Toen de Friezen zich in 785 aan Karel den groote onderwierpe

Produced by Anna Tuinman, Harry Lamé, Eline Visser and the

Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net

+--------------------------------------------------------------------+

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| Tekst die in het originele werk schuingedrukt, gespatiëerd of vet |

| gedrukt is, is hier respectievelijk weergegeven als _tekst_, |

| ~tekst~ en =tekst=. |

| |

| Diakritische en andere tekens: [=e] staat voor e-makron, [)e] voor |

| e-breve, etc. [f] staat voor het gulden-teken. ^ betekent dat de |

| volgende letter in superscript gedrukt is (als in 1^e). |

| |

| Uitgebreidere opmerkingen staan aan het einde van deze tekst. |

+--------------------------------------------------------------------+

BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN HET VADERLAND

DOOR

D^R. J. A. WIJNNE.

VIJFDE, HERZIENE DRUK.

TE GRONINGEN BIJ J. B. WOLTERS, 1879.

_Magno usui est memoria rerum gestarum._

SALLUSTIUS.

_L'histoire des Provinces-Unies est un sujet attrayant._

MIRABEAU.

Stoomdrukkerij van J. B. Wolters.

INHOUD.

Bladz.

§ 1. Nederland in de laatste eeuwen vóór Christus' geboorte en

onder de heerschappij der Romeinen 1.

§ 2. De Franken en de Saksen in Nederland en België.--Deze

landen worden een bestanddeel van het Frankische rijk.--De

invoering van het leenstelsel en van den Christelijken

godsdienst.--De Noormannen 5.

§ 3. Onderscheid tusschen den toestand van Friesland en dien

van andere streken van ons land.--De wisselingen in de

opperheerschappij dezer landen na het verdrag van Verdun.--

Staten, die in het Zuiden en in het Noorden verrijzen.--Aard

en uitbreiding der grafelijke macht 9.

§ 4. Holland onder de graven uit het Hollandsche huis 15.

§ 5. Holland en Zeeland onder de graven uit het Henegouwsche en

het Beiersche huis 21.

§ 6. Holland en Zeeland onder de graven uit het Bourgondische

huis 29.

§ 7. Holland en Zeeland onder de eerste graven uit het

Oostenrijksche huis 34.

§ 8. Overzicht der geschiedenis van Gelderland gedurende de

Middeleeuwen 36.

§ 9. Overzicht der geschiedenis van Utrecht, Overijsel, Drente,

Friesland en Groningen gedurende de Middeleeuwen 39.

§ 10. De Nederlanden onder het bewind van Karel V 43.

§ 11. De Nederlanden onder Philips II tot de komst van Alva 48.

§ 12. De Nederlanden onder 't bestuur van Philips' landvoogd

Alva 54.

§ 13. De Nederlanden gedurende het bewind van Requ[=e]sens en

van Don Jan van Oostenrijk.--De unie van Utrecht 57.

§ 14. Van de unie van Utrecht tot de vestiging der Republiek

van de Zeven Vereenigde Nederlanden 62.

§ 15. De regeeringsvorm der Republiek van de Zeven Vereenigde

Gewesten 66.

§ 16. Vervolg 68.

§ 17. De onoverwinnelijke vloot.--Maurits' krijgsbedrijven.--De

afstand der Nederlanden door Philips II.--De eerste zeeslagen

van den tachtigjarigen oorlog 71.

§ 18. Het twaalfjarig bestand.--De oprichting der Oost-Indische

compagnie 76.

§ 19. De oneenigheden, die de Republiek ten tijde van het

bestand schokten 80.

§ 20. De hernieuwing van den oorlog na het bestand.--De

oprichting der West-Indische compagnie.--De aanslag op het

leven van Maurits en zijn dood 87.

§ 21. Het stadhouderschap van Frederik Hendrik 89.

§ 22. De vrede van Munster.--Blik op den toestand des lands 95.

§ 23. Het stadhouderschap van Willem II 102.

§ 24. De groote vergadering.--De eerste Engelsche zeeoorlog 107.

§ 25. De Staat onder de leiding van de Witt.--De bemoeiingen

der Republiek met den oorlog in 't Noorden van Europa.--De

tweede Engelsche zeeoorlog 113.

§ 26. De triple alliantie en de vrede van Aken.--Het begin van

den oorlog in 1672 120.

§ 27. Het vervolg van den oorlog van 1672.--De dood der

gebroeders de Witt.--De verheffing van Willem III 124.

§ 28. Willem III.--De negenjarige oorlog.--De Spaansche

erfopvolgingsoorlog 132.

§ 29. Blik op den toestand des lands in de laatste helft der

17de en in 't begin der 18de eeuw 140.

§ 30. Het stadhouderschap van Willem IV 146.

§ 31. Het regentschap van de gouvernante Anna, de voogdij van

den hertog van Brunswijk en het stadhouderschap van Willem V

tot het begin van den oorlog tusschen Engeland en Nederland 151.

§ 32. De oorlog van Engeland en Nederland.--De geschillen der

Republiek met Jozef II.--De binnenlandsche oneenigheden en de

komst der Pruisen 157.

§ 33. De val der Republiek.--Blik op den toestand des lands 163.

§ 34. De Bataafsche Republiek en het koninkrijk Holland 168.

§ 35. Nederland bij het keizerrijk ingelijfd.--Het herkrijgt

zijn onafhankelijkheid 177.

§ 36. Het koninkrijk der Nederlanden tot den opstand van België 185.

§ 37. De opstand van België en het koninkrijk der Nederlanden

sedert 1830 195.

§ 38. Eindblik op den toestand des lands 206.

§ 1.

_Nederland in de laatste eeuwen vóór Christus' geboorte en onder de

heerschappij der Romeinen._

Het land, welks geschiedenis de volgende bladzijden zullen behelzen,

heet Nederland. Het ligt aan den mond van den Rijn, den IJsel, de Maas

en de Schelde. Behalve dat het de wateren dier stroomen op zijn bodem

ontvangt, krijgt het nog die van tal van kleinere rivieren, welke op

dien grond ontstaan. In 't Noorden en Westen beukt, sedert eeuwen, de

Oceaan de kusten van dit land en knabbelt er niet alleen stukken af,

maar baande zich ook vaak een weg over grasveld en beemde. Eveneens

hadden de rivieren eertijds nog geen dijken en stortten dikwijls met

onbeteugeld geweld haar wateren over het land heen. Dit land zelf

bestond grootendeels uit bosschen, heiden en moerassen.

Terecht mag zulk een land Nederland heeten. Voor een groot deel is de

bodem er zeer laag, en aanzienlijke watermassa's stroomen over zijn

grond heen in zee. Maar werden hier of daar aanmerkelijke stukken lands

weggespoeld, elders voerden de rivieren of de zee vruchtbaar slib aan,

waardoor het mogelijk werd polders in te dijken of droog te maken. Geen

wonder, dat de gedaante van dit land thans een geheel andere is dan vóór

eeuwen. Onder de groote waterplassen, die voorheen in ons vaderland niet

bestonden, zijn de Zuiderzee, de Dollard en de Biesbosch de voornaamste.

