De Ommelanden van Groningen bestonden uit drie kwartieren, Hunsingo,

Fivelingo en het Westerkwartier. Westerwolde (zie boven blz. 13) is tot

1795 een afzonderlijke heerlijkheid geweest. Sedert 1594 merkten de

Staten-Generaal zich als leenheeren van Westerwolde aan. De stad

Groningen kocht die heerlijkheid in 1619 voor ruim 140,000 gl. en bezat

ze als zoodanig tot de omwenteling van 1795. De eigenerfden en andere

afgevaardigden uit die drie kwartieren stelden de vergadering der staten

samen. Later kwam er de stad bij. De eigenerfden waren diegenen, die,

krachtens hun eigendommen, zonder volmacht of verkiezing ten landdage

verschenen.

§ 10.

_De Nederlanden onder het bewind van Karel V._

Zóó waren dan de zeventien onder één heerschappij, die van ~KAREL~ V

(1543-1555), vereenigd. Het waren bloeiende staten met een krachtige

bevolking. Vischvangst, handel en zeevaart waren de rijke bronnen, die

het bestaan der Nederlanders verzekerden, daarbij landbouw en veeteelt.

Vooral was _de groote visscherij_, de haringvangst, vermaard, een ware

goudmijn, daar zij aan meer dan 20,000 huisgezinnen het onderhoud

verschafte. De haring werd jaarlijks van den 24sten Juni tot den 25sten

November op de kusten van Engeland en Schotland gevangen. Er waren

jaren, dat er tot 1500 haringbuizen uit de Nederlandsche havens in zee

liepen, alleen uit Enkhuizen 140. Geen volk wist den haring zoo goed te

bereiden als de Nederlanders, weshalve de Hollandsche haring, als zijnde

de beste van smaak en de duurzaamste, op de vreemde markten het meest

gewild was. De haring werd (zie blz. 32) òf als _pekelharing_, òf,

gerookt zijnde, als _bokking_ gegeten. Van groot gewicht was mede _de

walvischvangst_, waarmede men in de 17de eeuw een begin maakte en

waarvoor de Staten-Generaal in 1614 uitsluitend _octrooi_ of vergunning

gaven aan de Noordsche compagnie. Ten behoeve dezer visscherij werden in

die eeuw jaarlijks omstreeks 250 schepen uitgerust, die, met het oog op

het doel, de koude van Groenland, Spitsbergen, enz. trotseerden.

Vele zijn de oorzaken, die Nederland tot een land van handel en

zeevaart bij uitnemendheid hebben gemaakt: de ligging aan de Noordzee;

de menigte van bevaarbare rivieren en kanalen; de persoonlijke vrijheid,

die, hoe ook beperkt, hier meer dan elders werd geëerbiedigd en velen

noopte zich er metterwoon te vestigen. Sedert het einde der 15de eeuw

was Antwerpen de hoofdzetel van den handel. Er waren meer dan 1000

vreemde handelshuizen gevestigd. De beurs, elken dag tweemaal gehouden,

telde telkens meer dan 5000 bezoekers. Den handel op de Oostzee, in hout

en graan, had hoofdzakelijk Amsterdam, toen reeds bij Venetië vergeleken

en de korenmarkt van Europa genoemd. Nog is niet gewezen op de

vrachtvaart, die zeer aanmerkelijke voordeelen opleverde, en geen gewag

gemaakt van de velerlei fabrieken, waarmede de nijvere en dichte

bevolking zich bezig hield.

Van wetenschappelijke beschaving kan nog maar weinig sprake zijn. Toch

ontbrak het niet aan de beginselen. Reeds had ~Jakob van Maerlant~ zijn

_spiegel Historiael_ in 't licht gegeven. Wat de fraaie letteren in

engeren zin aangaat, van lieverlede was een Nederlandsche letterkunde

ontstaan, waarvan het begin in het laatste vierendeel der 12de en het

eerste der 13de eeuw is te zoeken. Vóór dien tijd waren onze voorouders

in taal, zeden en gewoonten nog Duitschers. In de 12de eeuw kwam de

Nederlandsche taal uit het Nederduitsch voort. Zij heette gedurende de

Middeleeuwen het Vlaamsch. Onder de werken, die tezamen uitmaken hetgeen

men onze Middeleeuwsche letterkunde noemt, vindt men weinig of geen

oorspronkelijke gedichten. Aan Frankrijk ontleend is het vermaarde

gedicht _Reinaert de vos_, dat in zijn Vlaamschen vorm zoozeer de

aandacht trok, dat het uit die taal in vele andere werd overgebracht en

als voortreffelijker wordt aangemerkt, dan het oorspronkelijke Fransche

stuk. Tegen het einde der Middeleeuwen namen, naarmate de opkomst der

poorters den invloed der edelen deed afnemen, de tooneeldichten op het

gebied der letterkunde de voornaamste plaats in. Het waren de vele

Rederijkerskamers, met het Bourgondische huis (zie blz. 30 vlg.)

opgekomen, welke aan die gedichten het aanzijn gaven.

