De jaren van Philips' regeering zijn een van de merkwaardigste

tijdperken der geschiedenis, zoowel wat zijn eigen daden betreft, als

ten opzichte van de wereldgeschiedenis in 't algemeen. Tot die daden des

vorsten behoort nog de instelling in 1430 van _de orde van het gulden

vlies_. Het doel der instelling was, de edelen, wier ridderlijke

dapperheid hij hoog waardeerde, ter bescherming van de kerk, nader onder

elkander en aan zijn persoon te verbinden. Hijzelf was er het hoofd van.

Geen der leden kon voor een andere rechtbank, dan voor die der orde,

worden gedaagd. Het zinnebeeld der orde was het "lam Gods", dat de

ridders aan een keten om den hals droegen.

Merkwaardig is de tijd van Philips' regeering. Immers in die jaren

vallen de verovering van Constantinopel door de Turken, de invoering

der vuurwapens bij de legers, waardoor aan het overwicht der edelen

weder een gevoelige schok werd toegebracht, en de uitvinding der

boekdrukkunst. De eer dezer uitvinding komt òf aan Laurens Janszoon

Coster van Haarlem, òf, wat met meer recht schijnt te worden beweerd,

aan Johan Guttenberg toe, die ongeveer 1455 te Maints leefde. De

Nederlandsche gewesten dreven veel handel; hun zeevaart was belangrijk.

Vlaanderen en Brabant waren beroemd door hun lakenfabrieken. De

zetel van den handel in hout, vee, paarden en koren met de Oostzee

en het Noorden van Europa was in Holland. Vele steden waren leden

van het hanzeverbond. Een andere en rijke tak van bestaan was de

haringvisscherij, die evenwel haar toppunt nog niet had bereikt. Willem

Beukelszoon van Biervliet (in Staats-Vlaanderen), overleden in 1397, had

het kaken en zouten van dien visch, die eertijds alleen versch werd

gegeten, uitgevonden. De schepen, waarmede men ter haringvangst voer,

heetten en heeten nog _buizen_. Aan 's volks tevredenheid over dien

bloei is Philips' bijnaam toe te schrijven. Het volk noemde den vorst

"den goede", die hun, in plaats van de lange regeeringloosheid en den

burgeroorlog, wederom de weldaden van den vrede, de veiligheid en het

recht deed kennen. Op die wijze betoonde het zijn dankbaarheid aan

Philips, die, zijn eigen belang met dat zijner staten vereenzelvigende,

de goede dagen van Willem III deed terugkeeren. Intusschen valt het niet

te ontkennen, dat die bijnaam hem geenszins wegens overgroote goedheid

van aard toekomt, daar menige harde daad tegen hem getuigt.

Philips liet, bij zijn dood in 1467, een welvoorziene schatkist aan zijn

zoon, ~KAREL DEN STOUTE~ (1467-1477), na. Deze graaf nam, met het oog op

het stelsel van zijn huis, twee gewichtige maatregelen. Vooreerst

vestigde hij in 1474 _den grooten raad te Mechelen_ (zooals hij van nu

af doorgaans heet). Verder richtte hij in 1471, op het voorbeeld van

Karel VII, koning van Frankrijk (_Overzicht_, 9de druk, blz. 91), een

staand leger ruiterij op. Tot de vermeerdering der erflanden van zijn

huis legde hij den grond door in 1471 een verdrag te sluiten met ~Arnoud

van Egmond~, hertog van Gelderland. Bij dit verdrag verpandde Arnoud hem

zijn hertogdom voor een som van 300,000 gl., hem tevens tot erfgenaam

benoemende. Maar de Gelderschen wilden Karel niet tot hertog hebben.

Zóó brak er een oorlog uit, die meer dan een halve eeuw duurde.

Gedurende zijn gansche regeering was er één hoofddenkbeeld, dat Karel

beheerschte: de hoed, dien hij als hertog droeg, moest met een

koningskroon worden verwisseld; de landen, die tusschen de

Middellandsche Zee en de Noordzee, tusschen Frankrijk en Duitschland

lagen, moesten onder zijn schepter worden vereenigd. Toen zijn plan om

in overleg met keizer Frederik III dit doel te bereiken was mislukt,

doordien de keizer in 1473 de stad Trier, waar men ter beraadslaging was

bijeengekomen, snel weder verliet, besloot hij met geweld op te treden.

