Fivelingo en het Westerkwartier. Westerwolde (zie boven blz. 13) is tot
1795 een afzonderlijke heerlijkheid geweest. Sedert 1594 merkten de
Staten-Generaal zich als leenheeren van Westerwolde aan. De stad
Groningen kocht die heerlijkheid in 1619 voor ruim 140,000 gl. en bezat
ze als zoodanig tot de omwenteling van 1795. De eigenerfden en andere
afgevaardigden uit die drie kwartieren stelden de vergadering der staten
samen. Later kwam er de stad bij. De eigenerfden waren diegenen, die,
krachtens hun eigendommen, zonder volmacht of verkiezing ten landdage
verschenen.
§ 10.
_De Nederlanden onder het bewind van Karel V._
Zóó waren dan de zeventien onder één heerschappij, die van ~KAREL~ V
(1543-1555), vereenigd. Het waren bloeiende staten met een krachtige
bevolking. Vischvangst, handel en zeevaart waren de rijke bronnen, die
het bestaan der Nederlanders verzekerden, daarbij landbouw en veeteelt.
Vooral was _de groote visscherij_, de haringvangst, vermaard, een ware
goudmijn, daar zij aan meer dan 20,000 huisgezinnen het onderhoud
verschafte. De haring werd jaarlijks van den 24sten Juni tot den 25sten
November op de kusten van Engeland en Schotland gevangen. Er waren
jaren, dat er tot 1500 haringbuizen uit de Nederlandsche havens in zee
liepen, alleen uit Enkhuizen 140. Geen volk wist den haring zoo goed te
bereiden als de Nederlanders, weshalve de Hollandsche haring, als zijnde
de beste van smaak en de duurzaamste, op de vreemde markten het meest
gewild was. De haring werd (zie blz. 32) òf als _pekelharing_, òf,
gerookt zijnde, als _bokking_ gegeten. Van groot gewicht was mede _de
walvischvangst_, waarmede men in de 17de eeuw een begin maakte en
waarvoor de Staten-Generaal in 1614 uitsluitend _octrooi_ of vergunning
gaven aan de Noordsche compagnie. Ten behoeve dezer visscherij werden in
die eeuw jaarlijks omstreeks 250 schepen uitgerust, die, met het oog op
het doel, de koude van Groenland, Spitsbergen, enz. trotseerden.
Vele zijn de oorzaken, die Nederland tot een land van handel en
zeevaart bij uitnemendheid hebben gemaakt: de ligging aan de Noordzee;
de menigte van bevaarbare rivieren en kanalen; de persoonlijke vrijheid,
die, hoe ook beperkt, hier meer dan elders werd geëerbiedigd en velen
noopte zich er metterwoon te vestigen. Sedert het einde der 15de eeuw
was Antwerpen de hoofdzetel van den handel. Er waren meer dan 1000
vreemde handelshuizen gevestigd. De beurs, elken dag tweemaal gehouden,
telde telkens meer dan 5000 bezoekers. Den handel op de Oostzee, in hout
en graan, had hoofdzakelijk Amsterdam, toen reeds bij Venetië vergeleken
en de korenmarkt van Europa genoemd. Nog is niet gewezen op de
vrachtvaart, die zeer aanmerkelijke voordeelen opleverde, en geen gewag
gemaakt van de velerlei fabrieken, waarmede de nijvere en dichte
bevolking zich bezig hield.
Van wetenschappelijke beschaving kan nog maar weinig sprake zijn. Toch
ontbrak het niet aan de beginselen. Reeds had ~Jakob van Maerlant~ zijn
_spiegel Historiael_ in 't licht gegeven. Wat de fraaie letteren in
engeren zin aangaat, van lieverlede was een Nederlandsche letterkunde
ontstaan, waarvan het begin in het laatste vierendeel der 12de en het
eerste der 13de eeuw is te zoeken. Vóór dien tijd waren onze voorouders
in taal, zeden en gewoonten nog Duitschers. In de 12de eeuw kwam de
Nederlandsche taal uit het Nederduitsch voort. Zij heette gedurende de
Middeleeuwen het Vlaamsch. Onder de werken, die tezamen uitmaken hetgeen
men onze Middeleeuwsche letterkunde noemt, vindt men weinig of geen
oorspronkelijke gedichten. Aan Frankrijk ontleend is het vermaarde
gedicht _Reinaert de vos_, dat in zijn Vlaamschen vorm zoozeer de
aandacht trok, dat het uit die taal in vele andere werd overgebracht en
als voortreffelijker wordt aangemerkt, dan het oorspronkelijke Fransche
stuk. Tegen het einde der Middeleeuwen namen, naarmate de opkomst der
poorters den invloed der edelen deed afnemen, de tooneeldichten op het
gebied der letterkunde de voornaamste plaats in. Het waren de vele
Rederijkerskamers, met het Bourgondische huis (zie blz. 30 vlg.)
opgekomen, welke aan die gedichten het aanzijn gaven.