De oorsprong der Zuiderzee--waarschijnlijk zoo genoemd, omdat zij ten

Zuiden van Friesland ligt,--dagteekent van het jaar 839, toen een

geweldige watervloed over de twee duizend huizen moet hebben

weggespoeld. Latere overstroomingen maakten de plas steeds wijder. De

Dollard (d. i. dol of onstuimig water) ontstond in 1277. De derde golf,

de Biesbosch, had haar ontstaan te danken aan den St. Elizabethsvloed

van den 18den November 1421. In dit water groeiden steeds een menigte

biezen, die er het voorkomen aan gaven van een "bosch vol biezen":

vanhier de naam.

In weerwil van dit alles is het niet vrij van overdrijving, Nederland

een land te noemen, aan de golven ontwoekerd, tenzij men niet zoozeer

het oog hebbe op het droog gemaakte, als tevens op het droog gehouden

land. Door verzuim en tweedracht ging veel grond verloren. Aan die

oorzaken van landverlies begon eerst een einde te komen, toen, na het

uitroeien der wouden, de akkerbouw vrij algemeen aanving en men, om ook

wintergraan te kunnen verbouwen, meer op de dringende behoefte aan

dijken en zeeweringen begon te letten, hetgeen volgens sommigen niet

vóór de 13de, maar, zooals anderen willen, lang vóór de 10de eeuw plaats

greep.

Er is een tijd geweest, waarin de volken 't bearbeiden van metalen niet

kenden. Dien tijd, ouder dan de geschreven geschiedenis, noemt men 't

steenen tijdperk. De weinige hunnebedden, d. i. graven of bedden van

reuzen, in ons land overig, zijn uit dat tijdperk, en de getuigenissen

van de oudste bewoning door geen schrijver geboekt. Men meent, dat de

stammen, welke later, lang na het steenen tijdperk, maar toch in vroege

eeuwen, het tegenwoordige Nederland en België bewoonden, deze landen

zullen hebben verlaten, toen een groote overstrooming, de Cimbrische

vloed, eenigen tijd vóór den inval der Cimbren en Teutonen in Italië,

vele verwoestingen in het Noordwestelijk gedeelte van Europa, alzoo mede

in deze streken, teweeg bracht. Het kan zijn. Wil men echter alleen op

historische getuigenissen afgaan, dan waren de Friezen, de Bataven, de

Kaninefaten, de Tubanten, de Brukteren de voornaamste van de vele

volksstammen, die Nederland en België het eerst hebben bewoond. Waarom

"Nederland en België?" Omdat de geschiedenis dier beide landen in de

eerste vijftien eeuwen onzer jaartelling zoovele punten van aanraking

heeft, dat men, sprekende over de historie van slechts één dezer landen,

het andere er dikwijls niet van kan afscheiden. Daarom zij hier

aangemerkt, wat vooreerst mede voor 't vervolg geldt, dat met de

uitdrukking "Nederland" of "deze landen" vaak zoowel Nederland als

België wordt bedoeld.

Al die stammen, zoo even genoemd, behooren tot de volkerengroep der

Germanen. Wanneer en waarom zij naar ons vaderland afzakten, dit zijn

vragen, die niet nauwkeurig kunnen worden beantwoord. Waarschijnlijk

waren de Friezen, ongetwijfeld het hoofdvolk, ook de oudste bewoners. De

grenzen, binnen welke zij zich ophielden, waren in 't o. de Eems, in 't

z. die arm van den Rijn, welke zich bij Katwijk in zee stortte. De

woonplaats der Bataven was het eiland der Bataven, tusschen den Rijn en

de Waal gelegen, d. i. een deel van het tegenwoordige Zuid-Holland,

Utrecht en Gelderland. Tevens werd dit eiland, vermoedelijk het

westelijk gedeelte, door de Kaninefaten bewoond. De Tubanten zullen

zich, naar men wil, in Twente, dat aan hen zijn naam ontleent; de

Brukteren, voorzoover ons vaderland betreft, ten o. van hen en ten z.

van de Friezen hebben opgehouden. Over de zeden en gewoonten dezer

volkeren in 't bijzonder valt natuurlijk niets anders mede te deelen,

dan wat allen Germanen gemeen is.

Al de genoemde en andere volkeren, die met hen deze landen bewoonden,

geraakten in de eerste eeuw v. C. onder de heerschappij der Romeinen.

Die van België werden grootendeels met geweld onderworpen, die van

Nederland sloten veelal verdragen en namen alzoo, door de omstandigheden

gedwongen, vrijwillig het juk op hun schouders. Van de onderwerping der

Friezen heeft de stiefzoon van keizer Augustus, Drusus (zie _Overzicht

der Algemeene Geschiedenis_, 9de druk, blz. 43), de verdienste. Dat

intusschen de oude bewoners van Nederland, als bondgenooten, aan de

Romeinen ondergeschikt waren, blijkt hieruit, dat zij manschappen aan de

legers van dit volk en zelfs aan de lijfwacht hunner keizers leverden.

Dit was dan ook de eenige voorwaarde, waardoor de onafhankelijkheid der

Bataven werd beperkt, tenzij de Friezen ossenhuiden moesten opbrengen.

Twee opstanden tegen de Romeinen zijn de eenige merkwaardige

gebeurtenissen uit de vroegste eeuwen van Nederlands geschiedenis, die

bij de Romeinsche schrijvers staan opgeteekend. De eerste is die der

Friezen, in 47 n. C. door den Romeinschen veldheer ~Corb[)u]lo~

beteugeld. Eenigen tijd daarna, in 69 n. C., stonden de Bataven op. De

titel "broeders en vrienden van het Romeinsche volk", hun door de

machtige bondgenooten geschonken, beschutte hen niet tegen

onderdrukking. Niet alleen jongelingen, maar ook ouden van dagen werden

voor den krijgsdienst opgeschreven, om hen te noodzaken, zich los te

koopen en op die wijze de hebzucht der Romeinsche bevelhebbers of

landvoogden te voldoen. Aan 't hoofd der Bataven, die het juk afwierpen,

stelde zich iemand, wiens eigenlijke naam is verloren gegaan en die in

de taal der Romeinen ~Claudius Civ[=i]lis~ heet. Met hen verbonden zich

de Friezen, de Kaninefaten en andere stammen.

Zoolang de strijd tusschen Vitellius en Vespasianus, die beide naar de

Romeinsche keizerskroon dongen, niet was beslist, behaalde Claudius

Civ[=i]lis meer dan één zege. Maar toen in 70 n. C. Vespasianus'

veldheer ~Cere[=a]lis~ kwam opdagen, moest hij het verbond met Rome

hernieuwen. Naar 't schijnt, was de toestand der opgestane volkeren, na

den strijd, even dragelijk, als hij voorheen jaren was geweest.