Maar hij sneuvelde in 1477 bij ~Nancy~ (aan de Moezel, ten z. van Metz)

in een slag tegen Réné, hertog van Lotharingen.

Zonder één zijner ontwerpen verwezenlijkt te zien, scheidde Karel uit

het leven, al zijn landen in een ongelukkigen toestand aan zijn dochter

~MARIA~ (1477-1482) nalatende. Lodewijk XI verklaarde al wat leen was

der Fransche kroon voor vervallen: Bourgondië werd vermeesterd, Artois

en Picardië, zelfs Franche-Comté, aangetast, Vlaanderen bedreigd. In de

Nederlanden zelven wilde men vóór alles waarborgen voor 't behoud der

nationaliteit tegen Fransche overheersching, vóór alles herstel der

geschonden privilegiën. Het gevolg was _het groot-privilegie_, dat

Holland en Zeeland bedongen, aleer zij zich tot eenige opoffering ten

behoeve van Maria verplichtten. In dit stuk stond de gravin een deel

harer macht aan de staten af. Soortgelijke handvesten, als het

groot-privilegie, werden ook aan andere gewesten, inzonderheid aan

Vlaanderen, toegestaan. Terstond trad ~Maximiliaan~, een zoon van

Frederik III, die nog in 1477 Maria's echtgenoot werd, tegen Lodewijk XI

in het strijdperk. Doch eerst in 1493 gaf de koning van Frankrijk

Franche-Comté en Artois, op eenige steden na, terug. Zich gedurende den

strijd tegen Frankrijk van den bijstand zijner onderdanen willende

verzekeren, sloot Maximiliaan zich nauwer bij de Kabeljauwschen aan. In

1482 overleed Maria, en Maximiliaan aanvaardde de voogdij voor zijn

minderjarigen zoon Philips II of den schoone.

§ 7.

_Holland en Zeeland onder de eerste graven uit het Oostenrijksche huis._

De tijd van 't regentschap was zeer onstuimig en baarde Maximiliaan vele

zorgen. In 1488 stonden de bewoners van Gent en Brugge op, rekenschap

eischende van de opgebrachte gelden. Maximiliaan zelf, op dat tijdstip

te Brugge vertoevende, werd met vele heeren van zijn gevolg gevangen

genomen en in de woning van een bijzonder persoon in hechtenis gehouden.

Sommige dier heeren werden gepijnigd, andere gedood, en Maximiliaan

eerst na maanden ontslagen. Andere moeielijkheden had hij in Holland te

bestrijden. De gunsten, door hem aan de Kabeljauwschen bewezen, riepen

de partijschappen weder in 't leven. Onder de veelvuldige voorvallen van

den vernieuwden strijd blijft bovenal de belegering van den toren te

Barneveld (op de Veluwe) in 1482 in aller herinnering leven, niet

zoozeer uit hoofde van het gewicht der zaak zelve, als wel om de

wreedheid der Hoekschen en de zelfopoffering van den held van 't

verhaal, ~Jan van Schaffelaar~, die erbij omkwam. In 1492 eindigde

zoowel het oproer van _het kaas-_ en _broodvolk_, d. i. van hen, die,

wegens den druk der belastingen, in Noord-Holland waren opgestaan, als

de strijd der Hoekschen en Kabeljauwschen. De zege viel de

laatstgenoemde partij ten deel.

In 1493 werd Maximiliaan koning van Duitschland. In 't volgende jaar

aanvaardde ~PHILIPS~ II, ~DE SCHOONE~ (1494-1506)--aldus om zijn

lichamelijke schoonheid geheeten--het hertogelijk, grafelijk en heerlijk

bewind over de verschillende Zuid- en Noord-Nederlandsche staten.

