaast vond hij, die een niet minder ervaren

staatsman dan veldheer was, een geschikte gelegenheid om Henegouwen,

Artois, Douai (ten n.o. van Atrecht) en een paar andere steden uit de

Zuidelijke Nederlanden tot terugkeer onder 's konings gezag te nopen.

Reeds in Januari 1579 verklaarden zij zich hiertoe bereid en sloten een

paar maanden later _het verdrag van Atrecht_, waarbij zij zich op nieuw

aan de Spaansche heerschappij onderwierpen. Dien gunstigen keer der

Spaansche zaak beleefde Don Jan niet meer. Hij stierf in October 1578.

Terstond bij zijn verscheiden rees er argwaan van vergiftiging en

vermoedde men, dat de misdaad op last van Philips was bedreven. Echter

is het feit nimmer bewezen. Alexander Farnese trad onmiddellijk als Don

Jans opvolger op.

Hoe langer hoe meer werd het zichtbaar, dat de kracht van den opstand

hoofdzakelijk of bij uitsluiting in het Noorden moest worden gezocht.

Geheel deze streek stond tegenover Spanje in de wapens. Er ontbrak

slechts een verbond, om dezen toestand duurzaam te maken. Maanden lang

werd hierover onderhandeld. In Januari 1579 kwam er een einde aan de

overwegingen. Den 22sten en den 23sten dier maand werd de beroemde _unie

van Utrecht_ gesloten en geteekend, de grondslag van dezen staat, een

vereeniging ten eeuwigen dage tusschen de Noordelijke gewesten, als

waren zij maar één landschap, tot onderlingen bijstand tegen alle geweld

en den gemeenen vijand. Zij werd geteekend door Willems broeder ~Jan~,

haren ontwerper, Holland, Zeeland (met uitzondering van Middelburg),

Utrecht, de Ommelanden en een deel van Gelderland. In Mei teekende

Willem; de overige deelen van Gelderland volgden in 1579 en 1580. Drente

voegde zich, ofschoon het er slechts kort bij bleef, in April 1580 bij

de unie, Overijsel in 1591. Friesland sloot zich, van 1579 tot 1598, bij

gedeelten bij de unie aan. De stad Groningen, die niet toetrad, werd in

1594 door Maurits tot de unie gebracht. Eindelijk voegden zich nog

eenige Zuid-Nederlandsche steden, als Antwerpen, Gent, Brugge, bij de

unie.

De unie van Utrecht werd de hoeksteen van de Nederlandsche Republiek.

Hoewel zij het geenszins was, werd zij later, toen de onafhankelijkheid

van den staat was verzekerd, aangemerkt als de grondwet van het

bondgenootschappelijk staatsgebouw, echter niet zonder afwijking en

onuitgevoerde bepalingen. De hoofdinhoud der unie komt op het volgende

neer. Elk gewest zal zijn voorrechten behouden; zijn onafhankelijkheid

blijft ongeschonden. Ter bestrijding van de kosten van 's lands

verdediging zullen op eenparigen voet belastingen worden geheven. Over

zaken, de Generaliteit betreffende, mag geen bestand of vrede gesloten,

noch oorlog begonnen, verder geen belasting over alle gewesten

uitgeschreven worden, dan met eenstemmig goedvinden der gewesten. Kunnen

de leden het over deze punten niet eens worden, dan zal de zaak worden

onderworpen aan de uitspraak van de stadhouders der gewesten. In andere

stukken zal de meerderheid beslissen. Uit de mannelijke ingezetenen

dezer landen, tusschen de achttien en de zestig jaren oud, zal een

krijgsmacht worden samengesteld.--Op verre na niet alle artikels der

unie werden evenwel nageleefd, b. v. dat omtrent de belastingen, de

krijgsmacht, enz.

§ 14.

_Van de unie van Utrecht tot de vestiging der Republiek van de Zeven

Vereenigde Nederlanden._

Een van de onderteekenaars der unie van Utrecht was ~George van Lalaing

graaf van Rennenberg~ (een voormalig graafschap in Limburg, tusschen

Sittard en Valkenburg). Doch ternauwernood had hij ze geteekend, of hij

viel, met een aanzienlijke som omgekocht, in 1580 van haar af en bracht,

door verraad en geweld, de stad Groningen, Drente en een deel van

Overijsel onder de Spaansche heerschappij terug. Slechts Steenwijk bleef

voor den prins behouden. Niet lang genoot Rennenberg de vruchten van

zijn verraad. Hij stierf reeds in 1581.

Willem, door dien afval zeer verslagen, werd bovendien diep geschokt

door den ban, dien Philips, op raad van Granvelle, over hem uitsprak. In

dit stuk, dat in Augustus 1580 in de Nederlanden werd afgekondigd,

stelde de koning een prijs van 25,000 gouden kronen (elke ter waarde van

omtrent 3 gl.) op het hoofd des grooten mans en beloofde brieven van

adel te zullen uitreiken aan wie het trof. Één jaar na de afkondiging

van den beruchten ban, den 26sten Juli 1581, zwoeren de Algemeene

Staten, in den Haag vergaderd, Philips plechtig af. Het beginsel,

waarvan deze daad uitging, was, dat de onderdanen niet door God zijn

geschapen ten behoeve van den vorst, om hem als slaven te dienen, maar

de vorst ten dienste van de onderdanen, zonder welke hij geen vorst is,

ten einde hen volgens het recht en de rede te regeeren en lief te

hebben, gelijk de herder zijn schapen.

