Weldra ondervond Floris, wat de vijandschap der edelen vermocht. Op den

dag, waarop hij als middelaar een verzoening had teweeg gebracht van de

heeren van Amstel en Woerden met de verwanten van den heer van Zuilen,

een leenman van het Sticht, vielen de samengezworenen, in de nabijheid

van Utrecht, op Floris aan, namen hem gevangen en voerden hem naar

Muiden, om hem vandaar naar Engeland in te schepen. Intusschen kwamen

de Kennemers, de Waterlanders, de West-Friezen en de Gooilanders op de

been, legerden zich voor Muiden en eischten, dat men hun den graaf

overleverde. In plaats van aan deze vordering gehoor te geven, zetteden

de edelen Floris te paard en trachtten hem, langs een omweg vliedende,

naar Brabant of Vlaanderen te vervoeren. Doch ternauwernood hadden zij

een eind weegs afgelegd, of zij stieten op een schaar Gooilanders, die

denzelfden eisch als kort tevoren deden. Vreezende voor de overmacht te

moeten bukken, pleegden thans de edelen, Floris om hals brengende, de

misdaad, die zij niet van plan waren geweest te bedrijven. Der keerlen

God viel als het offer hunner wraak in 1296. Let men op de gevolgen, dan

voorzeker zijn 's graven handelingen zeer te prijzen; maar van het

standpunt van 't recht beschouwd, zijn zij van willekeur niet vrij te

pleiten. Eenige van de moordenaars vielen in handen van de West-Friezen

en Kennemers en werden door hen gedood; anderen werden door den

scherprechter ter dood gebracht; nog anderen, met name de heeren van

Amstel, Woerden en Velzen, ontvluchtten het zwaard der gerechtigheid.

In 1297 volgde Floris' zoon ~JAN~ hem op. ~Wolfert~ van ~Borselen~ (op

Zuid-Beveland), heer van Veere, werd aan het hoofd der regeering

geplaatst, maar in 1299, bij een oploop van 't volk, te Delft van 't

leven beroofd. Door dit onheil van zijn leidsman verstoken, wierp Jan

zich in de armen van zijn neef, ~Jan van Avennes~ (ten z. van Bergen,

destijds in Henegouwen, thans in Frankrijk), graaf van Henegouwen, wien

hij het bewind voor vier jaren opdroeg. Doch reeds in 't eerste jaar van

dit regentschap, nog in 1299, stierf Jan I.

§ 5.

_Holland en Zeeland onder de graven uit het Henegouwsche en het

Beiersche huis._

Jan van Avennes, nu ~JAN~ II, alzoo in 't bezit van drie graafschappen

zijnde, liet zich, evenals zijn opvolgers, in één of meer dier

graafschappen vervangen door plaatsbekleders, _stad-_ of _stedehouders_

genoemd. Gedurende Jans bewind barstte de zware oorlog uit tusschen

Frankrijk en Vlaanderen, waarin de graaf van Holland en Henegouwen als

bondgenoot van Filips den schoone optrad. Dit, gevoegd bij de

ingewikkelde betrekking, die steeds tusschen Vlaanderen en Holland

bestond, noopte de Vlamingen, gehoor gevende aan den aandrang der

Zeeuwsche edelen, één jaar na den slag bij Kortrijk (_Overzicht_, 9de

druk, blz. 90), in Zeeland en Holland te vallen. Zelfs drongen zij tot

Haarlem door; doch hier werden zij in 1304 gestuit bij het _Manpad_, dat

zijn naam ontleent aan het vluchten van zoovele mannen, n.l. Vlamingen.

De eer dezer zege komt toe aan de dapperheid en de tegenwoordigheid van

geest zoowel van ~Witte van Haamstede~ (op Schouwen), een onechten zoon

van Floris V, als van Willem van Oostervant (een voormalig graafschap in

Henegouwen), Jans zoon. En binnen één week werd geheel Holland, gelijk

weldra ook Zeeland, van de overweldigers bevrijd. De graaf zelf was

inmiddels in Henegouwen gebleven, waar hij nog in 't zelfde jaar

overleed.

