L. E. Griffin.”

„De drommel haal Lady Griffin!” riep mijnheer uit, „wat gaat zij mij

aan?”

Wat den ouden lord betreft, die zoo gedienstig met zijne

vriendelijkheid en zijn goeden raad was geweest, mijnheer schreef zulks

daaraan toe, dat hij wist, hoe zijn zoon eene vrouw met tien duizend

pond ’s jaars ging trouwen, en dat hij zijn deel er van hoopte te

krijgen. Om die reden schreef hij, benevens een vurigen brief aan de

jufvrouw, het volgende aan zijn vader:

„Heb dank, waarde vader, voor de vriendelijkheid, mij in deze

hagchelijke zaak betoond. Gij weet, in welken onaangenamen toestand

ik mij, voor het oogenblik, bevind, en gij kunt wel gissen, welke

de oorzaken zijn van mijne onrust. Een huwelijk met mijne beminde

Matilda zou mij tot den gelukkigsten der stervelingen maken. Het

lieve meisje stemt daarin toe, en lagcht over de dwaze aanspraken

van hare stiefmoeder. Om u de waarheid te zeggen, ik heb mij

daarover verwonderd, dat zij reeds zoo lang daaraan heeft

toegegeven. Voer uwe vriendelijkheid tot den hoogsten top, en

verschaf ons, bid ik u, de noodige papieren en een predikant, om

ons te vereenigen. Wij zijn beiden meerderjarig, zoo als gij weet,

en daarom wordt de toestemming van ouders of voogden niet

vereischt.

„Uw genegen zoon

Algernon Deuceace.”

„P. S. Wat spijt het mij, dat er eenigen tijd geleden een verschil

van meening tusschen ons ontstond! De omstandigheden zijn nu reeds

veranderd, en zullen, na het huwelijk, nog meer veranderen.”

Hetgeen mijnheer bedoelde was zeer duidelijk – hij wilde den ouden lord

het geld geven, nadat hij getrouwd was, en daar het waarschijnlijk was,

dat de jufvrouw den brief zou zien, rigtte hij dien zoodanig in, dat ze

niet al te veel van zijn tegenwoordigen, treurigen toestand zou leeren

kennen.

Ik bezorgde dezen brief, tegelijk met het teedere schrijven aan de

jufvrouw, en het spreekt, dat ik beiden op weg doorsnuffelde. De

jufvrouw, toen zij haren brief ontving, bezag hem met eene

onbeschrijflijke uitdrukking in de oogen; kuste het papier, en drukte

het aan haar hart. Lord Crabs las den zijnen met veel bedaardheid, en

toen raakten ze aan het praten en bevalen mij op antwoord te wachten.

Na langdurige beraadslaging, haalde lord Crabs een kaartje te

voorschijn en schreef er achter op:

Morgen om twaalf uur aan de ambassade.

„Karel, geef dat aan mijnheer,” zeide hij, „zeg hem, dat hij vooral het

uur niet verzuimen mag.”

Ik bragt het kaartje en de boodschap zoo spoedig mogelijk over.

Mijnheer scheen met beiden tevreden, maar toch waarlijk niet

overgelukkig te zijn: dat is ook geen mensch den dag vóór zijn

huwelijk, veel minder den dag vóór zijn huwelijk met een bogcheltje –

hoe rijk het ook zij.

Daar hij nu op het punt stond, van den ongehuwden staat afscheid te

nemen, deed hij hetgeen iedereen, die in zijne omstandigheden verkeert,

behoorde te doen: dat wil zeggen, hij beschikte over zijn eigendom, en

schreef brieven aan zijne schuldeischers, hun zijn gelukkige

vooruitzigten berigtende, en belovende, dat hij hun na zijn huwelijk

tot op een stuiver toe zou afbetalen. Vóór dien tijd kenden zij zijne

armoede al te goed, om zoo iets te kunnen verwachten.

Om hem regt te doen wedervaren, moet ik zeggen, dat hij nu genegen

scheen, alles behoorlijk af te betalen, nu hem dat niet de minste

opoffering van zijn kant meer behoefde te kosten.