Om die bloeiende zeventien landen was nu de band der eenheid geslingerd.

Maar het was slechts een persoonlijke band. Ook van Karel V was het het

streven, de staatseenheid der zeventien te bevorderen. Te dien einde

bedong hij in 1548, bij _het verdrag van Augsburg_, ten behoeve van het

Oostenrijksche huis, dat alle Nederlandsche gewesten geheel

onafhankelijk van Duitschland zijn, doch onder de hoede van dit rijk

staan zouden, mits zij een zeker aandeel in de rijkslasten droegen. In

de wijze, waarop Karel de regeering inrichtte, valt hetzelfde beginsel

der eenheid op te merken: één landvoogdes met drie raden, haar

toegevoegd. Landvoogdes of _gouvernante_, zooals men destijds zeide, was

sedert 1530 's keizers zuster ~Maria~, koningin-weduwe van Hongarije. De

drie raden, die hij in 1531 in 't leven riep, waren _de raad van state_,

_de geheime raad_ en _de raad van financiën_, van welke de eerste

slechts werd geraadpleegd, maar de beide andere uitvoerende macht

hadden. Ook stond met Karels hoofdoogmerk in verband het bij herhaling

bijeenroepen der Algemeene Staten, dat gedurende zijn regeering meer dan

vijftig maal plaats had.

Karel V is een der grootste figuren op het tooneel der

wereldgeschiedenis. De kennis van de rol, die hij vervulde, moet dáár

worden gezocht. Zijn geschiedenis is, voor een deel, die der Nederlanden

gedurende de jaren zijner regeering. Onder de bijzondere gebeurtenissen,

alhier in dien tijd voorgevallen, is een der merkwaardigste het dempen

van het oproer te Gent, een der machtigste steden van Europa. Karel

vorderde van Vlaanderen een bede van 400,000 gl., als derde deel eener

som, hem door de Algemeene Staten toegestaan. De overige leden der

staten van dit gewest stemden toe; alleen Gent weigerde. Vreeselijk was

de wraak, die op het hoofd der Gentenaars neerkwam. Karel trok in 1540

in persoon naar de stad en velde het vonnis.

Doch één grootsche gebeurtenis uit Europa's geschiedenis is er bovenal,

die mede op Nederland in 't bijzonder betrekking heeft. Toen in

Duitschland Luther den stoot aan de hervorming der kerk had gegeven,

werd ook in dit land het zaad gestrooid. De kiem kwam op en werd een

krachtige boom. De ergernis, die de handel in aflaten alom in Europa

verwekte, deelden insgelijks de Nederlanders. Zij waren er niet blind

voor, dat het leven, hetwelk de meerderheid der geestelijken leidde, in

vele opzichten in lijnrechte tegenspraak was met hun roeping en dat de

kennis, welke de meesten hunner van 't Evangelie hadden, uiterst gering

was. Menig Nederlander bevond zich dan ook onder de edele en verlichte

mannen, de voorloopers der hervorming, die tegen de heerschende gebreken

optraden en ze des te vrijmoediger bestreden, hoe meer hun geest door de

op nieuw ontwaakte studie der oudheid aan onderzoek en nadenken was

gewoon geworden. Men denke aan ~Wessel Gansfort~, geboren te Groningen;

aan ~Rudolf Agric[)o]la~, aan ~Gerrit Gerritsz~, meer bekend onder den

naam ~Desiderius Erasmus~, afkomstig uit Rotterdam, die in 1536 stierf.