Zijn opvolger was ~WILLEM~ III, ~DE GOEDE~ (1304-1337). Naar het schijnt

is hij het, die de beden in Holland en Zeeland invoerde, d. i. de

bijdragen, die de graaf van tijd tot tijd vroeg, wanneer de gewone

inkomsten niet toereikend waren. Verder riep hij voor 't eerst de

schepenen der steden van Holland en Zeeland op, om met de edelen over

een punt, rakende de opbrengsten, te beraadslagen. Bij een dusdanige

gelegenheid kwam eens de genegenheid, welke die onderdanen voor hem

koesterden, op treffende wijze aan het licht. Toen Willem van Holland en

Zeeland 1000 gl. vroeg, drong men hem, 10,000 gl. aan te nemen. Dit

weigerde hij, zeggende, dat hij ook de 1000 gl. niet wilde, overtuigd,

dat hij bij dergelijke lieden, indien het mocht worden vereischt, steeds

genoeg geld zou vinden. Die gezindheid verklaart op voldoende wijze, hoe

Willem zijn bijnaam verwierf. Deze bijnaam, die op de degelijkheid en de

voortreffelijkheid van zijn bewind over 't geheel ziet, werd hem, die

het recht steeds onkreukbaar handhaafde, voorzeker naar verdienste

toegekend. Van de gebeurtenissen, onder zijn regeering voorgevallen, is

zonder twijfel de gewichtigste het verdrag, dat hij in 1323 met den

graaf van Vlaanderen, Lodewijk I van Nevers (ten z.o. van Orléans),

sloot. Hierbij zag Lodewijk van de leenhulde wegens Zeeland bewester

Schelde (zie blz. 11) af. Keizer Lodewijk van Beieren bekrachtigde als

leenheer dit verdrag. Van nu aan was de graaf van Holland tevens graaf

van Zeeland. Vergrootte Willem door het eindigen van een strijd, die

eeuwen lang vijandelijkheden had teweeggebracht, het aanzien en de macht

van Holland, ook de luister van zijn huis steeg, toen zijn dochter

Margareta met keizer Lodewijk in 't huwelijk trad.

Aan Willems zoon, ~WILLEM~ IV (1337-1345), gelukte het, zooals aan

sommige zijner voorgangers, vasten voet in Friesland te krijgen en er

eenig gezag te oefenen. Toch brak er een opstand tegen hem uit. Met een

sterke vloot daarheen getogen, landde de graaf in de nabijheid van

Stavoren, waar hij door de Friezen werd verslagen en zelf omkwam.

De gesneuvelde vorst liet geen kinderen na. Dus zocht elk, die tot hem

in eenige betrekking stond, naar aanspraken op de graafschappen, gegrond

of ongegrond. De keizer, Lodewijk van Beieren, legde de hand op alles,

want Henegouwen moest, als spilleleen, aan Willems oudste zuster,

~Margareta~, komen, terwijl Holland en Zeeland, als zwaardleen, aan het

rijk vervielen. In Holland en Zeeland liepen de gevoelens zeer uiteen.

De meerderheid van den adel had er niet tegen, dat de keizerin haren

broeder opvolgde. Daarentegen verlangden de steden een man, een wakker

vorst. Zooals elders in Europa, lag ook hier te veel brandstof

opgestapeld voor een strijd tusschen de beide vijandige elementen, reeds

onder Floris V ontkiemd (zie blz. 20), dan dat hij niet zou uitbarsten

bij de eerste gelegenheid, welke de verdeeldheid weder in 't leven riep.