Men kan niet ontkennen, dat het verblijf der Romeinsche legers hier te

lande sporen achtergelaten, of, met andere woorden, dat de onderwerping

aan Rome gunstige gevolgen voor de bevolking dezer streken heeft gehad.

Gedurende dien tijd werden hier en daar wegen aangelegd, ook een enkele

dijk; elders vaarten gegraven. Zoo liet Drusus, om een waterweg naar de

Noordzee te openen en de Bataven tegen overstroomingen van den Rijn te

vrijwaren, de naar hem genoemde gracht graven, waardoor de Rijn nabij

Doesburg met den IJsel werd vereenigd. Grootendeels uit legerplaatsen,

door de Romeinen opgericht, verrezen allengs steden, als Nijmegen,

Utrecht, Leiden en andere. Welken rechtstreekschen invloed echter de

Romeinen op de beschaving der landzaten zelven hebben geoefend, is

moeielijk te zeggen. Het best laat hij zich voorzeker nog afleiden uit

de taal, d. i. uit de Nederlandsche woorden, aan het Latijn ontleend, b.

v. schrijven, letter, enz.

§ 2.

_De Franken en de Saksen in Nederland en België.--Deze landen worden een

bestanddeel van het Frankische rijk.--De invoering van het leenstelsel

en van den Christelijken godsdienst.--De Noormannen._

Het spreekt vanzelf, dat ons vaderland, als bestanddeel van het

Romeinsche rijk of als woonplaats van stammen, die bondgenooten

van de Romeinen heetten, sedert de 3de eeuw n. C. mede ten doel

stond aan de menigvuldige aanvallen, door de Germanen op dit rijk

gedaan. Van de groote vereenigingen, door de stammen der Germanen onder

gemeenschappelijke namen aangegaan, zijn er twee, die tot deze landen in

nauwe betrekking komen te staan. Het zijn die der Franken en der Saksen.

Sinds het einde der 3de eeuw deden de Franken, n.l. de Saliërs, bij

herhaling invallen in de Nederlanden, bleven er sinds de regeering van

Julianus den afvallige, d. i. sinds 361 n. C., gevestigd en breidden

zich vervolgens meer en meer naar het Zuiden, eerst tot in Noordelijk

België, later tot de rivier de Somme uit. Na den dood van Clovis in 511

behoorden Nederland en België ten deele tot die streek, welke men

Austrasië noemde.

Doch de Franken waren het niet alleen, die ons land bewoonden. Sedert de

5de of de 6de eeuw is de landstreek bij den IJsel het gebied niet langer

van de Saliërs, maar van de Saksen een volk, dat zich over een groot

deel van Noordwestelijk Duitschland uitstrekte en aan wier verbond de

Tubanten en welke andere stammen Overijsel en Drente mogen hebben

bewoond, zich aansloten. Het noordelijk gedeelte van ons land werd in

deze eeuwen, die men het Frankische tijdvak kan heeten, steeds bewoond

door de Friezen. Hun grenzen waren niet altijd dezelfde; maar het is

zeker, dat er tijden zijn geweest, waarin die van de Noordzee en de

Wezer tot de Schelde of de Sincfal, d. i. het Zwin (bij Sluis, in

Vlaanderen), reikten. Tusschen de Friezen en de Saksen aan de ééne zijde

en de Franken aan de andere ontstond van de 6de eeuw af een strijd, die

eerst in de dagen van Karel den groote een einde nam.

Gedurende dat veelvuldig kampen verdwijnen de naam der Bataven en die

der Kaninefaten voor goed. Sedert de 5de eeuw komen zij niet meer voor.

Zoowel deze volkeren, als andere, die tot dusver afzonderlijke namen

hadden gedragen, sloten zich bij de Franken aan of smolten met hen

tezamen: hun naam ging in den algemeenen naam "Franken" op.

De onderwerping der Friezen aan Karel den groote dagteekent van 't

jaar 785, die der Saksen van 805. Van dien tijd af maken dus die

beide volkeren, bij gevolg ook Nederland en België, een bestanddeel

uit van het Frankische rijk, dat tot 843 bleef bestaan. Gelijk

elders, voerden de Franken in deze streken het leenstelsel en het

Christendom in. Het doopen of de bekeering der Friezen was, behalve van

den Frankischen geloofsprediker ~Wulfran~, grootendeels het werk van de

Christenzendelingen, uit Engeland overgekomen, van ~Willebrord~ en

~Winfried~, sinds zijn overgang tot het kloosterleven, alzoo reeds in

zijn jongelingsjaren, doorgaans ~Bonifacius~ (d. i. die zijn taak goed

volbrengt) geheeten. Willebrord werd de eerste bisschop onder de

Friezen. Wulfran is de man, die door zijn onberaden ijver den koning der

Friezen, ~Radboud~, in 719 noopte, te Hoogwoude (ten n. o. van Alkmaar)

zijn voet weder uit het water terug te trekken, waarin hij dien reeds

had gezet, ten einde door den doop in de gemeente der Christenen te

worden opgenomen. Bonifacius vond den 5den Juni 755 met drie-en-vijftig

zijner leerlingen bij Dokkum den dood des martelaars.

De verdeeling dezer landen of volken in den tijd van de heerschappij

der Franken is drieledig: 1^o de kerkrechtelijke, uitgaande van den

paus en allengs ingevoerd sedert het begin der 8ste eeuw; 2^o de

staatsrechtelijke, uitgaande van den keizer en in de 8ste eeuw tot stand

gekomen; 3^o de burgerlijke of geographische, van vroegere tijden

dagteekenende en uit den boezem des volks voortgesproten. Ten aanzien

van de eerste verdeeling stond het Noorden tot de Schelde en de Waal

onder het bisdom Utrecht, het Oosten en het Zuiden onder Saksische en

Frankische bisdommen. Staatsrechtelijk werd het land verdeeld in

hertogdommen, deze weder in graafschappen, de graafschappen o. a. in

schoutambten. De burgerlijke verdeeling was in volken of landen, elk

land in _gouwen_, elke gouw in _marken_. Veelal stemde deze verdeeling

geheel overeen met de staatsrechtelijke, zoodat een gouw gelijk stond

met een graafschap, een mark met een schoutambt. Zóó gingen de aloude

marken, d. i. stukken grond, die voorheen 't gemeenschappelijk eigendom

waren der markgenooten, welke waarschijnlijk van de eerste verovering of

inbezitneming dagteekenden, in deze nieuwe indeeling op.

Hier volgen een paar dier gouwen, zoowel uit het land der Friezen en

Saksen, als uit dat der Franken. In het tegenwoordige Groningen:

Hunsingo; in het tegenwoordige Friesland: Oostergo, met de hoofdplaats

Dokkum; in het tegenwoordige Holland: West-Friesland, met de hoofdplaats

Medemblik; in het tegenwoordige Overijsel: Twente, met de hoofdplaats

Goor; in het tegenwoordige Gelderland: de Veluwe, de Betuwe, enz.