Om die bloeiende zeventien landen was nu de band der eenheid geslingerd.
Maar het was slechts een persoonlijke band. Ook van Karel V was het het
streven, de staatseenheid der zeventien te bevorderen. Te dien einde
bedong hij in 1548, bij _het verdrag van Augsburg_, ten behoeve van het
Oostenrijksche huis, dat alle Nederlandsche gewesten geheel
onafhankelijk van Duitschland zijn, doch onder de hoede van dit rijk
staan zouden, mits zij een zeker aandeel in de rijkslasten droegen. In
de wijze, waarop Karel de regeering inrichtte, valt hetzelfde beginsel
der eenheid op te merken: één landvoogdes met drie raden, haar
toegevoegd. Landvoogdes of _gouvernante_, zooals men destijds zeide, was
sedert 1530 's keizers zuster ~Maria~, koningin-weduwe van Hongarije. De
drie raden, die hij in 1531 in 't leven riep, waren _de raad van state_,
_de geheime raad_ en _de raad van financiën_, van welke de eerste
slechts werd geraadpleegd, maar de beide andere uitvoerende macht
hadden. Ook stond met Karels hoofdoogmerk in verband het bij herhaling
bijeenroepen der Algemeene Staten, dat gedurende zijn regeering meer dan
vijftig maal plaats had.
Karel V is een der grootste figuren op het tooneel der
wereldgeschiedenis. De kennis van de rol, die hij vervulde, moet dáár
worden gezocht. Zijn geschiedenis is, voor een deel, die der Nederlanden
gedurende de jaren zijner regeering. Onder de bijzondere gebeurtenissen,
alhier in dien tijd voorgevallen, is een der merkwaardigste het dempen
van het oproer te Gent, een der machtigste steden van Europa. Karel
vorderde van Vlaanderen een bede van 400,000 gl., als derde deel eener
som, hem door de Algemeene Staten toegestaan. De overige leden der
staten van dit gewest stemden toe; alleen Gent weigerde. Vreeselijk was
de wraak, die op het hoofd der Gentenaars neerkwam. Karel trok in 1540
in persoon naar de stad en velde het vonnis.
Doch één grootsche gebeurtenis uit Europa's geschiedenis is er bovenal,
die mede op Nederland in 't bijzonder betrekking heeft. Toen in
Duitschland Luther den stoot aan de hervorming der kerk had gegeven,
werd ook in dit land het zaad gestrooid. De kiem kwam op en werd een
krachtige boom. De ergernis, die de handel in aflaten alom in Europa
verwekte, deelden insgelijks de Nederlanders. Zij waren er niet blind
voor, dat het leven, hetwelk de meerderheid der geestelijken leidde, in
vele opzichten in lijnrechte tegenspraak was met hun roeping en dat de
kennis, welke de meesten hunner van 't Evangelie hadden, uiterst gering
was. Menig Nederlander bevond zich dan ook onder de edele en verlichte
mannen, de voorloopers der hervorming, die tegen de heerschende gebreken
optraden en ze des te vrijmoediger bestreden, hoe meer hun geest door de
op nieuw ontwaakte studie der oudheid aan onderzoek en nadenken was
gewoon geworden. Men denke aan ~Wessel Gansfort~, geboren te Groningen;
aan ~Rudolf Agric[)o]la~, aan ~Gerrit Gerritsz~, meer bekend onder den
naam ~Desiderius Erasmus~, afkomstig uit Rotterdam, die in 1536 stierf.
Hoe meer de leerstellingen van Luther en van Zwingli in de Nederlanden
doordrongen, des te meer aanhangers vonden zij er. Grenzende aan
Duitschland, moest Nederland spoedig bekend worden met de nieuwe
begrippen, die dáár zoo welig wortel schoten Bovendien bevorderde de
handel door de vele vreemdelingen, die hij naar dit land lokte, de
kennis van de leer der hervorming. Doch meer dan Luthers of Zwingli's
stelsel verbreidde zich dat van Calvijn over een aanmerkelijk deel van
het land. Een groot aantal van de eerste predikers van den hervormden
godsdienst, die ons land binnenstroomden, kwam, door de Zuidelijke
Nederlanden heen, uit Frankrijk. Het zaad, zoo welig uitgestrooid, viel
in een vruchtbaren bodem en schoot wortel.