Intusschen haastte keizer Lodewijk zich, in 1346 zijn gemalin plechtig

met Holland, Zeeland en Friesland te beleenen. Onverwijld vertrok zij

naar haar graafschappen. Weldra had zij onder de edelen een aantal

raadslieden, die haar vertrouwen bezaten. Dit verbitterde anderen, die

niet tot de uitverkorenen behoorden. Gesteund door vele steden, lieten

zij de machtspreuk hooren, dat Holland zich nimmer door een vrouw, als

wettige vorstin, zou laten regeeren. De keizerin besloot voor den storm

te wijken. Eer zij echter naar Beieren terugkeerde, noodigde zij de

edelen en de steden uit, een van Lodewijks zonen als stedehouder te

kiezen. De keus viel op Lodewijks tweeden zoon ~Willem~. Hij voerde den

titel _verbeider_. Maar ook hij vond geen genoegzamen steun en was

weldra met schulden overladen. Daarom leende hij het oor aan zijn

tegenstanders, die zich lieten verluiden, dat, zoodra hij in den waren

zin des woords graaf was, de zaken anders zouden gaan.

Dit alles hoorde de keizerin, en het wekte in hooge mate haar

bezorgdheid. Terzelfder tijd stierf haar gemaal, en de keizerskroon viel

aan Karel IV, den vijand van het Beiersche huis (_Overzicht_, 9de druk,

blz. 89), ten deel. Nu was goede raad duur. In haar verlegenheid gaf

Margareta gehoor aan den wenk van eenige welmeenende lieden, die haar

uit Holland schreven, dat haar niets anders overbleef, dan het

graafschap voor goed aan Willem af te staan. In 1349 teekende zij dus

een verklaring, waarbij zij Willem als graaf van Holland en Zeeland en

als heer van Friesland erkende, onder voorwaarde, dat hij haar jaarlijks

ongeveer 34,000 gl. en een zekere som op eens betaalde. Maar Willem

keerde de beloofde sommen niet uit. Zoo nam in 1350 de strijd tusschen

de Hoekschen en de Kabeljauwschen een aanvang. Margareta herriep haar

gift en begaf zich naar Henegouwen.

_Hoekschen_ en _Kabeljauwschen_ waren de namen der partijen. Het is

licht te begrijpen, dat een volk, in welks bedrijf de visch een groote

rol speelt, die kooplieden Kabeljauwschen noemde, welke, als de van roof

levende visschen, vaak rijk werden ten koste der geringere volksklasse.

En waren zij gelijk aan kabeljauwen, dan konden de edelen, die de hand

aan het zwaard sloegen, als wilden zij de tegenstanders, gelijk den

visch met den haak of hoek, ermede doorboren, zeer goed Hoekschen worden

geheeten. Een roode hoed was het kenteeken der Hoekschen, een grauwe dat

der Kabeljauwschen. Verreweg het meerendeel van Hollands steden was

Willems zaak, die der Kabeljauwschen, toegedaan, slechts die niet, welke

den adel behoorden. In Zeeland daarentegen telde Margareta, naast vele

edelen, ook een aantal steden onder hare aanhangers. De boeren stonden

grootendeels de Hoekschen bij. Intusschen behoort men niet voorbij te

zien, dat er, hoe scherp men ook de grenslijn tusschen de beide partijen

trachtte te trekken, geen stad of streek was, waar slechts òf Hoekschen

òf Kabeljauwschen de bevolking uitmaakten.

De oorlog der Hoekschen en der Kabeljauwschen kenmerkte zich hierdoor,

dat toen, voor 't eerst hier te lande, buskruit door de troepen werd

gebruikt. Na vele mislukte pogingen werd eindelijk, in 1354, het geschil

op afdoende wijze uit den weg geruimd. Margareta stond Willem de

graafschappen Holland, Zeeland en Friesland af en behield alleen

Henegouwen. Wederom beloofde Willem, dus ~WILLEM~ V geworden, haar een

jaargeld te zullen betalen. Twee jaren daarna overleed de keizerin te

Quesnoi (in Henegouwen). Kort hierop bracht men ook haar zoon derwaarts,

want sedert 1357 vertoonden zich bij hem sporen van krankzinnigheid.