„Karel,” zeide hij, mij een bankbriefje ten bedrage van tien pond ín de

hand gevende, „daar hebt gij uw loon, en ik dank u wel, dat gij mij uit

den nood hebt geholpen met den deurwaarder; als ik getrouwd ben, zult

gij mijn valet-de-chambre zijn, zonder liverei, en ik zal uw loon

driedubbel verhoogen.”

Zijn valet! – misschien zelfs zijn keldermeester! Ja – dacht ik: bij

mijzelven – dat is het ware geluk! Valet de chambre aan tien duizend

pond ’s jaars! niets anders te doen, dan hem te scheren, mijn

bakkebaard te laten staan, van top tot teen in het pik zwart gekleed te

gaan; elken dag een schoon overhemd, beschuitsbollen elken avond bij de

thee met de huishoudster; de keuze eener beminde uit de jonge dames

onder de dienstboden; een jongen om mijne laarzen te poetsen, en

geregeld ééns in de week mijnheers plaats in de opera. Ik wist wel, wat

het beteekent, valet-de-chambre te zijn! – en ik verklaar het – een

valet is gewoonlijk een gelukkiger, luijer, beter gezien en

fatsoenlijker man, dan zijn meester. Hij heeft meer geld te verkwisten,

want de heeren hebben altijd de gewoonte, los zilvergeld in de

vestzakken te laten; hij maakt meer opgang bij de dames, eet even

lekker, en drinkt even goeden wijn als zijn meester – dat wil zeggen,

in geval hij goede vrienden blijft met den keldermeester, iets dat hun

wèl begrepen eigenbelang van wederzijde mede brengt.

Deze waren echter slechts luchtkasteelen, op zijn Fransch chateaux en

Espagne: in het boek des noodlots stond niet geschreven, dat ik

valet-de-chambre zou wezen van den heer Deuceace.

De langste dag heeft ook een einde – zelfs de dag vóór het huwelijk, de

langste dag, dien een mensch beleeft, behalve misschien den dag vóór

zijn hangen – en eindelijk brak het morgenrood aan van den gelukkigen

dag, die den hoogwelgeboren heer Algernon Percy Deuceace en jufvrouw

Matilda Griffin door den huwelijksband zou vereenigd zien.

De garde-robe van mijnheer was wel niet zoo rijk als vroeger, want hij

had al zijne kleinigheden, onnoodige cassettes en robes-de-chambre,

zijn bewonderingswaardig museum van verlakte laarzen, zijne hoogst

merkwaardige verzameling van rokken van Stulz en Staub, achter gelaten,

toen hij genoodzaakt werd onze geliefde woning in het hôtel Mirabeau

zoo plotseling te verlaten, en daar hij nu incognito bij een vriend

logeerde, had hij zich moeten tevreden stellen, met eenige nieuwe

kleedingstukken te bestellen bij een gewoon kleêrmaker, tegelijk met

eene toereikende hoeveelheid linnengoed.

Hij trok alzoo zijn besten blaauwen rok aan, en ik voelde mij

gedrongen, hem te vragen, of hij zijn jas weder noodig zou hebben; hij

antwoordde, met de meeste vriendelijkheid:

„Neem gij hem maar, voor den drommel!”

Om half twaalf uur werd ik uitgezonden, om te zien, of er verdachte

menschen op straat waren (ik heb een goeden neus om een deurwaarder uit

de verte te rieken, en een oog, dat scherp genoeg is, er een van om den

hoek te zien); eenige minuten later kwam eene zeer bescheiden huurkoets

vóór, en mijnheer stapte er in. Natuurlijk vertoonde ik mij niet op den

bok, omdat, daar ik zoo bekend was geworden, mijne verschijning de

aandacht tot mijnheer zou kunnen trekken. Maar ik liep de steegjes

door, zoo, hard ik kon, naar de Rue du Faubourg St. Honoré, waar Zijne

Excellentie de Engelsche ambassadeur woont en waar huwelijken tusschen

Engelschen te Parijs altijd gesloten worden.