Zijn eerste daad, als vorst dier landen, was gericht tegen het

groot-privilegie. Bij zijn huldiging verklaarde hij de privilegiën,

geschonken na den dood van Karel den stoute, met goedvinden der staten

zelven, plotseling vernietigd. In 1496 trouwde Philips met ~Johanna~,

tweede dochter van Ferdinand II den katholieke, koning van Arragon, en

van Isabella, koningin van Castilië. Dit huwelijk opende hem het

uitzicht, eens den Spaanschen troon te zullen beklimmen. In 1504 ging

hij naar Spanje, omdat Isabella was overleden en de krankzinnigheid

zijner gemalin haar belette, de kroon van Castilië te dragen. Weldra

aanvaardde hij het bewind over dit rijk; maar nog in 't zelfde jaar,

1506, stierf hij plotseling. Alzoo moest Maximiliaan voor de tweede maal

het regentschap over de Nederlandsche staten op zich nemen. Hij, voor

wien Maximiliaan de teugels der regeering in handen nam, was de zoon van

Philips en van Johanna, Karel, in 1500 te Gent geboren.

In 1515 aanvaardde Karel, die in Duitschland de vijfde, in Spanje de

eerste, in Holland en elders de tweede, enz. vorst van dien naam is en

steeds ~KAREL~ V wordt genoemd, het bewind over de Nederlandsche staten.

Weldra zag hij het aantal der landen, waarover hij den schepter voerde,

toenemen. In 1516 volgde hij zijn grootvader Ferdinand in Arragon op en

werd aldus koning van geheel Spanje. In 1519 werd hij keizer van

Duitschland. Wat de Nederlanden betreft, in 1515 verkocht George van

Saksen, een zoon van Albrecht (zie blz. 41), hem zijn rechten op

Friesland voor 350,000 gl., terwijl de Friezen zelven hem in 1524 als

heer erkenden. In 1528 stond de bisschop van Utrecht, ~Hendrik van

Beieren~, hem de wereldlijke macht af over Utrecht en Overijsel. In 1536

erkende Groningen Karel als heer des lands en stond Karel van Gelder hem

de heerschappij over Drente af. De laatste der Nederlandsche staten,

waarmede dit voorbeeld werd gevolgd, was Gelderland, dat ~Willem van

Gulik~ en ~Kleef~, een neef en opvolger van Karel van Gelder, door

wapengeweld gedwongen, in 1543 aan Karel V moest afstaan. Zoo werd eerst

Karel heer van de zeventien gewesten. Het waren vier hertogdommen:

Brabant, Limburg, Luxemburg en Gelder; zeven graafschappen: Vlaanderen,

Artois, Henegouwen, Holland, Zeeland, Namen en Zutfen; het

markgraafschap Antwerpen; vijf heerlijkheden: Friesland, Mechelen,

Utrecht, Overijsel, Groningen met de Ommelanden.

§ 8.

_Overzicht der geschiedenis van Gelderland gedurende de Middeleeuwen._

Thans moet, ten opzichte van Gelderland, Utrecht en de overige gewesten,

eenigszins in bijzonderheden worden aangetoond, wat boven (blz. 13 vlg.)

in algemeene trekken is ternedergesteld. Met de samensmelting van

verschillende kleine heerschappijen tot één samenhangend geheel ging het

ook hier langzaam. Buiten de streken, die hij reeds bezat, trok de graaf

van Gelderland allengs verschillende alodiën van edelen aan zich, om ze

als leenen weder te geven. Gelijk de macht van den graaf van Holland,

groeide die van den graaf van Gelderland met de jaren aan: de

afhankelijkheid van den keizer werd steeds minder. Had de graaf zich

reeds in de 13de eeuw eenige rechten der kroon toegeëigend, het volle

gezag als landsheer verwierf hij in al zijn uitgestrektheid in 1339.

Toen immers benoemde Lodewijk van Beieren ~REINALD~ II of ~DEN ZWARTE~

(zie blz. 12) tot hertog, destijds een zeldzame verheffing. Insgelijks

nam de macht des graven tegenover de edelen voortdurend toe. Van

onafhankelijke en met hem gelijkstaande edelen werden zij langzamerhand

zijn leenmannen, traden in zijn dienst en stonden hem bij het beheer des

lands ter zijde. Later moesten zij een gelijke mate rechten, als zij

genoten, zien toekennen aan de steden, sinds zij als gemeenten optraden.