De partijen waren in 't leven geroepen, en al was de twist, die ze, meer

dan eenig ander voorval had doen ontstaan, nog bij het leven der

hoofdpersonen bijgelegd, tusschen deze partijen zelven werd de strijd,

met langer of korter tusschenpoozen, ongeveer anderhalve eeuw

voortgezet. Inmiddels werd Willems jongere broeder ~ALBRECHT~ door

toedoen der Hoekschen regent of _ruwaard_. Eerst in 1389, na den dood

van Willem V, werd hij graaf (1389-1404). Met zijn zoon, Willem van

Oostervant (zie blz. 22), stelde hij zich aan het hoofd van een talrijk

leger, dat een krijgstocht naar Friesland ondernam. Keer op keer werden

de Friezen geslagen; doch gevolgen leverden de behaalde overwinningen

niet op. Tallooze sommen verslond de oorlog, en niet anders won de

graaf, dan dat hij vasten voet in Stavoren had. In vele opzichten

herinnerde het bewind van Albrecht aan dat van Willem den goede. Ook hij

was een vorst, die aan Europa's hoven in hoog aanzien stond. Zijn

dochter ~Margareta~ huwde hij uit aan ~Jan zonder vrees~, een zoon van

Philips den stoute, hertog van Bourgondië, zijn zoon Willem aan Philips'

dochter Margareta. Deze huwelijken hadden dit gevolg, dat het Beiersche

huis in nauwe betrekking kwam te staan tot het Bourgondische. Albrechts

jongste zoon ~Jan~ werd bisschop van Luik. Een der merkwaardigste feiten

zijner regeering, wat de binnenlandsche aangelegenheden betreft, is, dat

te dier tijde in de meeste steden van Holland, naast schout en

schepenen, als overheid, _burgemeesters_ optraden met een raad, waarvan

de leden uit de burgers werden gekozen. Albrecht overleed in 1404.

~WILLEM~ VI, tot dusver Willem van Oostervant genoemd (1404-1417), had

een afkeer van de Kabeljauwschen. Hij hield zich aan de gewoonte, door

zijn vader ingevoerd, huurtroepen ter bezetting zijner sterkten op de

been te houden en dankte ze niet weer af. De graven uit het Beiersche

huis zagen zeer goed in, dat deze bezoldigde krijgslieden bruikbaarder

werktuigen tot het volbrengen van hun wil waren, dan de leentroepen,

weshalve zij deze hoe langer hoe meer te huis lieten. In 1417 stierf

Willem VI, slechts één dochter nalatende, Jakoba van Beieren, geboren in

1401. Het zelfde jaar, waarin Jakoba haar vader ontviel, had haar reeds

haren eersten gemaal, ~Jan van Touraine~ (het graafschap, waarvan Tours

de hoofdstad was), den tweeden zoon van Karel VI, koning van Frankrijk,

en na den dood zijns broeders dauphin, ontrukt.

Voorzoover de opvolging betreft had Willem dezen maatregel genomen. Één

jaar vóór zijn dood had hij de edelen en de steden van Holland en

Zeeland bijeengeroepen en uitgenoodigd hem bij eede te beloven, zijn

dochter Jakoba als wettige opvolgster te zullen erkennen. Velen, maar

slechts Hoekschgezinden, waren verschenen en hadden aan het verzoek

voldaan. Toen nu Willem was overleden, scheen het eerst, dat zich

niemand tegenover Jakoba zoude stellen. Sedert lang toch werd op de

bepalingen ten aanzien van de opvolging in de leenen van het Duitsche

rijk niet meer gelet en handelde men, zooals de omstandigheden het

medebrachten. Jakoba legde de belofte af, steeds in gemeenschappelijk

overleg te zullen regeeren met haar moeder, Margareta van Bourgondië, en

met haren oom, ~Jan van Beieren~, die sinds het dempen van een hevig

oproer te Luik ook wel "Jan zonder genade" werd genoemd. Maar nog was

het jaar 1417 niet ten einde, of er ontstonden geschillen tusschen Jan

en Jakoba.