Bij alle hervormingen treft men veelal een partij aan, die zich aan
overdrijving schuldig maakt. Bij de hervorming, die thans plaats greep,
waren dit de Wederdoopers. Met die Wederdoopers behooren, gelijk dikwerf
is geschied, _de Doopsgezinden_ niet te worden verward. Vaak worden de
laatsten ook _Mennonieten_ genoemd, naar ~Menno Simons~, die, tot 1536
Roomsch priester zijnde te Witmaarsum (ten n.w. van Bolsward), een
tijdlang een leerling was van een prediker der Wederdoopers in
Friesland, Ubbo Philips geheeten. In 't genoemde jaar ging hij tot
een der talrijke en onderlinge zeer uiteenloopende vereenigingen
der Doopsgezinden over en verzette zich weldra sterk tegen de
buitensporigheden der Wederdoopers.
Maar Karel V is vast besloten, al moet hij in Duitschland veel toegeven
en met de omstandigheden te rade gaan, in zijn erflanden ten minste de
hervorming uit te roeien. Elf plakkaten vaardigde hij achtereenvolgens
tegen haar uit, het eene harder dan het andere. In 1522 werden er
inquisiteurs, bij verzachting "geestelijke rechters" geheeten, benoemd.
Was de inrichting dier inquisitie, in wreedheid en ergerlijke wijze van
rechtspleging, in 't geheel niet gelijk aan de Spaansche, zij werkte,
naar de opvatting der landzaten, veel te krachtig. Dit moet waar zijn,
wanneer er--gelijk te boek staat--onder Karels regeering 50,000 menschen
om des geloofs wille ter dood zijn gebracht. Intusschen is het zeker,
dat, hoevele duizenden het getal offers der onverdraagzaamheid ook moge
hebben beloopen, wederom het bloed der martelaars het zaad der kerk
werd.
Dit is een schaduwzijde in het anders vrij heldere tafereel van Karels
regeering. Het is niet de eenige. Op velerlei wijze werd het handvest
"de non evocando" geschonden, doordat men de staten buiten hun gewest
riep en, b. v. in gevallen van majesteitsschennis en bij vergrijpen
tegen den godsdienst, de beschuldigden voor andere dan voor hun
natuurlijke rechters daagde. Verder werden aan vreemdelingen ambten
gegeven. Vaak verzetteden zich de staten tegen zulke gewelddadigheden,
doch meestal zonder vrucht. Want Karels grondbeginsel was, dat het
grootste voorrecht van een volk was, geen voorrechten te bezitten. Ook
aan zware beden, die eerder belastingen mochten heeten, ontbrak het niet
en, wat het ergste is, bij weigering werd vaak dwang gebezigd. "Hier,"
zegt een Venetiaansch gezant, "waren de eigenlijke schatten van den
koning van Spanje; hier waren zijn bergwerken, zijn Indië."
Wil men echter billijk zijn, dan behoort men niet te vergeten, dat de
Nederlanden gedurende het bewind van Karel V tot een trap van aanzien
stegen, gelijk zij dien nimmer hadden gekend, en dat de vorst den
grondslag legde van een geregeld bestuur en van een geordende
administratie. Hoe men ook jammerde over het verlies der oude
zelfstandigheid, de slotsom was verademing en voorspoed. Daarom, dewijl
hij gaarne in het land vertoefde, waar zijn wieg had gestaan, en uit
hoofde van zijn minzaamheid was het Nederlandsche volk hem getrouw en
aan hem gehecht. Daarom was het leedwezen des volks oprecht gemeend,
toen Karel afstand deed van het bewind en het aan zijn zoon Philips
opdroeg.