Bijna naast de deur van het hôtel van den ambassadeur, is een ander

hôtel, van dien gemeenen aard, welke door de Franschen cabaret genaamd

wordt, eene soort van kroeg – en juist toen de huurkoets van mijnheer

vóór kwam bij de ambassade, reed eene andere koets van de deur weg,

waaruit ik twee mij zeer bekende dames zag komen: de eene had een

bogchel – de Lezer zal begrijpen, wat zij er kwam doen – de andere was

de arme jufvrouw Kicksey, die mede gekomen was, om jufvrouw Matilda te

zien trouwen.

De koets van mijnheer hield stil, toen ik op eenige ellen afstands van

de deur was – de koetsier klom van den bok af, om het portier open te

doen, en ik naderde, om den heer Deuceace er uit te helpen, toen vier

menschen uit de cabaret te voorschijn kwamen en zich plaatsten tusschen

de koets en het huis van den ambassadeur; twee andere kerels vatten

post aan den anderen kant van het rijtuig, en het portier openende,

riep de een:

„Rendez-vous, Monsieur Deuceace! Je vous arrête au nom de la loi,”

hetgeen zeggen wil: „Kom maar over, mijnheer Deuceace, wij hebben u

gesnapt, en deze keer komt gij niet weg!”

Mijnheer werd doods bleek, en sprong naar den anderen kant van het

rijtuig, als of hij door eene slang was gebeten; hij hoopte aan die

zijde te kunnen ontvlugten; maar hij ontdekte de vier menschen, welke

tusschen hem en zijne vrijheid zich geplaatst hadden. Toen riep hij

door het venster van de koets, zoo hard hij kon, met eene wanhopende

stem:

„Fouettez cocher! Rij maar voort koetsier!” maar de koetsier deed het

niet – hij was ook reeds van den bok geklommen.

In één woord, op het oogenblik, dat ik naderde, sprongen twee

deurwaarders in de koets! Ik had alles gezien, ik kende mijn pligt en

zeer bedroefd klom ik achter op het rijtuig.

„Tiens!” zeide een der menschen, die op straat stond, „c’est ce drôle,

qui nous a floué l’autre jour.” Ik herkende hen ook, maar ik was te

bedroefd, om te glimlagchen.

„Où irons-nous donc?” vroeg de voerman aan een der heeren, die in het

rijtuig zaten.

Eene diepe stem bulderde uit de koets dit antwoord aan den voerman:

„A St. Pélagie!”

En nu moest ik u misschien de bijzonderheden beschrijven van de

gevangenis van St. Pélagie, die in Frankrijk aan hetzelfde doel

beantwoordt, als de Fleet Prison, of de Queen’s Bench, de gevangenissen

voor schuldenaars in Engeland; maar dit onderwerp zoude ik liefst

vermijden, gedeeltelijk, omdat de zeer uitstekende Boz, in de

geschiedenis van den heer Pickwick, eene gevangenis heeft geschilderd,

op eene wijze, die mijne beschrijvingen geheel en al overschaduwen zou,

en gedeeltelijk, dewijl, om de waarheid te zeggen, ik er niet zeer lang

bleef, daar ik volstrekt niet gezind was, om de jaren mijner jeugd in

zulk eene treurige plaats te verspillen.

Mijne eerste boodschap was nu, gelijk men zich voorstellen kan, een

brief te brengen van mijnheer aan zijne aanstaande echtgenoote. Het

arme kind ging verschrikkelijk aan, dat is waar, toen zij zag, na twee

uren aan de ambassade te zijn gebleven, dat haar bruidegom niet

verscheen.

Nadat zij gewacht en weder gewacht had, zonder, dat haar echtgenoot

aankwam, was zij genoodzaakt ongetroost naar huis terug te keeren, waar

ik met den brief van mijnheer reeds aangekomen was.