Zóó herleefde de burgeroorlog: de partijen stonden immers toch tegenover

elkander, en de Kabeljauwschen hadden slechts op een hoofd uit het

grafelijk huis gewacht. In 1418 voltrok Jakoba haar tweede huwelijk met

~Jan~ IV, hertog van Brabant en Limburg, markgraaf van Antwerpen, den

stichter van de hoogeschool te Leuven. De oorlog zelf leverde voor

Jakoba niets dan teleurstelling en verlies op. Door de omstandigheden

gedwongen, stemde zij in een verdrag toe, dat Philips de goede, hertog

van Bourgondië, een zoon van Jan zonder vrees en neef van de strijdende

vorstin, in 1419 als middelaar tot stand bracht. Van dit oogenblik af

gold alleen het gezag van Jakoba's oom in Holland en Zeeland. Zijzelve

vertoefde met haren gemaal in Brabant, en hoe ook de Kabeljauwsche

partij, door Jan van Beieren begunstigd, hier en daar de Hoekschen

onderdrukte, zij was, bij de onverschilligheid en de onbekwaamheid van

Jan van Brabant, niet in staat, zich ertegen te verzetten. Welhaast

leverde Jakoba's echtgenoot een nieuw bewijs van die onverschilligheid

omtrent haar belangen. In 1420 verpandde hij, tegen een groote som geld,

Holland en Zeeland aan Jan van Beieren. Niet alleen Jakoba, ook de

onderdanen zelven van den hertog, d. i. de staten van Brabant,

koesterden de grootste minachting voor Jan, dien zij hierom van het

bewind ontzetteden, het regentschap aan zijn broeder opdragende. Nu kon

Jakoba den smaad niet langer dulden, een zoodanig man tot gemaal te

hebben. Zij stak naar Engeland over, met den koning van welk land,

Hendrik V, zij reeds vroeger onderhandelingen over een nieuw huwelijk

had aangeknoopt, en trouwde in 1422 ten derden male met ~Humphrey,

hertog van Glocester~, Hendriks broeder. Drie jaren daarna, in 1425,

overleed Jan van Beieren.

Jan van Beieren liet zijn rechten op de drie graafschappen bij testament

na aan zijn neef Philips den goede van Bourgondië. Maar Holland en

Zeeland verklaarden Jan van Brabant getrouw te blijven; Henegouwen

huldigde den hertog van Glocester en Jakoba. Op nieuw begon alzoo de

oorlog tusschen Jan van Brabant en Philips aan de ééne en Jakoba aan de

andere zijde. Jakoba's troepen gelukte het, in 1425 Schoonhoven te

vermeesteren. Aan alle manschappen der bezetting werd het leven gelaten,

slechts niet aan één man, ~Allaert Beilink~, vroeger schout te Gouda,

die mede had gestreden ter verdediging van het slot der stad. Op last

van een Hoeksch edelman werd hij--dit is althans het waarschijnlijkste

der uiteenloopende gevoelens over het lot van dezen man--levend

begraven. Inmiddels verliet Humphrey, uit hoofde van geschillen in

Engeland, waarin hij was betrokken, deze landen. Terzelfder tijd

benoemde Jan van Brabant zijn neef tot ruwaard van Holland en Zeeland.

Slechts te Schoonhoven, Gouda en Oudewater werd Jakoba als gravin

erkend. Gedurende het vervolg van den strijd, die steeds slepend bleef,

overleed Jan van Brabant in 1427, terwijl een geestelijk gerechtshof te

Rome in 1428 de echtverbintenis met Glocester voor onwettig verklaarde.

Zóó ook van dezen man verlaten, dien de in Engeland heerschende

verdeeldheid tot dusver had verhinderd hier krachtdadig op te treden en

die nu zonder tegenzin in de uitspraak der kerk berustte, werd Jakoba

meer en meer in 't nauw gebracht. Daar haar gezag tot de drie genoemde

steden beperkt was, zag zij geen anderen uitweg dan het sluiten van een

_verdrag_, dat in 1428 _te Delft_ tot stand kwam. De hoofdpunten waren:

Jakoba wordt erkend als gravin van Holland, Zeeland, Friesland en

Henegouwen, Philips van Bourgondië als ruwaard en erfgenaam dezer

gewesten; in die hoedanigheid zal Philips het bewind voeren, totdat

Jakoba een nieuw huwelijk aangaat; Jakoba zal niet hertrouwen dan met

toestemming van hare moeder, van Philips en van de drie stenden der

landen, tenzij zij wil geacht worden, haar onderdanen van den eed van

gehoorzaamheid te hebben ontslagen; Jakoba zal een gedeelte trekken van

de inkomsten der graafschappen.