Vraagt men naar de vruchten van de heerschappij der Franken in deze

landen, hierop kan in zooverre een antwoord worden gegeven, dat men zich

over 't geheel een tamelijk goed denkbeeld van den algemeenen toestand

vermag te vormen. Het land werd, onder 't oppergezag der koningen,

bestuurd door hertogen en graven. Oorspronkelijk beduidt het woord

_hertog_ aanvoerder van een leger. Maar dikwijls werd ook hij zoo

genoemd, die over de krijgsbenden eener zekere landstreek het bevel

voerde, weshalve die titel dan aan de landstreek werd gehecht. Zoo waren

er hier te lande drie hertogen: een van Friesland, een van Saksen en een

van Frankenland. Onder de hertogen stonden _de graven_, d. i. rechters.

In den beginne werd die titel zoowel aan ambtenaren van lagen als van

hoogen rang gegeven, zoodat b. v. een opzichter over wouden, dijken,

wegen, enz. vaak graaf werd genoemd. Later werden die koninklijke of

keizerlijke ambtenaren gewoonlijk zoo geheeten, die als rechters, doch

ook als burgerlijke bestuurders en aanvoerders van 't leger den vorst

vervingen. De bank van _schepenen_, waarvan de graaf voorzitter was, had

rechtspraak over het geheele graafschap. Onder de graven vond men

_schouten_, die aan 't hoofd stonden van de schoutambten. De bevolking

was niet langer in den toestand van wilde horden, maar in dien eener

geregelde maatschappij met vaste wetten. Zij was gesplitst in de

volgende standen: _vrijen_, _liten_ (lieden of hoorigen) en _slaven_ of

_lijfeigenen_. Dewijl de liten op de hoeven der vrijen woonden, noemde

men ze hofhoorigen. Noch hun toestand, noch die der lijfeigenen was zoo

onaangenaam, als die der slaven in de oudheid of die der negers in de

volkplantingen der Europeanen van den nieuweren tijd. Ten bewijze dat

handel en nijverheid geen geheel vreemde dingen waren, strekt, dat

Dorestad, (Wijk bij) _Duurstede_, b. v. een aanzienlijke koopstad was.

De groote wegen werden naar behooren onderhouden en met wering van

knevelarij, tegen voldoening van bepaalde tollen, voor elk opengesteld.

Reeds gedurende de regeering van Karel den groote en vroeger werden deze

landen door de Noormannen besprongen, doch vooral geschiedde dit onder

't bewind van Lodewijk den vrome en na hem. Deze woeste horden, de

stroomen opvarende, legden de steden, die zij op haren weg ontmoetten,

zware schattingen van honderden of duizenden ponden goud of zilver op,

of kenmerkten in het binnenland, zoover zij doordrongen, haren weg door

roof en doodslag. Lodewijk de vrome verschafte de Noormannen een zeer

gewenschte aanleiding om hun rooftochten voort te zetten. Tot hem kwamen

n.l. drie dier Noordsche vorsten, ~Heriold~, ~Roruk~ en ~Hemming~, die

uit Denemarken waren verjaagd en met behulp van Lodewijk hun gebied

zochten te herwinnen. Lodewijk, die steeds voor 't Christendom ijverde,

hoopte door 't verleenen van den gevraagden bijstand deze vorsten en

misschien een aantal hunner onderdanen tot het aannemen van dien

godsdienst te bewegen. Hierin slaagde hij naar wensch. De Deensche

vorsten lieten zich in 826 doopen; maar het mocht den koning der Franken

niet gelukken, hen in 't bewind te herstellen. Vol blijdschap over hun

bekeering, gaf Lodewijk hun daarom leenen in de Nederlanden: aan Heriold

Dorestad of _Duurstede_ en omstreken; aan Roruk _Kennemerland_ (een deel

van Noord-Holland nabij Alkmaar) en aan Hemming _Zeeland_. Dit bracht

vele rampen over de Nederlandsche gewesten, want behalve dat de van

buiten komende Noormannen hier van nu af hun heerschzucht ruimen teugel

vierden, onderdrukten de in deze landen gevestigde Noormannen de

landzaten van tijd tot tijd zeer. En niet vóór 885 eindigde hun

heerschappij in deze streken.

Inmiddels had het Frankische rijk in 843, bij het verdrag van Verdun,

opgehouden te bestaan. Hierbij verkreeg Lotharius I. o. a. het oostelijk

gedeelte van Frankrijk en aangrenzende landen, gelegen in 't z.,

tusschen de Rhône en de Alpen, in 't n., zoowel ten n. van den Rijn als

tusschen deze rivier en de Maas, gelijk mede tusschen de Maas en de

Schelde tot de monden dezer rivieren. Lodewijk de Duitscher bekwam o. a.

het land ten n. van de Alpen en ten o. van den Rijn. Karel den kale

eindelijk werd o. a. het gebied ten westen van de Schelde, de Maas, de

Saône en de Rhône toegewezen. Hieruit volgt, dat Lotharius I bijna

geheel België en Nederland, Karel de kale Vlaanderen, Artois en een deel

van Zeeland verwierf. Later, in 870 en 879, kwam het aandeel van

Lotharius I aan Duitschland.

§ 3.

_Onderscheid tusschen den toestand van Friesland en dien van andere

streken van ons land.--De wisselingen in de opperheerschappij dezer

landen na het verdrag van Verdun.--Staten, die in het Zuiden en in het

Noorden verrijzen.--Aard en uitbreiding der grafelijke macht._

Toen de Friezen zich in 785 aan Karel den groote onderwierpen, werd hun

land, zooals vanzelf spreekt, geacht een bestanddeel van het rijk der

Franken te zijn. Doch het leenstelsel werd bij hen zoo goed als niet

ingevoerd; zij behielden hun persoonlijke vrijheid, eigendom en rechten,

hoewel zij door koninklijke ambtenaren werden bestuurd. Alzoo verschilde

hun toestand van dien der bewoners van de andere gedeelten dezer landen,

als van Brabant, Zeeland, Gelderland, Utrecht, Zuid-Holland en van een

streek van Noord-Holland, n.l. Kennemerland. Hier werd de Frankische

stam, vroeger of later, de overheerschende, de Friesche de

onderliggende. 't Gevolg was, dat de Friesche inwoners der

laatstgenoemde landen, althans grootendeels, ophielden vrijen te zijn,

en, als hoorigen of lijfeigenen, tot allerlei dienstbetooning aan de

overheerschers werden verplicht. Niet alleen als volk werden zij dus

vernietigd; maar zij verloren ook een groot deel hunner menschenrechten.

Bij de veelvuldige verdrukking van allerlei heeren, waaraan zij ten doel

hadden gestaan, had daarenboven menige vrije het als een geluk

beschouwd, zich als lijfeigene te mogen verkoopen, op die wijze, met

opoffering van de vrijheid, althans rust en veiligheid verwervende.

Nergens intusschen was het getal lijfeigenen zoo groot als in de landen

van den bisschop van Utrecht.