Het hielp nu niet, te ontveinzen, dat hij gearresteerd was, en daarom

bekende hij het dadelijk, een lang verhaal opdisschende van het verraad

van een vriend, van schandelijke, valsche handteekeningen, en de Hemel

weet, wat nog meer. Dat deed er echter niets toe; als hij haar verteld

had, dat de man in de maan haar verraden had, zij zou het geloofd

hebben.

Lady Griffin was nu nooit meer te zien, als ik een bezoek in het huis

aflegde. Zij hield de ééne spreekkamer voor zich alleen, en de jufvrouw

at en leefde geheel afgezonderd in de andere kamer; zij hadden zoo veel

met elkander getwist, dat het misschien zeer goed was, dat zij

gescheiden leefden; Lord Crabs echter kwam bij beide dames, de eene zoo

wel als de andere, op zijne eigenaardige, innemende, onschuldige wijze

troostende.

Hij trad in de kamer, terwijl de jufvrouw, in tranen badende, naar mijn

verhaal luisterde van de gevangenneming van mijnheer. – Zij drukte de

hoop uit, dat de gevangenis geen akelig hol was, met een donker,

vreesselijk cachot, door een verschrikkelijken cipier bewaakt, en waar

men niets dan brood en water te eten kreeg. Zij had zich daarvan een

denkbeeld gevormd uit de romans, die zij gelezen had!

„O Mylord, Mylord!” riep zij uit, „hebt gij het noodlottige berigt

vernomen?”

„Wat is er gebeurd? – lieve Matilda, wat? Om ’s Hemels wil – spreek –

ik ontstel! – Wat – ja – neen – het kan niet zijn! Spreek toch!” brulde

Lord Crabs, mij bij den kraag pakkende „wat is er met mijn zoon

gebeurd?”

„Met uw verlof, Mylord,” gaf ik tot antwoord, „op dit oogenblik zit hij

in de gevangenis – omstreeks twee uren geleden werd hij gevat.”

„Gevangen! Algernon gevangen! onmogelijk – voor welke som? Zeg het mij

maar, en ik zal den laatsten stuiver geven, dien ik bezit, om hem te

verlossen!”

„Dat is zeer vriendelijk van u, Mylord,” zeide ik, aan het tooneel

denkende, dat eenige dagen geleden tusschen hem en mijnheer was

voorgevallen, toen hij hem om duizend pond wilde afzetten, „het zal u

veel genoegen doen, te hooren, dat hij slechte om eene kleinigheid

gevat werd – zoo wat vijf duizend pond, naar ik meen.”

„Vijf duizend pond! – O ellende?” riep Lord Crabs uit, de handen ineen

slaande en een blik naar boven werpende, „ach – ik heb voor het

oogenblik geen vijf honderd pond! Beste Matilda, hoe zullen wij hem

toch helpen?”

„Helaas, Mylord, ik heb maar drie guiné’s in mijne beurs – en gij weet,

hoe Lady Griffin de –”

„Ja wel, lief kind, ik begrijp wel, wat gij zeggen wilt; maar houd:

moed – Algernon, zoo als gij weet, heeft zelf ruime middelen.”

Denkende, dat Mylord de vijf duizend pond van Dawkins bedoelde, van

welke nog het grootste gedeelte overbleef, zweeg ik, maar ik was des

niet te min zeer verbaasd over het buitengewone medelijden, dat Lord

Crabs voor zijn zoon gevoelde, en ook, dat de jufvrouw, die tien

duizend pond ’s jaars bezat, niet meer dan drie guiné’s op zak had.

Ik nam mede naar huis (o, wat een te huis was dat!) een zeer langen en

zeer aandoenlijken brief van de jufvrouw, waarin zij hare droefenis te

kennen gaf over de teleurstelling en zwoer, dat zij hem des te meer om

zijn ongeluk beminde, hetwelk zij overigens voor zeer onbeduidend

hield, daar men, om de geringe som van vijf duizend pond, den moed niet

moest opgeven, vooral dewijl hij de zekerheid had van een ruim vermogen

te bezitten; zij deed ook eene gelofte, dat niets – niets haar zou

dwingen van hem af te zien, enz. enz.