Philips benoemde tot stadhouder van Holland en Zeeland ~Frank van

Borselen~, die door de diensten, met groote kieschheid aan Jakoba

bewezen, weldra zoozeer haar genegenheid verwierf, dat zij met hem in

den echt trad. Frank van Borselen verloor nu het stadhouderschap, doch

werd door Philips tot graaf van Oostervant verheven. Deze daad van

Jakoba, als strijdende met het verdrag van Delft, had in 1433 het

verlies der grafelijke waardigheid ten gevolge. Daarentegen verkreeg zij

van Philips vele heerlijkheden, waarvan zij de inkomsten bleef trekken

tot haren dood in 1436.

§ 6.

_Holland en Zeeland onder de graven uit het Bourgondische huis._

Jan zonder vrees werd in 1419 op de Yonnebrug gedood (_Overzicht_, 9de

druk, blz. 91). Zijn zoon ~PHILIPS DE GOEDE~ (1433-1467) volgde hem

onmiddellijk in Bourgondië, Vlaanderen, Mechelen, Franche-Comté, Artois

en Salins op. In 1421 kocht hij het graafschap Namen van graaf Jan III,

die zich het vruchtgebruik gedurende zijn leven voorbehield en na wiens

dood, in 1429, Philips het land in bezit nam. In 1430 erfde hij van een

neef Brabant, Limburg en Antwerpen. In 1433 stond Jakoba hem Henegouwen,

Holland, Zeeland en Friesland af. Eindelijk kocht hij nog het hertogdom

Luxemburg en nam het in 1451 in bezit.

Philips de goede is de eerste hertog uit het huis van Bourgondië, die

onder de Nederlandsche vorsten een plaats bekleedt. Langzamerhand was de

omvang van het grafelijk gezag in de staten, die het tegenwoordige

Nederland en België uitmaken, grooter geworden. Allengs waren vele

beletselen tegen de uitbreiding van dat gezag uit den weg geruimd. Niet

langer was de grond van Holland en Zeeland, om van deze maar alleen te

spreken, met tal van kasteelen overdekt, waarin evenveel edelen met hun

in 't staal gedoste manschappen lagen, steeds ten aanval tegen den graaf

gerust. De macht des adels was voor die van den landsheer geen

struikelblok meer. Een andere was ervoor in de plaats gekomen. Als een

loopend vuur was het streven der ingezetenen om zich tot gemeenten te

vereenigen van den een tot den anderen staat overgegaan. Door de

behoefte aan geld gedrongen, hadden de vorsten geen perken gesteld aan

de begeerte der steden naar privilegiën, maar ze met ruime hand gegeven

aan wie ze verlangde. Doch van lieverlede begonnen die vorsten, de

gevolgen hunner milddadigheid inziende, te trachten ze op allerlei wijze

te voorkomen. Zij schrikten voor den vorm van gemeenebest, die aan de

gemeenten eigen was. Zij vingen aan de overeenstemming te duchten, die

meer en meer ontstond tusschen de burgers en de door hen gekozen

overheidspersonen. Hiertegen richtte zich dus hun streven. Niet langer

riep nu de graaf, zooals weleer, het gansche lichaam der gemeene

poorters bij klokkeslag op, doch alleen een zeker aantal der meest

gegoeden van hen, (naar het woord _vroed_ = wijs) doorgaans _de

vroedschap_ en _rijkheid_ geheeten, om, na hem te hebben gehoord, zijn

besluit te nemen. Alzoo werden zij, die men opriep, telken male als de

vertegenwoordigers der poorters in 't algemeen aangemerkt.