Terzelfder tijd droeg Holland den prins de hooge overheid op en

bekleedden de overige gewesten ~Frans van Anjou~, een broeder van

Hendrik III, koning van Frankrijk (_Overzicht_, 9de druk, blz. 143), met

het oppergezag. Matth[=i]as, nu overbodig geworden, verliet het land in

1581, zonder eenig spoor van zijn verblijf achter te laten. Anjou kwam

eerst in Februari 1582 in de Nederlanden. Ook zijn macht was in vele

opzichten aan banden gelegd. Zijn titel was hertog van Gelderland en

Brabant, graaf van Holland en Zeeland, enz. Vreemd was vooral zijn

verhouding tot deze beide gewesten. Zij hielden zich aan Willem, maar

stemden er tevens in toe, ter bewaring der eendracht, zich, ten aanzien

van sommige algemeene zaken, aan Anjou te onderwerpen.

Weldra oefenden de schitterende beloften, door Philips gedaan, haar

werking. In Maart 1582 loste ~Jan Jaureguy~, een bediende van

~d'Anastro~, een Spaansch koopman te Antwerpen, in die stad een

pistoolschot op den prins en wondde hem. 's Prinsen gevolg doodde den

misdadiger onmiddellijk; doch de hoofdaanlegger van het bedrijf,

d'Anastro, ontkwam door de vlucht. Langzaam genas de prins. Nieuw

verdriet berokkende hem de verraderlijke aanslag van Anjou,

verontwaardigd over de perken, binnen welke zijn gezag was omschreven.

Om zich van die bepalingen te ontslaan, leverde hij een tegenhanger van

Don Jans trouwelooze daad. In Januari 1583 bemachtigden zijn troepen

Duinkerken en andere sterke plaatsen in de Zuidelijke Nederlanden. Zelf

deed Anjou, ter voltooiing van dit werk, dat men _de Fransche furie_

noemt, met zijn soldaten een moorddadigen aanval op de burgers der stad

Antwerpen, die echter door de ingezetenen zelven met gunstig gevolg werd

afgeslagen en hem op een paar duizend zijner officieren en

krijgsknechten kwam te staan. Hierop keerde Anjou naar Frankrijk terug

en overleed er in 1584. Een der boden uit Frankrijk, welke de tijding

van dien dood aan den prins overbracht, was ~Balthazar Gerard~, of,

gelijk hij voorgaf te heeten, ~François Guyon~.

Deze man was de zesde, die in het tijdsbestek van twee jaren, door

geld- en dweepzucht vervoerd, met medeweten van Parma, Willem van Oranje

naar het leven stond. Zijn verderfelijk opzet, de grootste ramp, welke

Nederland in die dagen kon treffen, gelukte maar al te wel. De vader des

vaderlands viel den 10den Juli 1584 te Delft, doodelijk getroffen door

het pistool van den sluipmoordenaar. De booswicht werd terstond gegrepen

en op gruwelijke wijze ter dood gebracht.

Een groot en edel man was Willem van Oranje, de grondlegger der

onafhankelijkheid van den Nederlandschen staat. Hij was een ervaren

krijgsheld, een uitstekend staatsman, geboren om volksleider te zijn,

in de goede beteekenis van het woord. Aan ingenomenheid met de

hervormde leer en een vromen zin paarde hij een in die dagen ongekende

verdraagzaamheid. Standvastig was hij als een rots in den oceaan,

rustig te midden der onstuimige baren. Verbazend was zijn kennis van

personen en zaken, onbegrijpelijk zijn werkzaamheid, zeldzaam zijn

zelfbeheersching. Zelfopoffering en onbaatzuchtigheid onderscheidden hem

in buitengewone mate.

Het was sober gesteld met de Nederlandsche gewesten bij den dood van den

prins van Oranje. Parma had sedert het verdrag van Atrecht niet stil

gezeten, doch Maastricht, bijna geheel Vlaanderen en de meeste steden

van Brabant veroverd. Thans lag Antwerpen aan de beurt. Veertien maanden

lang werd de stad verdedigd onder de leiding van Marnix van St.

Aldegonde (zie blz. 53), die er burgemeester was. Het einde was, dat

Antwerpen zich den 17den Aug. 1585 bij verdrag aan Parma overgaf. Dit

verdrag verleende den hervormden geen vrijheid van godsdienst, maar nog

een ongestoord verblijf van vier jaren. Duizenden maakten in dat

tijdsverloop hun vastigheden te gelde en weken naar ons land, vooral

naar Amsterdam. Van nu aan verliet voor de twee volgende eeuwen de

zeehandel de haven van Antwerpen en keerden de Zuidelijke gewesten onder

de gehoorzaamheid van Spanje's koning terug. De scheiding van 't Zuiden

en 't Noorden was voltooid. Het Zuiden ging den smaad en de ellende der

dienstbaarheid te gemoet; het Noorden zette steeds vaster schreden op de

baan, die tot de onafhankelijkheid voerde.

Beknopte geschiedenis van het vaderland · 第 5 / 24 段