Ik beschreef aan mijnheer, wat er tusschen mij en Lord Crabs was

gebeurd, zijne milde aanbiedingen en bedroefdheid over de

gevangenneming van zijn zoon; en bovendien verhaalde ik, hoe vreemd ik

het vond, dat de jufvrouw, die zulk een groot vermogen bezat, slechts

drie guiné’s op zak had; want ik onderstelde, dat zij altijd minstens

honderd duizend pond in de beurs zou hebben!

Daarop zeide mijnheer slechts „Bah!”, maar het overige van mijn verhaal

over zijn vader scheen hem zeer te verontrusten, en ik moest het van

den beginne aan vertellen.

Hij wandelde ondertusschen zeer onrustig in de kamer heen en weder; het

was, als of een lichtstraal voor hem op ging.

„Karel,” vroeg hij, „hebt gij er op gelet – scheen jufvrouw – scheen

mijn vader zeer vertrouwelijk om te gaan met jufvrouw Griffin?”

„Hoe dat, mijnheer?” vroeg ik.

„Scheen Lord Crabs zeer veel van jufvrouw Griffin te houden?”

„Hij was zeker bijzonder vriendelijk jegens haar.”

„Kom, spreek maar op; scheen jufvrouw Griffin zeer ingenomen met hem te

zijn?”

„Wel – om de waarheid te zeggen, mijnheer, ik moet bekennen, dat zij

buitengewoon veel met hem op scheen te hebben.”

„Hoe noemde hij haar?”

„Hij noemde haar: lief kind.”

„Nam hij haar bij de hand?”

„Ja wel – en hij –”

„En hij – wat dan?”

„En hij kuste haar, en zeide, dat zij niet moest bedroefd wezen – over

het ongeluk dat u wedervaren was.”

„Nu begrijp ik het!” riep mijnheer uit, den vuist ballende en

verbleekende, „nu begrijp ik het! de vervl.... oude, grijze schelm! de

booze, ontaarde schurk! Hij zoude haar mij willen ontvrijen!” en hij

eindigde met eene menigte vloeken, die ik niet zal herhalen.

Ik had het al lang gedacht – toen Lord Crabs zijne bezoeken bij Lady

Griffin zoo dikwerf herhaalde, en daar zoo bekend werd, wachtte ik den

een of anderen streek van dien aard. Ik had ook van de dienstboden der

dames vernomen, dat Lord Crabs bijzonder teeder in zijne oplettendheid

jegens haar was geworden:

Intusschen was er iets, dat nu niet langer aan iemand, met de

uitstekende verstandsvermogen van mijn meester begaafd, kon verborgen

blijven: hij moest het meisje dadelijk tot zijne vrouw maken, of hij

had zeer geringen kans, haar ooit de zijne te zullen noemen. Hij moest

dadelijk uit de gevangenis zien los te komen, of zijn geëerbiedigde

vader zou zijn plaats bij haar kunnen innemen.

O! nu begreep hij het alles duidelijk – de eerste poging om hem te

arresteren, het huwelijk om twaalf uur vastgesteld, en de deurwaarders,

geroepen, om het huwelijk te komen verhinderen – het duel tusschen hem

en de l’Orge misschien – maar neen! eene vrouw had daarbij hand in het

spel – een man kan zulke verraderlijke streken niet bedenken – vooral

niet een vader jegens een zoon; eene vrouw doet wel eens zoo iets, arm

schepseltje! zij heeft gene andere middelen in hare magt, om zich te

wreken, en is haar geheele leven lang genoodzaakt, met verborgene

wapens te strijden.

Hoe dit zij, Deuceace begreep nu duidelijk, dat hij in zijn eigen spel

door zijn vader was overtroffen: er was een eerste strik voor hem

gelegd geweest, aan welken hij ontgaan was, dank zij mijner

tegenwoordigheid van geest – er was een tweede strik voor hem gelegd, –

en zijn vader was er in geslaagd, om hem te vangen.