Invloed op den gang der zaken, in den eigenlijken zin, oefenden de

steden, vereenigd met de edelen, eerst sedert 1418, toen zij met hen een

verbond sloten, ten einde bij 's lands hachelijken toestand maatregelen

van voorziening te nemen. Van nu af waren ridderschap en steden tot één

lichaam van landsstenden--de naam _staten_ kwam eerst in 1477 in

zwang--samengegroeid. Op eigen gezag bijeenkomsten houdende, verwierven

en behielden alzoo de staten van Gelderland een voorrecht, dat elders de

landsheer zich placht voor te behouden. Inzonderheid woog de stem der

hoofdsteden zwaar.

Dit waren Nijmegen, Roermond, Zutfen en Arnhem, hoofdsteden der vier

eveneens genoemde kwartieren, waarin Gelderland was verdeeld. Ieder

kwartier had zijn bijzonderen landdag en werd in vele opzichten als een

afzonderlijke staat aangemerkt. Maar een enkele maal werd er een

vergadering van de staten der vier kwartieren gehouden. Die staten

werden vertegenwoordigd door _de bannerheeren_, de ridderschap of edelen

en de steden. De bannerheeren, die alle in het graafschap Zutfen

woonden, droegen dien naam, dewijl zij of hun voorvaderen van den keizer

het recht hadden verworven, onder hun eigen banier te dienen.

De stamhuizen, die over Gelderland het bewind hebben gevoerd, zijn

_Gelder_, Gulik en Egmond. Een der graven van het eerste huis is Reinald

II de zwarte, die in 1339 de hertogelijke waardigheid verwierf. Na zijn

dood in 1343 volgde zijn oudste zoon ~REINALD~ III hem op. Welhaast

geraakte hij in geschil met zijn jongeren broeder Eduard, die een deel

eischte van de goederen, door hun vader nagelaten. Te dier tijd bestond

er tevens vijandschap tusschen twee machtige geslachten, dat van

Bronkhorst (tusschen Zutfen en Doesburg) en dat van de Eese of van

Hekeren. De heeren van het laatstgenoemde geslacht droegen hun naam naar

de ridderhofstede _de Eese_ (bij de Berkel, ten w. van Lochem) of naar

een andere aanzienlijke bezitting, wellicht naar _Heker_ (nabij Doesburg

gelegen).

De geschillen tusschen deze beide huizen ontaardden allengs in

partijschappen, die der _Hekerens_ en der _Bronkhorsten_, waarin ook de

steden deelden, vooral sedert Reinald de zijde der eersten koos, waarop

de Bronkhorsten zich bij Eduard aansloten. De strijd werd met wisselende

kans gevoerd tot 1361, toen Eduard den slag bij ~Tiel~ won en zijn

broeder gevangen nam. Nu eischte Eduard de waardigheid van hertog voor

zich. Reinald, aan die vordering voldoende, deed afstand van zijn titel

en rechten ten behoeve van Eduard. Tien jaren lang regeerde ~EDUARD~ als

hertog. Toen werd Reinald III weder op den hertogelijken zetel

geplaatst. Bij zijn langdurige gevangenschap, in de laatste jaren op het

huis Nijenbeek (tusschen Deventer en Zutfen, ten o. van Apeldoorn), werd

hij, naar de overlevering luidt, zoo dik, dat hij zonder slot of grendel

kon worden bewaard en men, bij zijn bevrijding, den muur van zijn

vertrek moest doorbreken, om hem er uit te krijgen. Niet bestand tegen

de veranderde levenswijze, welke de plotselinge omkeering in 's

hertogen lot medebracht, stierf hij nog in 't zelfde jaar kinderloos.