Het voornemen om zijn kronen neer te leggen was sinds lang bij Karel
opgekomen. Geheel ontstemd door het mislukken zijner grootsche
ontwerpen, teleurgesteld in zijn plannen om in al zijn landen een
onbeperkt vorstelijk gezag te vestigen en de eenheid in de Christelijke
kerk te herstellen, terneergebogen onder lichamelijke zwakheid en wegens
de uitputting zijner schatkist de toekomst met zorg te gemoet ziende,
ging hij thans tot de volvoering van het lang gekoesterde voornemen
over. De afstand en de overdracht hadden den 25sten October 1555 te
Brussel in een luisterrijke vergadering plaats. Ook Maria (zie blz. 45)
legde haar waardigheid neder. In 't volgende jaar ging Karel onder zeil
naar Spanje, waar hij in 1558 in het klooster Yuste (in 't n.o. van
Estremad[=u]ra) overleed. Karel liet maar één zoon na, Philips II (III
in Holland en andere Nederlandsche gewesten), en een paar dochters. Van
zijn natuurlijke kinderen zijn één zoon en één dochter zeer vermaard
geworden. De dochter was Margareta, de zoon Don Jan van Oostenrijk.
Onder de vele edelen zijner hofhouding was er niemand, dien hij meer
vertrouwde, dan Willem van Oranje, hoe jong deze prins destijds ook was
(zie beneden, blz. 49).
§ 11.
_De Nederlanden onder Philips II tot de komst van Alva._
Karels opvolger ~PHILIPS~ II (1555-1581), gelijk hij doorgaans wordt
genoemd, was in de Nederlanden geen vreemdeling. Reeds in 1549 had zijn
vader hem hierheen ontboden, om hem aan zijn toekomstige onderdanen voor
te stellen. Die eerste ontmoeting had bij de Nederlanders geen gunstigen
indruk achtergelaten. En de tweede ontmoeting, bij en na Karels
plechtigen afstand, bracht hierin geen verandering teweeg. Philips was
geheelenal een Spanjaard, koel, afgemeten en trotsch. Hij had een afkeer
van het land en van den aard der Nederlanders, en zij van hem, die geen
gemeenzaamheid duldde en geen afdalen kende. Hij verstond noch de taal
des lands, noch sprak een der talen, waarmede de natie vertrouwd was.
Hij achtte de handhaving van den katholieken godsdienst zijn
hoofdplicht. Hiervoor had hij alle krachten van lichaam en ziel veil;
hieraan was een goed deel zijner verbazende, maar kleingeestige
werkzaamheid gewijd. Even onwrikbaar als hij aan de instandhouding van
't koninklijk gezag de hand hield, bleef hij aan den grondregel van al
zijn zeggen en doen getrouw. Die blinde en bijgeloovige gehechtheid aan
de kerk herschiep hem in een dwingeland.
Tot 1559 bleef Philips in de Nederlanden. Toen ging hij. Doch aleer hij
vertrok, regelde hij het bestuur dezer landen. ~Margareta van Parma~
(zie blz. 48) werd landvoogdes. Zij was getrouwd met Octavius Farnese,
hertog van Parma, die evenwel in Italië bleef. De drie boven genoemde
(zie blz. 45) regeeringslichamen stonden haar ter zijde. President van
den raad van financiën, was ~Karel, baron van Barlaimont~ (in 't n. van
Frankrijk, nabij Avennes), van den geheimen raad ~Viglius~ of ~Wigele
van Aytta~ van ~Zuichem~ (ten z. van Leeuwarden), een Fries van afkomst
en een groot rechtsgeleerde, doch die aan groote rechtskennis veel
hebzucht paarde. In den raad van state hadden o. a. zitting: ~Antonius
Perenot~, bisschop van Atrecht, de prins van Oranje, ~Lamoraal, graaf
van Egmond~, later ook de ~Montmorency, graaf van Hoorne~ (ten n. van
Loon, zie blz. 17). Voor Brabant, waar de landvoogdes haar verblijf
hield, werd geen stadhouder benoemd. De stadhouders der overige staten
waren o. a.: Willem van Oranje van Holland, Zeeland en Utrecht; de graaf
van Egmond van Vlaanderen en Artois; Johan van Ligne, graaf van Aremberg
(ten z. van Keulen), van Friesland, Groningen, Drente en Overijsel; de
baron van Barlaimont van Namen. Elke stadhouder was tevens bevelhebber
der krijgsmacht van zijn gewest.
Een enkel woord over Willem van Oranje, weldra den hoofdpersoon van den
tegenstand tegen Philips, en dan over Perenot. In het huis van Nassau
onderscheidde men sedert het midden der 13de eeuw twee liniën. De oudste
bleef in Duitschland. De jongste is die van _Nassau-Dillenburg_. Deze
tak verwierf al vroeg verscheidene bezittingen in de Nederlanden.