Hoe meer de leerstellingen van Luther en van Zwingli in de Nederlanden

doordrongen, des te meer aanhangers vonden zij er. Grenzende aan

Duitschland, moest Nederland spoedig bekend worden met de nieuwe

begrippen, die dáár zoo welig wortel schoten Bovendien bevorderde de

handel door de vele vreemdelingen, die hij naar dit land lokte, de

kennis van de leer der hervorming. Doch meer dan Luthers of Zwingli's

stelsel verbreidde zich dat van Calvijn over een aanmerkelijk deel van

het land. Een groot aantal van de eerste predikers van den hervormden

godsdienst, die ons land binnenstroomden, kwam, door de Zuidelijke

Nederlanden heen, uit Frankrijk. Het zaad, zoo welig uitgestrooid, viel

in een vruchtbaren bodem en schoot wortel.

Bij alle hervormingen treft men veelal een partij aan, die zich aan

overdrijving schuldig maakt. Bij de hervorming, die thans plaats greep,

waren dit de Wederdoopers. Met die Wederdoopers behooren, gelijk dikwerf

is geschied, _de Doopsgezinden_ niet te worden verward. Vaak worden de

laatsten ook _Mennonieten_ genoemd, naar ~Menno Simons~, die, tot 1536

Roomsch priester zijnde te Witmaarsum (ten n.w. van Bolsward), een

tijdlang een leerling was van een prediker der Wederdoopers in

Friesland, Ubbo Philips geheeten. In 't genoemde jaar ging hij tot

een der talrijke en onderlinge zeer uiteenloopende vereenigingen

der Doopsgezinden over en verzette zich weldra sterk tegen de

buitensporigheden der Wederdoopers.

Maar Karel V is vast besloten, al moet hij in Duitschland veel toegeven

en met de omstandigheden te rade gaan, in zijn erflanden ten minste de

hervorming uit te roeien. Elf plakkaten vaardigde hij achtereenvolgens

tegen haar uit, het eene harder dan het andere. In 1522 werden er

inquisiteurs, bij verzachting "geestelijke rechters" geheeten, benoemd.

Was de inrichting dier inquisitie, in wreedheid en ergerlijke wijze van

rechtspleging, in 't geheel niet gelijk aan de Spaansche, zij werkte,

naar de opvatting der landzaten, veel te krachtig. Dit moet waar zijn,

wanneer er--gelijk te boek staat--onder Karels regeering 50,000 menschen

om des geloofs wille ter dood zijn gebracht. Intusschen is het zeker,

dat, hoevele duizenden het getal offers der onverdraagzaamheid ook moge

hebben beloopen, wederom het bloed der martelaars het zaad der kerk

werd.

Dit is een schaduwzijde in het anders vrij heldere tafereel van Karels

regeering. Het is niet de eenige. Op velerlei wijze werd het handvest

"de non evocando" geschonden, doordat men de staten buiten hun gewest

riep en, b. v. in gevallen van majesteitsschennis en bij vergrijpen

tegen den godsdienst, de beschuldigden voor andere dan voor hun

natuurlijke rechters daagde. Verder werden aan vreemdelingen ambten

gegeven. Vaak verzetteden zich de staten tegen zulke gewelddadigheden,

doch meestal zonder vrucht. Want Karels grondbeginsel was, dat het

grootste voorrecht van een volk was, geen voorrechten te bezitten. Ook

aan zware beden, die eerder belastingen mochten heeten, ontbrak het niet

en, wat het ergste is, bij weigering werd vaak dwang gebezigd. "Hier,"

zegt een Venetiaansch gezant, "waren de eigenlijke schatten van den

koning van Spanje; hier waren zijn bergwerken, zijn Indië."

Wil men echter billijk zijn, dan behoort men niet te vergeten, dat de

Nederlanden gedurende het bewind van Karel V tot een trap van aanzien

stegen, gelijk zij dien nimmer hadden gekend, en dat de vorst den

grondslag legde van een geregeld bestuur en van een geordende

administratie. Hoe men ook jammerde over het verlies der oude

zelfstandigheid, de slotsom was verademing en voorspoed. Daarom, dewijl

hij gaarne in het land vertoefde, waar zijn wieg had gestaan, en uit

hoofde van zijn minzaamheid was het Nederlandsche volk hem getrouw en

aan hem gehecht. Daarom was het leedwezen des volks oprecht gemeend,

toen Karel afstand deed van het bewind en het aan zijn zoon Philips

opdroeg.