In 1372 kwam _het huis Gulik_ in 't bezit der heerschappij. De eerste

hertog hieruit was ~WILLEM~ I, later tevens hertog van Gulik; de laatste

zijn broeder ~REINALD~ IV. Evenals zijn broeder liet hij, bij zijn dood

in 1423, geen wettig kroost na. Het vooruitzicht op dit kinderloos

overlijden, gevoegd bij de uitputting des lands, gaf aanleiding tot de

bijeenkomst der landsstenden in 1418, waarvan boven is gewaagd. Weldra

erkenden zij in 1423 ~ARNOLD~, een zusters kleinzoon van Reinald IV, uit

_het huis Egmond_ (nabij Alkmaar), als hertog van Gelderland. Nog niet

lang had hij de teugels van 't bewind in handen, of zijn onderdanen

brachten allerlei grieven tegen hem in. Zij betroffen de nuttelooze

oorlogen, door hem gevoerd, en de zware kosten zijner hofhouding. Groot

was de last der schulden, waaronder de hertog steeds dieper gebukt ging.

Ten laatste stelde 's hertogs zoon, ~ADOLF~, gesteund door 's hertogen

gemalin, ~Katharina van Kleef~, zich aan 't hoofd der misnoegden. Den

9den Januari 1465 liet hij, te midden van den nacht, gedurende den

fellen winter van dat jaar, zijn vader van het slot te Grave oplichten,

naar Buren (ten n.w. van Tiel) overbrengen en dáár nauw bewaken.

Terstond hierop matigde hij zich den titel en de rechten van hertog aan.

Niet lang duurde het, of Karel de stoute wierp zich als middelaar

tusschen vader en zoon op. Hij liet Adolf in 1471 gevangen zetten en nam

Gelder en Zutfen voor 300,000 gl. van Arnold in pand, die kort hierop,

in 1473, stierf. De Gelderschen beschouwden deze verpanding van den

beginne aan als onrechtmatig en krachteloos. Daarom gaf die verpanding

het sein tot een oorlog van de Gelderschen tegen het huis van Bourgondië

en dat van Oostenrijk, die, met korte tusschenpoozen, gedurende meer dan

een halve eeuw werd gevoerd. Het begin van den oorlog was gunstig voor

Karel. Reeds op 't einde van 1473 was hij meester van het hertogdom.

Zwaar drukte de last der Bourgondische heerschappij op de Gelderschen.

De stenden verloren het recht, zichzelven ter dagvaart te beschrijven.

In 1477 gaf ook aan Gelderland de val van Karel den stoute eenige

verademing. Doch ook Adolf stierf in 't zelfde jaar.

In 1492 plaatste Adolfs zoon ~KAREL~ zich aan 't hoofd der Gelderschen,

ten einde den kamp tegen het Oostenrijksche huis te hervatten. De

fortuin was hem, hoewel niet in den aanvang, gunstig. In 1513 had hij

schier zijn gansche hertogdom heroverd. Doch nieuwe moeilijkheden baarde

hem de komst aan 't bewind van Karel V. Overal, waar Karel zijn

heerschappij trachtte te vestigen, niet alleen in Engeland, maar ook in

Utrecht, Friesland, Groningen, Drente en Overijsel stiet hij op den

hertog van Gelder (zie beneden blz. 41, 42). Karel van Gelder vond een

krachtigen steun in ~Maarten van Rossum~ (ten o. van Zalt-Bommel, nabij

de Waal), een veldheer, die tot zinspreuk had, "branden en blaken is het

sieraad van den oorlog." Hem was het niet te wijten, dat zijn heer meer

en meer in 't nauw werd gebracht door Karel V. Trapsgewijze moest de

hertog van Gelderland voor den keizer wijken. Toen hij in 1538 stierf,

kon hij vooruitzien, dat zijn opvolger, Willem van Gulik en Kleef,

binnen kort zou worden gedrongen, Gelderland aan Karel V af te staan.

Dit geschiedde in 1543.

§ 9.

