A. P. D.”

„Dit briefje opgesteld hebbende, vertrouwde het mijnheer aan mij,

om het te bezorgen; mij tegelijk bevelende, mijn best te doen, om

het aan jufvrouw Griffin, zonder dat iemand anders tegenwoordig

was, over te leveren.

Ik spoedde mij er mede naar Lady Griffin. – Ik vond jufvrouw Matilda,

gelijk ik wenschte, alleen, en overhandigde haar het geparfumeerde

briefje van mijnheer. Zij doorlas het, en de zuchten, welke zij daarbij

loosde, en de tranen, welke zij stortte, zijn niet te beschrijven. Zij

weende en steunde zóó, dat ik mij verbeeldde, dat ze op punt was den

geest te geven. Zij drukte mij zelfs de hand en zeide:

„O, Karel, hij is zeer, zeer ongelukkig!”

„Dat is hij, mejufvrouw,” zeide ik, „zeer ongelukkig – het is niet

mogelijk, ongelukkiger te worden.”

Toen zij deze aandoenlijke opmerking vernam, nam zij dadelijk haar

besluit; en voor de schrijftafel zich plaatsende, vereerde, zij

mijnheer met een antwoord – hier is bet, zwart op wit.

„Mijn gevangen duifje zal niet meer treuren, maar toevlugt zoeken

in zijn nest, in mijne armen! Aangebedene Algernon, ik zal u

morgen, op dezelfde plaats, op hetzelfde uur, weder afwachten. Het

zal dan onmogelijk zijn, dat iets anders dan de dood ons scheide!

„M. G.”

Deze onzinnige schrijftrant is, gelijk men begrijpt, het gevolg van

romanlectuur en van kleingeestige, letterkundige bezigheden. Hoe veel

beter is het, de kunst van schrijven in het geheel niet te kennen, en

zich te verlaten op de ongekunstelde uit drukkingen van het hart.

Dat is mijn stijl – ik veracht de kunst; ik laat alles aan de natuur

over: maar revenons à nos moutons, gelijk de Franschen zeggen; aan dat

onschuldig, wit schaap, mijnheer, aan den grijzen ouden ram, Lord

Crabs, en aan het lieve, teedere lammetje, mejufvrouw Matilda Griffin.

Deze had juist het briefje, dat ik boven afgeschreven heb, opgevouwen,

en ik was op het punt, om, volgens de bevelen van mijnheer, te zeggen:

„Als het u belieft, jufvrouw, mijnheer Deuceace zou zich zeer verpligt

rekenen, indien gij de plegtigheid, die morgen zal plaats hebben, als

een diep geh...”, toen de vader van mijnheer in de kamer trad en ik mij

naar de deur terug trok.

De jufvrouw, zonder een enkel woord te zeggen, wierp zich in zijne

armen, gaf, zoo als gewoonlijk, den vrijen loop aan hare tranen, en hem

den brief van zijn zoon in handen gevende, riep zij uit:

„Ziedaar, waarde Lord Crabs, op welk een edele wijze uw Algernon, onze

Algernon, mij schrijft! Wie zou nu nog de zuiverheid, de

onbaatzuchtigheid van zijne onvergelijkelijke liefde kunnen

betwijfelen?”

Lord Crabs nam den brief, las hem door, scheen zich zeer daarmede te

vermaken, en hem terug gevende aan haar, aan wie hij gerigt was, zeide

hij, tot mijne groote verwondering:

„Mijne waarde jufvrouw Griffin, zeker schijnt het hem volkomen ernst te

zijn, maar zoo gij dit huwelijk, zonder de toestemming uwer

stiefmoeder, verkiest aan te gaan, gij kent de gevolgen, en kunt naar

uw eigen goeddunken handelen.”

„De gevolgen kennen! Foei, Mylord! Een weinig geld meer of minder, wat

is dat voor twee zulke harten als de onze?”

„Harten zijn wel aardige dingen, mijne schoone jonge dame, maar drie

per cents zijn nog aardiger.”

„Ja, maar hebben wij niet een ruim inkomen van ons zelven, zonder de

hulp van Lady Griffin?”

Lord Crabs haalde de schouders op.

„Het zij zoo, mijne waarde,” zeide hij, „natuurlijk kan ik geene reden

hebben, om eene verbindtenis tegen te werken, die op zoo onbaatzuchtige

liefde steunt.”

Hiermede eindigde het gesprek: mejufvrouw Griffin verliet ons, de

handen ineen slaande, en het wit van de oogen vertoonende.

Lord Crabs begon in de kamer op en neêr te draven, met de vette handen

in de broekzakken, terwijl zijn gelaat van buitengewone vreugde

straalde en hij tot mijne verbazing zong:

Zie, de overwinnaar nadert!

Tol-de-rol-doll–tol-de-rol-doll!