Willem, de grondlegger der onafhankelijkheid van Nederland, was een zoon
van Willem den rijke, graaf van Nassau-Dillenburg, geboren in 1533. Rijk
was zijn vader, althans in kinderen. Hij had vijf zonen: Willem, Jan
den oude, Lodewijk, Adolf en Hendrik. Talrijk waren de bezittingen van
zijn zoon Willem op Nederlandschen bodem. Bovendien erfde hij van zijn
neef Réné het prinsdom Oranje.
Antonius Perenot was een schrander en werkzaam staatsman, die zijn
opkomst aan zichzelf had te danken. Hij was in Franche-Comté geboren,
dat een deel had uitgemaakt van de erfgoederen van Maria, de dochter van
Karel den stoute. Reeds dit nam de edelen tegen hem in, die, trotsch op
hun geboorte, op hem, den vreemdeling, neerzagen. Doch voor een
vreemdeling kon men hem eigenlijk moeilijk laten doorgaan. Was hij het,
dan moest ook Willem als zoodanig worden aangemerkt, en in allen gevalle
kon men dit bezwaar niet met recht aanvoeren tegen leden van den raad
van state. Weldra verweet men hem met meer grond zijn heerschzucht,
alsmede de minachting, die hij jegens zijn medeleden in den raad van
state aan den dag legde. Tegen hem wendden zich toen allen, die een
afkeer hadden van de regeering in Spaanschen zin, die Philips aan de
natie wilde opdringen.
Ternauwernood was Philips in zee gestoken, of de Nederlandsche
onderdanen hadden reeds menige grieve tegen hun heer. Zonder op den
geest des tijds te letten, schreef hij een gestrenge uitvoering der
plakkaten voor. Bij den afkeer, dien de Nederlanders en de Spanjaarden
wederkeerig van elkander hadden, was het verlies van den hoogen rang,
dien de Nederlandsche adel onder de beide vorige regeeringen had
bekleed, dubbel onverdragelijk. Hierbij kwam de verbittering over de
voortdurende aanwezigheid van 3 à 4000 man vreemde troepen, die, zooals
het heette, ter bescherming van de grenzen moesten strekken. Bovenal
vreesde men de verwezenlijking van een van Philips' geliefkoosde
plannen, van dat der bisdommen. Tot dusverre was in Nederland geen
aartsbisschoppelijke stoel geweest, doordien het geringe en onregelmatig
verdeelde getal bisdommen onder vreemde aartsbisschoppen stond. Het ligt
voor de hand, dat hieruit groote ongelegenheden ontstonden. De
overwegende reden echter, waarom Philips de zaak der bisdommen wenschte
te regelen, was de vermenigvuldiging der ketters. Voortdurend won de
afkeer veld van een kerk, die, hoewel zelve geen bloed begeerende,
duizenden door den wereldlijken armen liet ombrengen. Wellicht--meende
Philips--kon nauw toezicht, leering en vermaning de zielen voor afval
van de kerk behoeden of van den afval terugbrengen.
In 1559 vaardigde paus ~Paulus~ IV de bul, houdende de bepalingen
omtrent de bisdommen, uit. De zaak zelve begon evenwel niet vóór 1561
werkelijkheid te worden, en met sommige zetels duurde het tot 1570, eer
zij werden bezet. In 't geheel werden er 18 bisschopszetels opgericht,
n.l. 3 aartsbisdommen (elke aartsbisschop was tevens bisschop van die
streek, waarin zijn hoofdkerk lag,) en 15 bisdommen. Perenot of
~Granvelle~, tevens tot kardinaal benoemd, werd aartsbisschop van
Mechelen. Onder hen, die zich tegen de nieuwe bisdommen verzetteden,
waren ook de prins van Oranje en Egmond, die met vele anderen de dwaling
deelden, dat Granvelle een van hen was, die den maatregel bevorderden.