_Overzicht der geschiedenis van Utrecht, Overijsel, Drente, Friesland en

Groningen gedurende de Middeleeuwen._

De vroomheid der vorsten en heeren, die zich in de Middeleeuwen niet

zelden openbaarde in 't schenken van goederen of gronden aan kerken,

kloosters, abdijen, enz., kwam vooral, gelijk boven (zie blz. 12) is

opgemerkt, te goede aan het bisdom Utrecht. Langzamerhand groeide de

omvang van het Sticht en daarmede de wereldlijke macht van den bisschop

aan. Die wereldlijke macht des bisschops werd zeer beperkt door de

kanoniken der vijf kapittels, van welke boven (zie blz. 12) is

gesproken. Zonder de toestemming dier kanoniken mocht de bisschop geen

gebied van 't Sticht vervreemden, noch oorlog voeren of vrede sluiten,

gelijk hij ook in het kerkelijke aan hun gevoelen gebonden was. Sedert

hij in zijn oorlogen hoe langer hoe meer den bijstand der edelen en

steden behoefde, begonnen ook zij invloed op 's lands regeering te

krijgen. Zoo werd de grond gelegd tot de vergadering der staten van

Utrecht, die sinds het laatst der 15de eeuw werden beschreven. Het

eerste lid dier staten waren _de geëligeerden_, d. i. zij, die uit de

vijf kapittels werden gekozen; het tweede de edelen, die ridderhofsteden

bezaten; het derde de stad Utrecht, en wellicht mede de kleinere steden.

De naam Overijsel kwam eerst in de laatste helft der 15de eeuw op. Vóór

dien tijd werd dit gewest niet als één staat aangemerkt, maar als een

aantal van elkander onafhankelijke heerlijkheden. Reeds vroeg, immers

sedert de 14de eeuw, werd de macht van den bisschop beperkt door den

landdag, d. i. door de ridders en de groote steden Deventer, Kampen en

Zwol. In Drente oefende _de kastelein_ (kasteelman) of _burggraaf van

Koevorden_, in naam van den bisschop, het oppergezag. Hetgeen elders

dagvaart of vergadering der staten werd genoemd heette hier _de

landdag_. Op dien landdag verschenen de ridders, die elk een der

achttien havezaten (kasteelen) moesten bezitten, en _de eigenerfden_.

Groot was de macht, die de bisschop hier te lande in de Middeleeuwen

bezat. Hij had de geestelijke rechtspraak en kon boetedoeningen van

vernederenden aard opleggen. De streek lands, waarover hij wereldlijk

gezag had, was veel grooter dan het graafschap Holland of Gelderland.

Maar dewijl het bisdom gelegen was tusschen Holland en Gelderland (zie

ook boven blz. 16), was de bisschop onophoudelijk in geschillen

gewikkeld met een dezer staten. Dit verzwakte zijn macht zoozeer, dat

~HENDRIK VAN BEIEREN~ zich verplicht zag, zijn wereldlijke macht over

Utrecht in 1528 aan Karel V af te staan. In 't zelfde jaar erkenden de

staten van Overijsel Karel V als heer. De bisschop hechtte zijn zegel

aan deze overdracht van het Oversticht. Eveneens kwam Drente in 1536 aan

Karel V.

Boven (zie blz. 15, 16) is den lezer medegedeeld, dat de koningen van

Duitschland Friesland nu eens aan den graaf van Holland, dan weder aan

den bisschop van Utrecht of den hertog van Gelderland schonken. Maar de

Friezen bekommerden zich, gelijk wij nu en dan gelegenheid hadden te

bespeuren, weinig om dit weggeven van hun land. Moesten de West-Friezen

zich aan Floris V onderwerpen, de overigen schikten zich slechts

tijdelijk in dit lot en wierpen het juk van den graaf van Holland af,

zoodra hij met het meerendeel zijner troepen uit hun land was geweken.

Twee eeuwen lang sproten voor de Friezen vele onheilen voort uit de

geschillen der Schieringers en Vetkoopers. Zij namen tegen het einde der

13de eeuw een begin. _De Vetkoopers_ (d. i. handelaars in vette waren)

ontleenden, naar men wil, hun naam hieraan, dat zij, de beste weilanden

bezittende, den grootsten handel dreven in vette koeien, terwijl _de

Schieringers_, waarschijnlijk (van _schier_, kaal) aldus werden genoemd

uit hoofde van hun armoede en hun berooiden toestand, die zoo schril

afstaken bij den rijkdom en de overdaad der Vetkoopers. Eindeloos waren

hun verdeeldheden, en slechts dan, wanneer er gevaar van buiten dreigde,

stonden zij als één man pal tegenover de vijand. Met de verwoestingen

van den burgeroorlog paarden zich die van de overstroomingen. Het is

schier ongelooflijk, hoevele watervloeden in de Friesche gedenkschriften

zijn geboekt.