Het voornemen om zijn kronen neer te leggen was sinds lang bij Karel

opgekomen. Geheel ontstemd door het mislukken zijner grootsche

ontwerpen, teleurgesteld in zijn plannen om in al zijn landen een

onbeperkt vorstelijk gezag te vestigen en de eenheid in de Christelijke

kerk te herstellen, terneergebogen onder lichamelijke zwakheid en wegens

de uitputting zijner schatkist de toekomst met zorg te gemoet ziende,

ging hij thans tot de volvoering van het lang gekoesterde voornemen

over. De afstand en de overdracht hadden den 25sten October 1555 te

Brussel in een luisterrijke vergadering plaats. Ook Maria (zie blz. 45)

legde haar waardigheid neder. In 't volgende jaar ging Karel onder zeil

naar Spanje, waar hij in 1558 in het klooster Yuste (in 't n.o. van

Estremad[=u]ra) overleed. Karel liet maar één zoon na, Philips II (III

in Holland en andere Nederlandsche gewesten), en een paar dochters. Van

zijn natuurlijke kinderen zijn één zoon en één dochter zeer vermaard

geworden. De dochter was Margareta, de zoon Don Jan van Oostenrijk.

Onder de vele edelen zijner hofhouding was er niemand, dien hij meer

vertrouwde, dan Willem van Oranje, hoe jong deze prins destijds ook was

(zie beneden, blz. 49).

§ 11.

_De Nederlanden onder Philips II tot de komst van Alva._

Karels opvolger ~PHILIPS~ II (1555-1581), gelijk hij doorgaans wordt

genoemd, was in de Nederlanden geen vreemdeling. Reeds in 1549 had zijn

vader hem hierheen ontboden, om hem aan zijn toekomstige onderdanen voor

te stellen. Die eerste ontmoeting had bij de Nederlanders geen gunstigen

indruk achtergelaten. En de tweede ontmoeting, bij en na Karels

plechtigen afstand, bracht hierin geen verandering teweeg. Philips was

geheelenal een Spanjaard, koel, afgemeten en trotsch. Hij had een afkeer

van het land en van den aard der Nederlanders, en zij van hem, die geen

gemeenzaamheid duldde en geen afdalen kende. Hij verstond noch de taal

des lands, noch sprak een der talen, waarmede de natie vertrouwd was.

Hij achtte de handhaving van den katholieken godsdienst zijn

hoofdplicht. Hiervoor had hij alle krachten van lichaam en ziel veil;

hieraan was een goed deel zijner verbazende, maar kleingeestige

werkzaamheid gewijd. Even onwrikbaar als hij aan de instandhouding van

't koninklijk gezag de hand hield, bleef hij aan den grondregel van al

zijn zeggen en doen getrouw. Die blinde en bijgeloovige gehechtheid aan

de kerk herschiep hem in een dwingeland.

Tot 1559 bleef Philips in de Nederlanden. Toen ging hij. Doch aleer hij

vertrok, regelde hij het bestuur dezer landen. ~Margareta van Parma~

(zie blz. 48) werd landvoogdes. Zij was getrouwd met Octavius Farnese,

hertog van Parma, die evenwel in Italië bleef. De drie boven genoemde

(zie blz. 45) regeeringslichamen stonden haar ter zijde. President van

den raad van financiën, was ~Karel, baron van Barlaimont~ (in 't n. van

Frankrijk, nabij Avennes), van den geheimen raad ~Viglius~ of ~Wigele

van Aytta~ van ~Zuichem~ (ten z. van Leeuwarden), een Fries van afkomst

en een groot rechtsgeleerde, doch die aan groote rechtskennis veel

hebzucht paarde. In den raad van state hadden o. a. zitting: ~Antonius

Perenot~, bisschop van Atrecht, de prins van Oranje, ~Lamoraal, graaf

van Egmond~, later ook de ~Montmorency, graaf van Hoorne~ (ten n. van

Loon, zie blz. 17). Voor Brabant, waar de landvoogdes haar verblijf

hield, werd geen stadhouder benoemd. De stadhouders der overige staten

waren o. a.: Willem van Oranje van Holland, Zeeland en Utrecht; de graaf

van Egmond van Vlaanderen en Artois; Johan van Ligne, graaf van Aremberg

(ten z. van Keulen), van Friesland, Groningen, Drente en Overijsel; de

baron van Barlaimont van Namen. Elke stadhouder was tevens bevelhebber

der krijgsmacht van zijn gewest.

Een enkel woord over Willem van Oranje, weldra den hoofdpersoon van den

tegenstand tegen Philips, en dan over Perenot. In het huis van Nassau

onderscheidde men sedert het midden der 13de eeuw twee liniën. De oudste

bleef in Duitschland. De jongste is die van _Nassau-Dillenburg_. Deze

tak verwierf al vroeg verscheidene bezittingen in de Nederlanden.