Na het jaar 843 kwamen de Nederlanden en België (steeds met uitzondering

van Vlaanderen en van een gedeelte van Zeeland), om niet van het

tijdperk van overgang te spreken, gelijk op blz. 9 werd opgemerkt,

weldra tot Duitschland in die betrekking te staan, waarin zij tot dusver

hadden gestaan tot het rijk der Franken. Van dien tijd af maakten zij,

n.l. voor zoover zij bij het verdrag van Verdun tot het aandeel van

Lotharius I hadden behoord, een bestanddeel uit van het hertogdom

Lotharingen, en sedert 965, toen dit hertogdom in Opper- en

Neder-Lotharingen werd verdeeld, van het laatste.

In de 9de en de 10de eeuw werden waarschijnlijk de meeste Nederlanden

erfelijke leenen, dewijl dat, wat oorspronkelijk een gunst des keizers

was, allengs, in weerwil van hem, als een recht werd beschouwd. Het volk

en de kleinere leenmannen, die zich natuurlijk meer aan de plaatselijke

overheid dan aan den veeltijds afwezigen keizer hielden, namen met deze

verandering licht genoegen. Meer dan eens ontstonden er evenwel groote

moeielijkheden uit de vraag, of het eene of andere gewest alleen een

_mannelijk_ of _zwaardleen_, of wel tegelijk een _vrouwelijk_ of

_spilleleen_ was. Sedert de 11de eeuw kwamen allengs meerdere gouwen aan

één graaf. Dit ontsproot hieruit, dat sommige gravengeslachten

uitstierven of werden verdreven en de overige zich dan met hun

nalatenschap verrijkten. Hierdoor kwam het, dat in de 12de eeuw bijna

het geheele land tusschen den graaf van Gelder, dien van Holland en den

bisschop van Utrecht was verdeeld.

De verandering, die langzamerhand in het Zuiden in den staat van zaken

plaats greep, was hoofdzakelijk deze, dat in plaats van het hertogdom

Neder-Lotharingen, voor en na, verschillende zelfstandige staten

ontstonden. De grootste dier staten was _Brabant_, dat ook den titel

"hertogdom" behield. Verder vond men er het markgraafschap, veelal

graafschap genoemd, _Namen_, en het graafschap _Henegouwen_. Ten o. van

deze drie staten lag het bisdom _Luik_. Tusschen den Maas en den Rijn

lag het graafschap, sedert de 11de eeuw hertogdom, _Limburg_.

_Maastricht_ was voor een gedeelte een bezitting van den bisschop van

Luik, voor een ander deel een op zich zelve staande rijksstad, die later

door Karel V van het Duitsche rijk afgescheiden en aan Brabant

toegevoegd werd. Ten z. van Limburg stiet men op het graafschap, sedert

1354 hertogdom, _Luxemburg_.

_Antwerpen_ met zijn omstreken was reeds in de 10de eeuw een

markgraafschap van het heilige Roomsche of Duitsche rijk en werd door

den hertog van Brabant bestuurd. _Mechelen_ was een heerlijkheid, die in

1357 aan Vlaanderen kwam. Gelijk _Artois_ in zijn geheel, zoo was

_Vlaanderen_ grootendeels een deel van Frankrijk, _Kroon-Vlaanderen_

geheeten. Het andere gedeelte, het Noordelijke, was een leen van

Duitschland en werd _Rijks-Vlaanderen_ genoemd. O. a. bevatte het

Zeeland bewester schelde, d. i. het land ten n. van de Hont. In 1007 gaf

keizer Hendrik II Rijks-Vlaanderen aan Boudewijn IV, graaf van

Vlaanderen, in leen, die op zijn beurt het Zweedsche land wederom in

achterleen gaf aan graaf Dirk III van Holland.

De staten, die in 't Noorden verrezen en waarvan straks ter loops werd

gewaagd, waren Holland, Utrecht, Gelderland. Zooals men gewoonlijk

aanneemt, ontstond het _graafschap Holland_, waarbij dat gedeelte van

Zeeland behoort, dat ten n. van de Oosterschelde ligt, in 922, doordien

Karel de eenvoudige (_Overzicht_, 9de druk, blz. 78) aan hem, die men

veelal Dirk I noemt, Egmond en omliggend land, ongeveer van Hillegom tot

Alkmaar, schonk. Maar wil men op een begin van 't graafschap Holland

wijzen, dat op een vasten grondslag steunt, dan moet men gaan tot het

jaar 1018, tot dien Dirk, die doorgaans ~DIRK~ III heet. Tusschen de

Merwede en de oude Maas lag te dier tijde een moerassig bosch, dat de

bisschop van Utrecht en die van Luik gemeenschappelijk bezaten. Deze

wildernis werd in het begin der 11de eeuw door graaf Dirk eigenmachtig

in bezit genomen. Hij stichtte er een sterkte ter bewaking van de

talrijke rivieren, welke die streek besproeien, en hief er op eigen

gezag tol van de voorbijvarende schepen. Tevergeefs trachtte keizer

Hendrik II dit te beletten. De sterkte, door Dirk gesticht, gaf het

aanzijn aan de stad Dordrecht. Naar 't schijnt, had de genoemde streek,

wegens haar rijkdom aan bosschen den naam _Holland_ gekregen, die, na de

verovering, allengs op de meer naar 't noorden gelegen streken overging.

Vanhier, dat de graven, die voorheen "graven van Friesland" heetten,

zich sinds dezen tijd "graven van Holland" begonnen te noemen. Sedert

1323 werd de graaf van Holland, gelijk beneden zal worden aangetoond,

tevens graaf van _Zeeland_, een land, dat zijn naam wellicht hieraan

ontleent, dat het deels uit _zee_, deels uit _land_ bestaat (zee en

land).

_Gelderland_ bestond oudtijds uit de graafschappen Gelre of Gelder en

Zutfen. De eerste, welke den titel "graaf van Gelder en Zutfen" voert,

is ~HENDRIK~ in 1138. "Graaf van Gelder" heette hij naar zijn hoofdstad

Gelre (ten n. o. van Venlo). In 1339 verhief keizer Lodewijk ~REINOUD~

II of ~DEN ZWARTE~, zoo genoemd naar de kleur van zijn hoofdhaar, tot

hertog van Gelderland.

Zooals boven is vermeld, pleegt er sedert 695, toen Willebrord zijn

zetel te Utrecht vestigde, van een _bisdom Utrecht_ te worden gewaagd.

Dikwerf komt het ook onder den naam _het Sticht_ of _Stift_,

gelijkbeteekenende met "gesticht", voor. Hoe ver het gebied des

bisschops in geestelijke of kerkelijke zaken reikte, is reeds (zie blz.