Thans weet men zeker, dat deze meening onjuist was. Maar ook andere
bezwaren hadden Willem en vele edelen tegen den bisschop. Hij was de
ziel van de regeering. Gelijk er veel buiten hen omging, zoo geschiedde
er niets zonder hem, en Viglius liet zich geheel door hem leiden. Dit
mishaagde hun zoozeer, dat, hoewel de vreemde troepen in 1560 werden
verwijderd, er geen betere verstandhouding tusschen Granvelle en de
genoemde edelen ontstond. Weldra weigerden Willem, Egmond en Hoorne in
den raad van state zitting te nemen, zoolang Granvelle er kwam, die alle
belangrijke aangelegenheden aan de kennis van dien raad onttrok. Van
jaar tot jaar werd het standpunt van den kardinaal onhoudbaarder. Het
regende schotschriften tegen hem, en de edelen vervolgden hem met
bitteren spot. Ook Margareta, die ten laatste begon in te zien, hoe
weinig gezag zijzelve in vergelijking met hem had, wilde wel van hem
worden ontslagen. Zoo kwam in 1564 tot Granvelle een bevel van Philips,
om het land te verlaten, waaraan hij onmiddellijk voldeed.
Na Granvelle's vertrek namen Willem, Egmond en Hoorne weder zitting in
den raad van state. Wegens de overige moeielijkheden werd Egmond in 1565
naar Spanje gezonden. Die zending bracht geen verandering of wijziging
teweeg. Egmond werd luisterrijk ontvangen; doch Philips' voorschriften
bleven dezelfde. Langzamerhand ging intusschen de geest van tegenstand
van de eerste edelen op die van den tweeden rang over, om later door het
volk te worden gedeeld. Zoo ontstond in 1565 _het compromissum_
(gemeenschappelijke belofte) of het verbond der edelen, aan 't hoofd
waarvan ~Lodewijk van Nassau~, Willems broeder, stond met ~Hendrik van
Brederode~, een onstuimig man, die een woest leven leidde en slechts
naar opwellingen, niet naar beginselen handelde. Het doel was, de
invoering der inquisitie op elke wijze tegen te gaan. Niet alleen
edelen, maar ook burgers teekenden het; niet alleen Lutherschen en
Calvinisten, maar ook Roomsch-katholieken traden toe.
Schier de eenige daad van deze eedgenooten was de stap, dien zij den
5den April 1566 te Brussel deden. Toen boden zij in plechtigen optocht,
ten getale van drie of vier honderd, de landvoogdes een verzoekschrift
aan ter matiging van de plakkaten. Naar alle waarschijnlijkheid deed het
woord van Barlaimont (zie blz. 49), toen tot de landvoogdes gericht, hun
den naam _geuzen_ (_gueux_, bedelaars) geven. Niet zonder grond--men kan
het niet verbloemen--werd die benaming op vele dier edelen toegepast. De
schulden, waaronder zij ten gevolge hunner verkwistende levenswijze en
van hun veelvuldige drinkgelagen gebukt gingen, rechtvaardigden ze maar
al te zeer. Zelven namen de edelen dien naam volgaarne aan en droegen
tevens de zinnebeelden der bedelaars. Margareta antwoordde weldra. Zij
beloofde, een gezant naar Spanje te zullen zenden en eenige _moderatie_
of matiging in de uitvoering der plakkaten te zullen brengen, die
evenwel zoo weinig in 't oog viel, dat het volk ze weldra _moorderatie_
noemde. Terwijl ~Jan van Glimes, markies van Bergen~ (d. i. Bergen op
Zoom), en Hoorne's broeder, ~Floris van Montmorency, baron van
Montigny~, nu als gezanten naar Philips vertrokken, kwam het prediken
van 't Evangelie in 't open veld, niet meer des nachts, maar bij helder
daglicht alom in zwang. Duizenden, op de beloofde matiging vertrouwende
of hun overtuiging niet langer willende bedwingen, woonden de
predikatiën, _hagepreeken_ genoemd, bij.
Op het houden van openbare godsdienstoefeningen volgde in 1566 de
kortstondige razernij, bekend onder den naam van _beeldenstorm_. Zooals
men het veelal heeft opgevat, was hij een uitbarsting van de dweepzucht
der hervormden, die niet aan een wèl beraamd plan, doch aan plotseling
opkomende hartstochtelijkheid was toe te schrijven. Vele kerken van
Antwerpen, Vlaanderen, Holland, Zeeland, Groningen, enz. werden erdoor
verwoest en van al haar schatten beroofd. Philips ontstak, op het hooren
der mare, zoozeer in drift, dat hij een duren eed zwoer, het misdrijf
niet ongewroken te zullen laten. Het drietal Oranje, Egmond en Hoorne,
baatte het niet, gelijk weldra zal blijken, dat zij de landvoogdes in
deze moeielijke dagen getrouw ter zijde stonden en hen, die schuldig of
medeplichtig waren aan den beeldenstorm, ijverig vervolgden.