Door zoo velerlei onheilen overmand, moesten ook de Friezen ten laatste

voor vreemd geweld bukken. Maximiliaans krijgsoverste, ~Albrecht~,

regeerend ~hertog van Saksen-Meiszen~, was in 1498 zijn schuldeischer

voor groote geldsommen wegens achterstallige soldij van 't krijgsvolk.

Hij verpandde hem alzoo Friesland voor 300,000 gl. en bevestigde hem in

_het erfpotestaatschap_ over dat land, hem door de Schieringers

aangeboden. Hij mocht dan zien, hoe hij het vermeesterde. Albrecht

slaagde in die taak. Hij stierf in 1500. Spoedig werden de Friezen zijn

zonen, ~Hendrik~ en ~George~, die elkander in 't bestuur opvolgden,

moede en riepen in 1509 ~Karel, hertog van Gelderland~, in het land.

Daarom sloot George in 1515 een overeenkomst met Karel V, van wiens

voorzaat zijn vader Friesland in pand had gekregen, waarbij hij hem dit

land voor 350,000 gl. overgaf. Zoo stond ook hier Karel V tegenover

Karel van Egmond. Groote diensten bewees den hertog van Gelderland de

onversaagde Friesche zeeroover ~Groote Pier~, die, sedert de Saksische

krijgslieden zijn huis te Kimswerd (ten z. van Harlingen) in de asch

hadden gelegd, zonder mededoogen elken buitenlandschen bespringer van

zijn land in zee wierp, om "hem de voeten te spoelen." Eerst in 1524 kon

Karel V zich "heer van Friesland" noemen.

Groningen was bestemd om in het lot van Friesland te deelen. Hoe langer

hoe minder gold in dit gewest, als 't verst verwijderd zijnde van zijn

zetel, het gezag van den bisschop van Utrecht. Eensdeels door den strijd

hierover, anderdeels door dien met de Ommelanden en vermits de

verdeeldheden der Schieringers en Vetkoopers ook hier haar werking deden

gevoelen, verzwakte Groningens kracht. Dus kon ~Albrecht van

Saksen-Meiszen~, in 1499 door Maximiliaan tot heer van dit gewest

benoemd, een poging wagen om het te vermeesteren. Doch de heerschappij

der Saksen was hier van even korten duur als die van ~Karel van Egmond~,

die er eveneens zijn gezag trachtte te vestigen. Eindelijk ziende, dat

ook Karel van Egmond hen niet op voldoende wijze tegen Karel V konde

beschermen, boden de Groningers dezen vorst in 1536 de opperheerschappij

aan. Karel V nam het aanbod aan.

Tusschen de landdagen in Friesland en die van andere gewesten bestond

een groot verschil. De landsvergadering van Friesland berustte niet,

gelijk elders, op een vertegenwoordiging der standen, maar van

landschappen. Zij was samengesteld uit de afgevaardigden van Oostergo,

Westergo en Zevenwouden. Deze algemeene landdag besliste over 's lands

hoogste belangen, over vrede en oorlog, enz. Bij zware onlusten echter,

hoedanige Friesland zoovele beleefde, verliepen er dikwijls jaren, dat

geen algemeene landdag werd gehouden en dat er slechts afzonderlijke

vergaderingen bijeenkwamen der vertegenwoordigers van het eene of andere

gedeelte van Friesland. Aan het hoofd der gemeenten in Friesland stonden

_grietmannen_, welke naam wordt afgeleid van een oud-Friesch werkwoord,

dat "aanklagen, in rechten vervolgen" beteekent.

Beknopte geschiedenis van het vaderland · 第 3 / 24 段