Nu was Lord Crabs, hoewel hij een schurk mogt wezen, veel te

goedaardig, om iemand te benadeelen, alleen met doel om kwaad te doen.

Hij had eene hoogte bereikt, van welke hij op alle beleedigingen

nederzag – zij waren voor hem iets gewoons – hij deed ze anderen aan –

en zij werden hem door anderen aangedaan, zonder dat hij in het minste

wrok voedde. Daarom, zoo hij wenschte zijnen zoon te benadeelen, dan

was het ook, om zich zelven te bevoordeelen. En hoe kon hij dat doen?

Natuurlijk, door zelf het vermogende meisje te trouwen. – De

hoogwelgeboren heer Deuceace zeide dit alles niet hard op, maar ik was

met zijne gevoelens volmaakt bekend: het speet hem zeer, dat hij den

ouden heer het geld, dat hij verlangde, niet gegeven had.

De arme jongen! hij dacht, dat hij het geraden had – het was echter

geheel en al misgezien!

Wat bleef hem te doen over? Het was klaarblijkelijk, dat hij met het

meisje moest trouwen – coute qui coute, op zijn Fransch gezegd – dat

is, trouwen moest hij, en de drommel haal de onkosten.

Om dat te kunnen doen, moest hij eerst uit de gevangenis komen – om uit

de gevangenis te komen, moest hij zijne schulden betalen – en om zijne

schulden te betalen, moest hij elken stuiver opofferen, dien hij ter

wereld bezat.

Maar dat kwam er niet op aan – vier duizend pond is geene groote zet

voor een geregelden speler, vooral als hij het moet zetten, of zijn

leven lang in de gevangenis blijven; terwijl, indien hij met geluk

speelt, het hem tien duizend pond ’s jaars zou opbrengen.

Dit alles overwegende, nam hij zijn besluit en schreef dien volgens den

onderstaanden brief aan Jufvrouw Griffin:

„Aangebedene Matilda! Uw brief is een wezenlijke troost geweest

voor een armen mensch, die gehoopt had, dat deze nacht de

gelukkigste van zijn geheele leven zou zijn, en zich nu gedoemd

ziet, dien tusschen de vier muren eener gevangenis door te brengen.

Gij kent de schandelijke zamenspanning, waardoor zulk eene zware

verantwoordelijkheid op mijne schouders werd gelegd, en de dwaze

vriendschap, die mij zoo duur is te staan gekomen. Maar dit is van

geen belang. Wij bezitten, zoo als gij met regt zegt, genoeg, zelfs

in het geval, dat ik deze onregtmatige schuld moet afbetalen, en

vijf duizend pond zijn niets in vergelijking met het geluk, dat ik

verlies, door één nacht langer van u te zijn gescheiden! Maar moed

gehouden! Indien ik eene opoffering breng, zoo is het eene

opoffering aan u, en ik zou waarlijk ongevoelig moeten zijn, indien

ik voor één oogenblik mijne eigene verliezen wilde opwegen tegen uw

geluk!

„Is het niet aldus, mijne beminde? Is niet uw geluk afhankelijk van

eene verbinding met mij? Ik ben trotsch, als ik er aan denk –

trotsch ook dit gering bewijs te mogen geven van de kracht en de

zuiverheid mijner liefde.

„O, zeg mij nu, dat gij nog morgen de mijne wilt wezen – en morgen

zullen deze vernederende ketenen worden afgeschud en ik zal weder

vrij zijn – of, indien ik weder geketend word, zal het slechts in

uwe boeijen zijn!

„Aangebedene Matilda! mijne dierbaarste bruid, schrijf mij nog

dezen avond – want ik zal in mijne gevangenis het oog niet kunnen

toedoen, voor dat ik verlicht ben door het gezigt van eenige

woorden van uwe pen! O schrijf mij dan, beminde! Schrijf! Ik

verlang vurig naar het antwoord, dat mij voor altijd gelukkig of

ellendig zal maken.

„Uw liefhebbende

Gedenkschriften van den heer Yellowplush · 第 34 / 42 题