Willem, de grondlegger der onafhankelijkheid van Nederland, was een zoon

van Willem den rijke, graaf van Nassau-Dillenburg, geboren in 1533. Rijk

was zijn vader, althans in kinderen. Hij had vijf zonen: Willem, Jan

den oude, Lodewijk, Adolf en Hendrik. Talrijk waren de bezittingen van

zijn zoon Willem op Nederlandschen bodem. Bovendien erfde hij van zijn

neef Réné het prinsdom Oranje.

Antonius Perenot was een schrander en werkzaam staatsman, die zijn

opkomst aan zichzelf had te danken. Hij was in Franche-Comté geboren,

dat een deel had uitgemaakt van de erfgoederen van Maria, de dochter van

Karel den stoute. Reeds dit nam de edelen tegen hem in, die, trotsch op

hun geboorte, op hem, den vreemdeling, neerzagen. Doch voor een

vreemdeling kon men hem eigenlijk moeilijk laten doorgaan. Was hij het,

dan moest ook Willem als zoodanig worden aangemerkt, en in allen gevalle

kon men dit bezwaar niet met recht aanvoeren tegen leden van den raad

van state. Weldra verweet men hem met meer grond zijn heerschzucht,

alsmede de minachting, die hij jegens zijn medeleden in den raad van

state aan den dag legde. Tegen hem wendden zich toen allen, die een

afkeer hadden van de regeering in Spaanschen zin, die Philips aan de

natie wilde opdringen.

Ternauwernood was Philips in zee gestoken, of de Nederlandsche

onderdanen hadden reeds menige grieve tegen hun heer. Zonder op den

geest des tijds te letten, schreef hij een gestrenge uitvoering der

plakkaten voor. Bij den afkeer, dien de Nederlanders en de Spanjaarden

wederkeerig van elkander hadden, was het verlies van den hoogen rang,

dien de Nederlandsche adel onder de beide vorige regeeringen had

bekleed, dubbel onverdragelijk. Hierbij kwam de verbittering over de

voortdurende aanwezigheid van 3 à 4000 man vreemde troepen, die, zooals

het heette, ter bescherming van de grenzen moesten strekken. Bovenal

vreesde men de verwezenlijking van een van Philips' geliefkoosde

plannen, van dat der bisdommen. Tot dusverre was in Nederland geen

aartsbisschoppelijke stoel geweest, doordien het geringe en onregelmatig

verdeelde getal bisdommen onder vreemde aartsbisschoppen stond. Het ligt

voor de hand, dat hieruit groote ongelegenheden ontstonden. De

overwegende reden echter, waarom Philips de zaak der bisdommen wenschte

te regelen, was de vermenigvuldiging der ketters. Voortdurend won de

afkeer veld van een kerk, die, hoewel zelve geen bloed begeerende,

duizenden door den wereldlijken armen liet ombrengen. Wellicht--meende

Philips--kon nauw toezicht, leering en vermaning de zielen voor afval

van de kerk behoeden of van den afval terugbrengen.

In 1559 vaardigde paus ~Paulus~ IV de bul, houdende de bepalingen

omtrent de bisdommen, uit. De zaak zelve begon evenwel niet vóór 1561

werkelijkheid te worden, en met sommige zetels duurde het tot 1570, eer

zij werden bezet. In 't geheel werden er 18 bisschopszetels opgericht,

n.l. 3 aartsbisdommen (elke aartsbisschop was tevens bisschop van die

streek, waarin zijn hoofdkerk lag,) en 15 bisdommen. Perenot of

~Granvelle~, tevens tot kardinaal benoemd, werd aartsbisschop van

Mechelen. Onder hen, die zich tegen de nieuwe bisdommen verzetteden,

waren ook de prins van Oranje en Egmond, die met vele anderen de dwaling

deelden, dat Granvelle een van hen was, die den maatregel bevorderden.