Hij ging voort met zingen en, als of hij bezeten was, in de kamer heen

en weêr te loopen. Ik stond versteend – daar was plotseling een licht

voor mij opgegaan. – Hij was niet verliefd op jufvrouw Griffin! Hij

wilde wel, dat mijnheer met haar trouwde! Had zij dan niet het vermo–?

Ik stond als versteend – met starenden blik, verstijfde handen en

gapenden mond; verrassende gedachten overstelpten mijne ziel, en Mylord

was aan het laatste „doll!” van zijn lied gekomen, op hetzelfde

oogenblik, dat ik tot aan de lettergrepen „vermo-” van mijne buik- of

alleenspraak kwam – toen wij beiden, de beschrevene punten bereikt

hebbende, in onze overdenkingen plotseling daardoor gestoord werden,

dat Mylord, te midden van zijn zingen en draven, met zoo veel geweld

tegen mij aan liep, dat ik naar het eene einde van de kamer terug

vloog, en hij in de tegenovergestelde rigting achteruit deinsde: het

was eerst, na met groote moeite onze wederzijdsche ontroering

overwonnen te hebben, dat wij weder in evenwigt kwamen.

„Hoe – gij hier, vervl..... schelm?” riep Mylord uit.

„Het is zeer vriendelijk van u, Mylord, eenige notitie van mij te

willen nemen,” zeide ik, „ja – hier ben ik?” en ik wierp hem een veel

beteekenenden blik toe.

Hij zag, dat ik het geheele spel had begrepen.

Nadat hij een tijdlang gefloten had, gelijk zijne gewoonte was, als hij

verlegen werd (ik geloof waarachtig, dat hij niets anders gedaan zou

hebben dan fluiten, als hij over vijf minuten had moeten opgeknoopt

worden) – nadat hij alzoo een tijdlang gefloten had, hield hij

plotseling stil en, mij naderende, zeide hij:

„Hoor eens, Karel, dit huwelijk moet morgen voltrokken worden!”

„Zoo, Mylord,” zeide ik, „ik, voor mij, geloof niet –”

„Wacht eens eventjes, vriendje: als het niet voltrokken wordt, wat wint

gij er bij?”

Dit deed mij aarzelen – indien het niet plaats had, verloor ik maar

mijne dienst, want mijnheer had niet meer geld, dan noodig was, om

zijne schulden te betalen, en het zou niet met mijne bedoelingen

overeengekomen zijn, hem in de gevangenis of in ellende te bedienen.

„Goed!” vervolgde Lord Crabs: „gij vat de kracht van mijne gronden. Zie

nu eens hier –” en hij bragt eene zuivere, splinternieuwe banknoot te

voorschijn van honderd pond: „indien mijn zoon en mejufvrouw Griffin

morgen met elkander trouwen, zult gij dit hebben; daarenboven zal ik u

in mijne dienst nemen en uw tegenwoordig loon verdubbelen.”

Vleesch en bloed waren tegen zóó iets niet bestand.

„Mylord,” zeide ik, de hand op het hart leggende, „geef mij maar

securiteit, en ik ben eeuwig de uwe!”

De oude edelman grinnikte en klopte mij op den schouder.

„Goed zoo, mijn jongen!” zeide hij, „goed zoo – gij zijt een

veelbelovend jong mensch. Hier hebt gij de beste securiteit, die ik u

geven kan;” en hij trok zijn portefeuille uit den zak, legde de honderd

pond banknoot er in, en nam eene van vijftig er uit: „Daar hebt gij

heden de helft – morgen zult hij het overige hebben!”

Mijne vingers beefden, toen ik het kostbare, mooije stukje papier

ontving, dat ongeveer vijfmaal zoo veel geld waard was, als ik ooit van

mijn leven in handen had gehad. Ik wierp een blik op het bedrag:

vijftig pond, waarachtig – een Bank-post-bill, betaalbaar aan Eleonora

Emilia Griffin, en door haar onderteekend.

De kat was uit den zak. Ik veronderstel, dat de aandachtige Lezer nu

het spel begrijpt.

„Herinner u, dat gij van dit oogenblik in mijne dienst zijt!”

„Mylord, ik ga gebukt onder uwe weldaden!”

„Loop naar den d....., vriend!” zeide hij, „doe uw pligt en zwijg!”

Op deze wijze ging ik over, uit de dienst van den hoog welgeboren heer

Deuceace, in die van Zijne Exec. den hooggeboren heer graaf van Crabs.

Toen ik in de gevangenis terug kwam, vond ik Deuceace in die akelige

plaats opgesloten, waarheen hij door zijne verkwisting, naar

verdienste, werd gebragt, en ik moet bekennen, ik gevoelde jegens hem

de grootste minachting. Een booswicht van zijne soort, een opligter,

die den armen Dawkins van de middelen van bestaan beroofd had, die zijn

medepligtige, den heer Richard Blewitt, had bedrogen, en die nu op het

punt was, uit eigenbelang een huwelijk aan te gaan met zoo een

walgelijk schepsel als Matilda Griffin, alleen uit geldzucht, verdiende

geen medelijden van mijnen kant, en ik besloot, alle omstandigheden,

die op mijne geheime afspraak met mijn tegenwoordigen meester

betrekking hadden, geheim te houden.