Bij de graven uit het Henegouwsche en het Beiersche huis was evenwel het

beperkte gezag nog een oorzaak van beperkte heerschzucht. Anders werd

dit sedert het optreden van het Bourgondische huis, dat, zoovele staten

onder zijn macht vereenigende, ze zooveel mogelijk tot één lichaam

wenschte te doen samensmelten. Dit huis toonde in al zijn daden, welk

zijn doelwit was, eenheid, overwicht der grafelijke macht over den adel

en over de steden beide. En toen later het Oostenrijksche huis voor het

Bourgondische in de plaats kwam, hield ook dit vast aan een stelsel, dat

den vorst het regeeren zoo gemakkelijk maakte, en, hoewel het ook ten

nutte der ingezetenen verstrekte, toch geheel in 't belang van den

landsheer was uitgedacht. De Hoeksche en Kabeljauwsche verdeeldheden

werkten het doel des graven in de hand.

Ter bevordering nu van het groote doel, zoo even aangeduid, deed Philips

de goede verschillende stappen. Hij is de oprichter van dien vasten

raad, die _het hof van Holland_ wordt genoemd en in 1428 tot stand kwam.

Hij had zitting te 's Gravenhage en zat in hooger beroep terecht over

alle vonnissen, in burgerlijke zaken door andere rechtbanken gewezen.

Het spreekt vanzelf, dat hierdoor aan de oude vierscharen veel van haar

kracht werd ontnomen. De leden van 't hof werden door den graaf

aangesteld en waren dus alleen van hem afhankelijk. Een andere stap was

deze. Aan vele steden van Holland vergunde Philips, op de wijze boven

omschreven, vaste _vroedschappen_ of stedelijke raden op te richten, die

zichzelven mochten aanvullen. Intusschen hoede men zich, deze

vroedschappen voor de "regeering" der steden te houden. Zij waren niets

anders dan de vertegenwoordigers van 't lichaam der burgerij. De

regeering berustte bij _schout_, _schepenen_ en _burgemeesters_, 's

graven ambtenaren.

Er is nog meer. In 1455 stelde Philips een hoog gerechtshof in, dat hij

den naam _geheime_ of _groote raad_ gaf, waarop alle inwoners zijner

gewesten zich, bij rechtsgeschillen, in appèl konden beroepen. De

geheime raad hield zijn zittingen in de plaats, waar de vorst vertoefde,

en kreeg later een vasten zetel.

Philips de goede is ook de eerste graaf, die een paar malen een

vergadering der _Algemeene Staten_ bijeenriep. Reeds is in dit werk

gewag gemaakt van het raadplegen der edelen, of der steden, of der

edelen en steden tezamengenomen door de graven. Dergelijke

bijeenkomsten, die voor ieder gewest in 't bijzonder werden gehouden,

noemde men sedert Albrechts tijd _dagvaarten_, later _staten_, vermits

de edelen en de steden, waaruit zij bestonden, de staten, d. i. standen

des lands, vertegenwoordigden. Voor 't eerst komt die naam, wat Holland

betreft, in 1428 voor. Het getal der steden, die doorgaans opkwamen, was

_zes_, n.l. Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Amsterdam en Gouda.

Voorzitter dier staten was aldáár hij, die het ambt van _'s lands

advocaat_ bekleedde. In Zeeland bestond het lichaam der staten uit drie

leden, n.l. uit den abt van Middelburg, de edelen en vijf steden. In

plaats nu van, gelijk tot dusver, de staten van elke provincie in 't

bijzonder, riep Philips eenige keeren die van alle gewesten gezamenlijk

ter vergadering op, hierdoor den grond leggende tot het latere lichaam

der Staten-Generaal. Zeer bekend is b. v. de vergadering der Algemeene

Staten, die den 25sten April 1465 te Brussel plaats had.

Beknopte geschiedenis van het vaderland · 第 2 / 24 段