6) gezegd. Oorspronkelijk was de kerkelijke macht de eenige, die de

bisschoppen hadden. Doch sedert de keizers en andere machtige mannen,

van tijd tot tijd, allerlei bezittingen aan den bisschoppelijken stoel

schonken, kwam hierbij allengs ook wereldlijk gezag. Als wereldlijke

vorsten waren zij, gelijk de overige Nederlandsche vorsten in de

Middeleeuwen, leenmannen van het Duitsche rijk. Sedert 1122 werd de

bisschop door de kanoniken van de vijf kapittelkerken gekozen. De

vergadering van al die kanoniken tezamen droeg den naam _kapittel van

Utrecht_. Behalve over Utrecht strekte zich de wereldlijke macht van de

bisschoppen ook uit over _Overijsel_, daarom _Oversticht_ geheeten,

alsmede van _Groningen_ en _Drente_. Wat Overijsel betreft, dit hebben

zij trapsgewijze gekregen. Weleer waren hier, zooals elders,

onderscheiden graafschappen, alle aan het Duitsche rijk leenroerig.

Naarmate deze landstreken, bij het uitsterven der mannelijke lijn en

anderszins, aan het rijk vervielen, gaven de keizers ze aan den

bisschoppelijken stoel in leen.

Nog is niet gesproken van _Friesland_ en van eenige in de Middeleeuwen

op zichzelf staande kleinere gedeelten van ons vaderland. Het

eerstgenoemde land, tevens West-Friesland, een groot deel van de latere

provincie Groningen en Oost-Friesland bevattende, werd sedert Karel den

groote door graven beheerscht. Wat die andere deelen des lands aangaat,

hiertoe behoorde o. a. de heerlijkheid _Westerwolde_, sinds het einde

der vorige eeuw bij de provincie Groningen ingelijfd.

Na op de bestanddeelen der Nederlanden in de Middeleeuwen te hebben

gelet, vestige men zijn aandacht op den aard der grafelijke macht in

Holland, waarbij men zich behoort te herinneren, dat wat hier wordt

aangevoerd tevens in 't algemeen voor Gelderland, Utrecht, enz. geldt.

Oorspronkelijk waren de graven (zie blz. 7) ambtenaren, d. i. dienaren,

die in naam van den koning der Franken of den keizer van Duitschland de

vierschaar spanden, de boeten invorderden en den heirban aanvoerden. Zij

bezaten op dezen grond doorgaans vele landen, bosschen enz. in vollen

eigendom. De bediening, hun opgedragen, kon worden herroepen, weshalve

niet de graven naar de streek, waarover zij waren gesteld, werden

genoemd, maar de graafschappen den naam droegen van hen, die ze

bestuurden. Sedert de leenwet van keizer Koenraad II (_Overzicht_, 9de

druk, blz. 79) in 1037 werden de graafschappen alom, dus ook hier te

lande, erfelijk. Nu bleven de graven niet lang meer dienaren. Aangesteld

door een heer, die verre was, poogden zij weldra zich van hem zoo goed

als onafhankelijk te maken, zijn plaats geheel in te nemen, in 't kort

landsheeren te worden en als zoodanig te handelen. Het hun geleende

gezag zochten zij tot een eigen te maken. Hiertoe behoefden zij den

steun hunner onderdanen en moeten zich dien hebben weten te verschaffen.

Eens landsheer geworden, gaf ook de graaf van de aanzienlijke goederen,

die hij bezat of aan zich had getrokken, er vele in leen aan de vrijen

en eigenerfden, hier woonachtig, natuurlijk onder voorwaarde, dat zij

hem, den leenheer, getrouw zouden wezen en bijstaan tegen wien ook.

In naam van den graaf of landsheer spande in Holland _de baljuw_

of _schout_, zijn ambtenaar, _de vierschaar_ (d. i. de vier

gerechtsbanken), of, met andere woorden, riep _de schepenen_, als

bijzitters, bijeen. De schepenen wezen het vonnis, en de baljuw of

schout sprak het uit. De baljuw, de plaatsvervanger van den graaf in

elke gouw, stond hier aan 't hoofd van 't burgerlijk bestuur, was

voorzitter in de gerechten, voerde de ingezetenen in oorlog aan en

oefende het toezicht over wateren, wegen en dijken.

Vooral was het Floris V, die inbreuk maakte op de oude instellingen en

de grafelijke macht uitbreidde. Om niet afhankelijk te zijn van den

bijstand der edelen in geval van oorlog, stichtte hij steden en

begunstigde ze met _keuren_ en allerlei voorrechten. Voor den

grafelijken domeingrond, waarop zij werden gebouwd, betaalden die steden

een jaarlijksche som, als tot afkoop van de diensten, waartoe de

bewoners van dien grond zouden gehouden geweest zijn. _De gemeenten_,

aldus ontstaan, werden als vazallen of leenmannen aangemerkt. Alzoo de

burgerijen, als krijgsmacht, aan de troepen der leenmannen kunnende

tegenstellen en hun inkomsten met behulp van de jaarlijksche

schattingen, hun door de steden op te brengen, vermeerderende,

verzwakten de graven de heeren, zichzelven tevens versterkende. Deze

gevolgen werden in nog ruimer mate zichtbaar, toen de graven, met de

edelen, eveneens de steden opriepen, om ook haar over 's lands belangen

te raadplegen of haar om beden te vragen. Op die wijze veranderden de

graven allengs de geheele inrichting van den staat.

De burgers dier steden wierpen hoe langer hoe meer een aanmerkelijk

gewicht in de schaal. Op grond van den ouden rechtsregel, dat geen vrij

man kon worden gedwongen, zonder eigen toestemming, iets van zijn

eigendom af te staan, konden ook zij hun bewilliging onthouden aan _de_

vorstelijke _beden_, d. i. aanzoeken om geldelijke hulp, en wel in dier

voege, dat elke stad voor zich kon weigeren. En vermits in deze landen,

gelijk elders, de geestelijkheid en de edelen van rechtswege bevrijd

waren van alle lasten, uitgezonderd van den krijgsdienst, en zich

zoolang mogelijk in 't bezit van dit recht handhaafden, waren de graven

meer en meer verplicht, zich, ten einde de noodige gelden te erlangen,

tot de stedelingen te wenden. Deze gesteldheid van zaken verklaart ook

het aanwezig zijn van die tallooze _privilegiën_ hier te lande, als

zoovele bolwerken, om te groote overmacht van den graaf te stuiten.

De inhoud dier stukken liep natuurlijk uiteen. Maar geen stad of gewest

was er bijna, of zij kon zich beroemen op een keur, waardoor de

ingezeten verzekerd was, niet buiten de grenzen van stad of gewest

gedagvaard of voor een vreemden rechter gedaagd te worden (jus de non

evocando). Dergelijke privilegiën bezwoer de graaf, aleer hij het bewind

aanvaardde. Eerst dan legden de onderdanen den eed van trouw en

gehoorzaamheid af.