Ik overhandigde hem den brief van mejufvrouw Matilda, dien hij met een

vergenoegden blik doorlas, en zich tot mij wendende, zeide hij:

„Gij gaaft mijn brief aan mejufvrouw Griffin, toen zij alleen was?”

„Ja, mijnheer.”

„En gij bragt haar daarbij mijne boodschap over?”

„Ja wel, mijnheer.”

„En gij weet zeker, dat Lord Crabs er niet bij was, toen gij den brief

en de boodschap aan haar overbragt?”

„Hij was er niet, op mijn woord van eer!” zeide ik.

„De drommel haal uw woord van eer! Borstel mijn hoed en jas, en ga een

rijtuig bestellen, verstaat gij?”

Ik deed gelijk mij bevolen werd, en toen ik terug kwam, vond ik

mijnheer in hetgeen men de greffe noemt van de gevangenis. De

ambtenaar, die tegenwoordig was, haalde een groot register te

voorschijn, en praatte met mijnheer in de Fransche taal; eene menigte

arme gevangenen waren nieuwsgierige toeschouwers.

„Laat ons zien, Milor,” zeide hij, „de schuld is acht en negentig

duizend zeven honderd francs; voor de arrestatie en de onkosten: zóó

veel – zoodat de geheele som beloopt honderd duizend francs – min

dertien.”

Deuceace haalde met de meeste deftigheid uit zijn portefeuille: vier

banknoten, elk van duizend pond.

„Dit is geen Fransch geld,” zeide hij, „maar ik veronderstel, dat gij

het toch kent, mijnheer de Griffier.”

De Griffier keerde zich om tot den ouden Salomon, een wisselaar, die

een paar kalanten in de gevangenis had en zich toevallig daar bevond.

„Les billets sont bons,” zeide hij, „moi je les prendrai pour cent

mille douze cent francs, et j’espère, milor, vous revoir.”

„Best,” zeide de Griffier, „nu weet ik, dat ze goed zijn, en ik zal

Milor teruggeven, wat hem toekomt, en hem eene kwitantie ter hand

stellen.”

Dit gebeurde, en de arme gevangenen uitten een flaauwen vreugdekreet,

toen de groote, dubbele, ijzeren deuren opengedaan en weder digt

geslagen werden, terwijl Deuceace er uit stapte en ik hem volgde, regt

verheugd weder versche lucht te scheppen.

Hij was maar zes uren in die plaats geweest, en nu was hij weder vrij,

en op het punt, om den volgenden dag met tien duizend pond ’s jaars te

trouwen – niettegenstaande dit, zag hij er zeer zwakjes en bleek uit.

Hij hàd nu den grooten inzet gewaagd, en toen hij uit de gevangenis van

Sainte Pélagie kwam, had hij niet meer dan vijftig pond in de wereld

over!

Maar dat hielp niets – het geld stond nu op het spel – en moed

geschept! Zoo dacht ook Deuceace. Hij reed terug naar het hôtel

Mirabeau, waar hij eene veel prachtiger woning dan te voren bestelde,

en ik vertelde weldra aan Toinette en aan de overige dienstboden, hoe

edel bij zich gedragen had, en hoe hij niet meer om vier duizend pond

gaf, dan om zoo vele droppels water. Mijne loftuitingen en de daaruit

gevolgde eerbied, welken men ons bewees, waren oorzaak, dat de verrukte

eigenares van het hôtel mijnheer nog eens zoo veel voor alles deed

betalen, dan zij zonder mijne vertelseltjes gedaan zou hebben.

Hij bestelde alzoo prachtige kamers, tegen de volgende week, een

rijtuig met vier paarden, om den volgenden dag naar Fontainebleau te

rijden – met het slaan van twaalf uur – en deze zaken beschikt

hebbende, ging hij bedaard eten in de Rocher de Cancale, waartoe het

wel tijd was, daar het al acht uur geslagen was.

Ik zelf spaarde ook dien avond den Champagne niet, dat moet ik

bekennen, want toen ik later mijnheers briefje aan jufvrouw Matilda

overbragt, in hetwelk hij haar zijne bevrijding mededeelde, en de

jufvrouw mijn stamelende stem en onzekeren tred opmerkte, zeide zij:

„Eerlijke Karel! hij is ontroerd, door hetgeen heden gebeurd is – daar,

Karel, hebt gij een Louis d’or, om op de gezondheid uwer aanstaande

meesteres te drinken.”

Ik stak het op, maar ik moet zeggen, dat het geld mij niet toelachte –

het was strijdig met mijn geweten, om het in den zak te steken.

Gedenkschriften van den heer Yellowplush · 第 35 / 42 题