Thans weet men zeker, dat deze meening onjuist was. Maar ook andere

bezwaren hadden Willem en vele edelen tegen den bisschop. Hij was de

ziel van de regeering. Gelijk er veel buiten hen omging, zoo geschiedde

er niets zonder hem, en Viglius liet zich geheel door hem leiden. Dit

mishaagde hun zoozeer, dat, hoewel de vreemde troepen in 1560 werden

verwijderd, er geen betere verstandhouding tusschen Granvelle en de

genoemde edelen ontstond. Weldra weigerden Willem, Egmond en Hoorne in

den raad van state zitting te nemen, zoolang Granvelle er kwam, die alle

belangrijke aangelegenheden aan de kennis van dien raad onttrok. Van

jaar tot jaar werd het standpunt van den kardinaal onhoudbaarder. Het

regende schotschriften tegen hem, en de edelen vervolgden hem met

bitteren spot. Ook Margareta, die ten laatste begon in te zien, hoe

weinig gezag zijzelve in vergelijking met hem had, wilde wel van hem

worden ontslagen. Zoo kwam in 1564 tot Granvelle een bevel van Philips,

om het land te verlaten, waaraan hij onmiddellijk voldeed.

Na Granvelle's vertrek namen Willem, Egmond en Hoorne weder zitting in

den raad van state. Wegens de overige moeielijkheden werd Egmond in 1565

naar Spanje gezonden. Die zending bracht geen verandering of wijziging

teweeg. Egmond werd luisterrijk ontvangen; doch Philips' voorschriften

bleven dezelfde. Langzamerhand ging intusschen de geest van tegenstand

van de eerste edelen op die van den tweeden rang over, om later door het

volk te worden gedeeld. Zoo ontstond in 1565 _het compromissum_

(gemeenschappelijke belofte) of het verbond der edelen, aan 't hoofd

waarvan ~Lodewijk van Nassau~, Willems broeder, stond met ~Hendrik van

Brederode~, een onstuimig man, die een woest leven leidde en slechts

naar opwellingen, niet naar beginselen handelde. Het doel was, de

invoering der inquisitie op elke wijze tegen te gaan. Niet alleen

edelen, maar ook burgers teekenden het; niet alleen Lutherschen en

Calvinisten, maar ook Roomsch-katholieken traden toe.

Schier de eenige daad van deze eedgenooten was de stap, dien zij den

5den April 1566 te Brussel deden. Toen boden zij in plechtigen optocht,

ten getale van drie of vier honderd, de landvoogdes een verzoekschrift

aan ter matiging van de plakkaten. Naar alle waarschijnlijkheid deed het

woord van Barlaimont (zie blz. 49), toen tot de landvoogdes gericht, hun

den naam _geuzen_ (_gueux_, bedelaars) geven. Niet zonder grond--men kan

het niet verbloemen--werd die benaming op vele dier edelen toegepast. De

schulden, waaronder zij ten gevolge hunner verkwistende levenswijze en

van hun veelvuldige drinkgelagen gebukt gingen, rechtvaardigden ze maar

al te zeer. Zelven namen de edelen dien naam volgaarne aan en droegen

tevens de zinnebeelden der bedelaars. Margareta antwoordde weldra. Zij

beloofde, een gezant naar Spanje te zullen zenden en eenige _moderatie_

of matiging in de uitvoering der plakkaten te zullen brengen, die

evenwel zoo weinig in 't oog viel, dat het volk ze weldra _moorderatie_

noemde. Terwijl ~Jan van Glimes, markies van Bergen~ (d. i. Bergen op

Zoom), en Hoorne's broeder, ~Floris van Montmorency, baron van

Montigny~, nu als gezanten naar Philips vertrokken, kwam het prediken

van 't Evangelie in 't open veld, niet meer des nachts, maar bij helder

daglicht alom in zwang. Duizenden, op de beloofde matiging vertrouwende

of hun overtuiging niet langer willende bedwingen, woonden de

predikatiën, _hagepreeken_ genoemd, bij.

Op het houden van openbare godsdienstoefeningen volgde in 1566 de

kortstondige razernij, bekend onder den naam van _beeldenstorm_. Zooals

men het veelal heeft opgevat, was hij een uitbarsting van de dweepzucht

der hervormden, die niet aan een wèl beraamd plan, doch aan plotseling

opkomende hartstochtelijkheid was toe te schrijven. Vele kerken van

Antwerpen, Vlaanderen, Holland, Zeeland, Groningen, enz. werden erdoor

verwoest en van al haar schatten beroofd. Philips ontstak, op het hooren

der mare, zoozeer in drift, dat hij een duren eed zwoer, het misdrijf

niet ongewroken te zullen laten. Het drietal Oranje, Egmond en Hoorne,

baatte het niet, gelijk weldra zal blijken, dat zij de landvoogdes in

deze moeielijke dagen getrouw ter zijde stonden en hen, die schuldig of

medeplichtig waren aan den beeldenstorm, ijverig vervolgden.

Beknopte geschiedenis van het vaderland · 第 4 / 24 段