Wat het binnenlandsch bewind betreft, bleef Friesland tot den tijd van

Karel V op een geheel bijzonderen voet bestaan. De keizer beleende met

dit land hetzij den bisschop van Utrecht, hetzij den graaf van Holland

of een ander vorst. Alzoo meende zoowel de graaf van Holland als de

bisschop van Utrecht een verkregen recht te hebben op de heerschappij

over de Friezen, die zelven evenmin gezind waren den een als den ander

te gehoorzamen. De herhaalde uitgifte van Friesland in leen toont aan,

dat er, gedurende de Middeleeuwen, in dit land geen gezag bestond,

gelijk aan dat van den bisschop van Utrecht, den graaf van Holland of

den hertog van Gelderland. De graven of regenten, die er waren, moeten

worden geacht ambtenaren van lageren rang te zijn geweest en met minder

macht bekleed, dan die was, welke de zoo even genoemde landsheeren, elk

binnen zijn perken, uitoefenden.

§ 4.

_Holland onder de graven uit het Hollandsche huis._

Hetgeen op de laatstvoorgaande bladzijden omtrent het karakter en de

hoedanigheid van de macht der landsheeren staat opgeteekend ziet, uit

den aard der zaak, niet op één tijdstip in 't bijzonder. Het is veeleer

een doorloopende beschouwing van de ontwikkeling dier macht in den loop

der tijden, welke steeds behoort te worden getoetst aan de geschiedenis

der staten zelven, waartoe wij thans overgaan. 't Eerste graaflijke

stamhuis, dat in Holland regeerde en oorspronkelijk in de streken van de

oude abdij van Egmond was gevestigd, was _dat van Holland_, naar de

gewone meening, 922-1299 (zie echter blz. 11 en 12). Hier volgt de reeks

der graven, uit dat huis gesproten. Zoo men met 922 begint, zijn er

zestien: Dirk I, Dirk II, Arnoud, Dirk III, Dirk IV, Floris I, Dirk V,

Floris II, Dirk VI, Floris III, Dirk VII, Willem I, Floris IV, Willem

II, Floris V, Jan I. De plaats, waar de huldiging der graven plaats had,

was Dordrecht. De eerste graven waren vaak in oorlog met de

West-Friezen, met wier land zij, hoewel tegen den zin der inwoners,

beweerden door den keizer te zijn beleend. In 1256 viel ~WILLEM~ II op

een veldtocht tegen hen bij ~Hoogwoude~ (ten n.o. van Alkmaar), waar

hij, met zijn paard door het ijs gezakt en tevergeefs een groot losgeld

biedende, door de vijanden werd afgemaakt. Eerst ~FLORIS~ V, zijn zoon,

onderwierp hen in 1282 en 1287, en tevens de Waterlanders en de

Drechterlanders, zooals hij vroeger de Kennemerlanders had bedwongen.

Eveneens hadden de graven dikwijls geschillen met de bisschoppen van

Utrecht, eensdeels wegens Friesland, anderdeels over de grensscheiding.

Zoo werd Utrecht ongeveer in 1145 door ~DIRK~ VI, uit wrok over het

verlies van Friesland (zie blz. 15), belegerd. Toen echter bisschop

~Herbert~, aan het hoofd zijner geestelijkheid, in plechtgewaad, met een

boek in de hand uit de gewijde vest kwam, om den banvloek over den graaf

uit te spreken, ontgleed het krijgszwaard aan zijn bevende handen en

brak hij in aller ijl het beleg op. Dat sommige graven zich zelfs aan

openlijken oorlog met den keizer durfden wagen, blijkt o. a. uit het

voorbeeld van Dirk III (zie blz. 12). En dan was Holland nog, ter zake

van Zeeland (zie blz. 11), in langdurigen kamp met de Vlamingen

gewikkeld. Van Hollands graven namen ~FLORIS~ III en ~WILLEM~ I

persoonlijk deel aan kruistochten, de eerste aan den derden, waarin hij

wakker streed, maar in 1190 te Antiochië aan een ziekte overleed. Zijn

tweede zoon Willem vocht, na den dood zijns vaders, mede voor Acre.

Nadat hij vervolgens zijn broeder Dirk VII als graaf was opgevolgd,

ondernam hij aan 't hoofd van een leger Hollanders en Friezen

gezamenlijk met de andere vorsten een tocht tegen Damiate (in 't n. van

Egypte, nabij een der monden van den Nijl), om vandaar Syrië en

Palaestina aan te tasten. Na een langdurig beleg werd Damiate in 1219

ingenomen, doch in 1221 ook reeds weder ontruimd. Ter herdenking dezer

gebeurtenis hangen er, sedert het midden der 16de eeuw, in den toren van

de groote of St. Bavo's kerk te Haarlem koperen klokjes, die zoowel

elken avond geregeld als hij brand en andere gelegenheden worden geluid.

Zij heeten _Damiaatjes_, niet omdat zij van Damiate afkomstig zijn, maar

omdat zij bestemd zijn, de herinnering aan den tocht levendig te houden.

Slechts eenmaal werd, gedurende de regeering van het eerste stamhuis,

als punt van geschil, de vraag opgeworpen, of Holland een zwaard- dan

wel een spilleleen was. Het geschiedde in 1203, bij den dood van Dirk

VII. Hij liet één dochter na, Ada geheeten. Graaf Dirk had gewenscht,

dat zijn broeder, weldra graaf Willem I, als regent het bewind voor haar

voerde. Maar Dirks gemalin, Adelheide, haatte Willem, en hoewel zij zich

niet kon ontveinzen, dat Holland, destijds althans, als een mannelijk

leen werd aangemerkt, poogde zij het graafschap voor hare dochter te

behouden. Mede met het oog daarop huwde zij Ada uit aan Lodewijk, graaf

van Loon (ten n. van Luik), Dit huwelijk werd voltrokken, terwijl het

lichaam van Ada's vader nog boven aarde stond, zoodat het gebruikelijke

rouwmisbaar voor de blijde bruiloft moest wijken. Deze handelwijze van

Adelheid maakte de verontwaardiging van vele edelen gaande, die nu

partij kozen voor Willem. Zóó ontbrandde er een oorlog, waarin de

fortuin Lodewijk eerst een korte poos toelachte, om hem weldra ontrouw

te worden. Reeds in 1204 werd hij uit Holland verdreven en kwam er

nimmer terug.

Allengs was het aanzien van het Hollandsche gravenhuis zeer gerezen. Nog

hooger steeg dit, toen Willem II, de stichter van 's Gravenhage, in 1247

tot Roomsch koning werd benoemd, een waardigheid, die hem intusschen

veel strijd kostte en geen werkelijke macht schonk. Doch juist toen zijn

gelukszon in Duitschland begon te rijzen en zijn uitzichten te

verhelderen, viel hij, omtrent dertig jaren oud, in den kamp tegen de

West-Friezen (zie blz. 16). Hij benevens Willem I en Floris V zijn het

inzonderheid, aan wie de steden en vlekken hun opkomst hadden te danken.

Gelijk elders, oefenden de kruistochten ook in ons land hun invloed en

brachten een geheele omkeering in de maatschappij teweeg. Ook in

Nederland begon men van lieverlede de gevolgen te gevoelen van het

onderlinge verkeer der natiën, dat toen opkwam. Dat men onder de banier

des kruises voor een heiliger beginsel streed, dan men tot dusver had

gekend, leidde tot veredeling van den woesten krijgsmansgeest en

temperde de ruwheid van zeden. Ook hier werd de kring van menschelijke

kennis en ervaring uitgebreid en verwekte de handel, die reeds tot

eenigen bloei kwam, een hooger gevoel van zelfstandigheid. Nu de

kennismaking met het Oosten en met het Byzantijnsche hof de behoefte aan

meer gemak en weelde, aan pracht en vertooning had gewekt,

vermenigvuldigden zich, met de vermeerdering van allerlei behoeften,

eveneens de takken van nijverheid en nam de handel een hoogere vlucht.

Alwie, getroffen door het gezicht van Italië's steden, fier op eigen

bestuur, naar huis terugkeerde, haakte naar 't zelfde geluk en deed mede

bij anderen de begeerte daarnaar ontbranden. De edelen, die, om de

kosten der uitrusting te bestrijden, vele hunner eigendommen moesten

vervreemden of hun lijfeigenen de vrijheid schenken, verloren van hun

invloed en luister. Het volk werd uit de diepe vernedering der

lijfeigenschap opgeheven en de grond gelegd tot het ontstaan van _den

derden stand_, d. i. dien der poorters of burgers, en tot dien der

boeren. De kruistochten bevorderden krachtig het gebruik der moedertaal

en riepen rechten en vrijheden in 't leven. Zij verbonden de drie

standen nauwer en ontwikkelden ze meer en meer door 't wijzigen hunner

zeden en gewoonten.

Op den grondslag nu, ook door de kruistochten gelegd, begon voet voor

voet het gebouw der burgerlijke vrijheid te verrijzen. Zooals boven werd

opgemerkt, zijn de meeste steden haar oorsprong of bloei aan het straks

genoemde drietal graven verschuldigd. In de keuren, aan de steden

uitgereikt, werd haar vrijdom van tol geschonken; voor toezicht op wegen

en vaarten gezorgd; een zekere boete op misdrijven bepaald; het recht

gegeven om haar overheidspersonen of schepenen te verkiezen;

vastgesteld, welk getal van manschappen, b. v. 25 tot 30, de stad in

geval van oorlog moest leveren en hoe groot de som, jaarlijks te

voldoen, zou zijn, b. v. van 20 tot 60 gl. (zie blz. 14). Doch Floris

ging nog verder. Hij raadpleegde niet alleen de edelen, maar ook van

tijd tot tijd sommige steden over 's lands belangen.

Zóó verrezen, in tegenstelling met andere landen, op Hollands bodem op

vreedzame wijze tal van steden. Als regel gold het, dat elke lijfeigene

of hoorige, die binnen een stad zijn toevlucht nam, vrij werd, zoo hij

na jaar en dag door zijn heer niet was opgeëischt. Groot was de

verandering, die reeds hierdoor de toestand van den lijfeigene of

hoorige onderging. Van dit oogenblik af betaalde hij geen _schot_ (van

schieten, in den zin van bijdragen, geven) en _lot_ (eigenlijk: stuk

grond, vandaar: de schatting er voor), d. i. hoofdgeld, meer, want dit

geschiedde alleen door de niet-vrijen. Hij mocht, naar welgevallen, een

huwelijk aangaan, over zijn goederen beschikken, in één woord: hij kreeg

persoonlijke rechten. Als burger deelde hij verder in de voorrechten,

waarmede de steden langzamerhand werden begiftigd. Geen andere

verplichtingen stonden hier tegenover, dan dat hij (zie boven) eens in

't jaar met zijn medeburgers een vaste som moest opbrengen, binnen de

stad blijven wonen en zich, wanneer haar eenig gevaar dreigde, gewapend

naar de loopplaats begeven. De band, op die wijze bij de opkomst der

steden gelegd, werd later nog nauwer toegehaald, sinds de burgers

allerlei bijzondere verbintenissen onder elkander aangingen. Hiertoe

behooren hoofdzakelijk _de gilden_, d. i. vereenigingen van lieden, die

hetzelfde bedrijf of handwerk uitoefenen, met verbod aan anderen om dit

te doen.

Is het vreemd, dat Floris door zijn tegenstanders _der keerlen God_, d.

i. de afgod der stedelingen en boeren, werd genoemd? Niet alleen door

rechtstreeksche begunstiging, ook door het fnuiken van den adel

bevorderde hij hun belangen. Op verzoek van een paar steden en edelen

uit het Sticht deed hij de heeren ~Gijsbrecht van Amstel~ en ~Herman van

Woerden~, zijn leenmannen, den oorlog aan. Die oorlog liep ten nadeele

der beide heeren af. Gijsbrecht deed in 1285 afstand van een deel der

goederen, die hij van den bisschop in leen had, o. a. van Muiden, welke

op Floris overgingen, die hierdoor een vazal van Utrecht werd. Dezelfde

bepaling werd op de heerlijkheid Woerden toegepast. Verder deden beiden

afstand van hun alodiën, waar ook gelegen, ten behoeve van Floris, die

ze hun als leenen teruggaf.

Meer dan genoeg had Floris gedaan, ten einde den wrok der edelen op zich

te laden. Als om de maat vol te maken, voegde hij er nog bij, dat hij

veertig hoorigen, die zich op de een of andere wijze jegens hem

verdienstelijk moeten hebben gemaakt, van alle slaafsche diensten

ontsloeg en hen vrij verklaarde. Welk een vergrijp in 't oog der edelen!

Terwijl zij vol verbittering aan de bevrediging hunner wraakzucht

dachten, kregen zij onverwachts een bondgenoot in ~Eduard~ I, koning van

Engeland. Hij verplaatste bij een verdrag, in 1295 met Guy van

Dampierre, graaf van Vlaanderen, gesloten, den stapel der Engelsche wol

van Dordrecht, waar hij sedert eenige jaren was, naar Brugge en

Mechelen. Hierom sloot Floris zich in den oorlog, die in 1293 tusschen

Engeland en Frankrijk losbarstte (_Overzicht_, 9de druk, blz. 90),

sedert 1296 bij ~Philips IV~ of ~den schoone~, koning van Frankrijk,

aan. Deze verbindtenis deed Floris den dood. Eduard vond bereidvaardige

dienaren in een groot aantal edelen, die hij overreedde, om Floris

gevangen te nemen en naar Engeland te voeren. Zij, die hun arm

inzonderheid leenden tot de uitvoering van Eduards plannen, waren ~Jan

van Kuik~ (de omstreken van Grave, ten z. van Gelderland), Gijsbrecht

van Amstel, Herman van Woerden, ~Gerard van Velzen~. Wat aller

verbittering had verwekt was, dat Floris, dáár partij kiezende, waar

eigen voordeel en overeenstemming van gevoelen hem riepen, lieden, op

welke zij laag neerzagen, uit het stof had verheven. Velen hadden

bovendien hun bijzondere grieven.

Beknopte geschiedenis van het vaderland · 第 1 / 24 段