Mijn verhaal nadert weldra de ontknooping: ik bleef niet zeer lang meer
in dienst van den heer Deuceace na het gebeurde in het vorige
hoofdstuk, in hetwelk ik ook de verbazende list heb beschreven, die ik
bezigde om hem te bevrijden, en tevens mijne verwonderlijke
zelfopoffering. Zeker is het, dat er weinige dienstboden zijn, die aan
zulk eene list zouden gedacht hebben, en nog minder talrijk zijn die,
welke, na zoo iets bedacht te hebben, wagen zouden het ten uitvoer te
brengen.
Evenwel, behalve het kleine voordeel, dat ik trok door het verkoopen
van de robe-de-chambre, welke ik gedragen had – en in een van welker
zakken ik een banknootje van vijf pond had gevonden – behalve dit, zeg
ik, was het voordeel, dat daaruit ontsproot, voor mijnheer zeer gering.
Het is waar, dat hij ontsnapt was – en dat was goed – maar Frankrijk is
niet Groot-Brittanje, en een man in liverei met éénen arm is
gemakkelijk te ontdekken en aan te houden.
Dit was ook het geval met mijnheer. Hij kon Parijs niet verlaten, zelfs
indien hij het gewenscht had. Zoo hij dat deed, wat moest er gebeuren
met zijne bruid – zijne gebogchelde godin? Hij kende het tempérament,
gelijk de Parijzenaars zeggen, van de jonge dame al te goed, om haar
lang uit zijn gezigt te verliezen. Zij had negen duizend pond ’s jaars.
Zij was reeds vroeger verliefd geweest, en kon het gemakkelijk weder
worden. De hoog welgeboren Algernon Deuceace was te verstandig, om zich
te verlaten op de getrouwheid van zulk een licht ontvlambaar
schepseltje. Het was voorwaar een mirakel, dat ze niet al vroeger aan
den man was gekomen! Ik geloof waarachtig (te oordeelen na verscheidene
tooneelen, die tusschen ons waren voorgevallen), dat ze zelfs met mij
zou getrouwd zijn, ware zij niet verleid geweest door den hoogeren
stand en de grootere sluwheid van den heer, bij wien ik diende.
Maar verder, om mij van eene gemeene uitdrukking te bedienen: de
dienders waren hem op de hielen. Wat moest hij doen? Hij kòn zijne
schulder niet ontloopen, en hij wilde het beminnelijke voorwerp zijner
liefde niet verlaten. Hij was alzoo genoodzaakt, op zijn Fransch
gezegd, zich perdu te houden – ’s avonds uitgaande, gelijk een uil uit
zijn nest, en over dag zich daarin schuil houdende. Want er bestaat
eene wet in Frankrijk (en ik wenschte, dat die ook in Engeland wierd
gevolgd), dat na zonneondergang niemand om zijne schulden mag vervolgd
worden, en in alle koninklijke tuinen, bij voorbeeld de Tuileries, in
het Palais Royal, of het Luxembourg, mag iedereen van den morgen tot
den avond rondloopen, zonder lastig gevallen te worden door zijne
schuldeischers: want deze worden in zulke plaatsen van openbare
vermakelijkheden niet toegelaten, even min als honden, welke de
schildwachten het bevel hebben dood te schieten.
Mijnheer was alzoo in een zeer onaangenamen toestand: ’s avonds er uit
loopende, om zijne beminde eventjes te zien, en dan genoodzaakt, hare
vragen over de redenen zijner verkleeding te ontwijken en over zijne
twee duizend pond ’s jaars te spreken, juist als of hij geen cent, aan
wie het ook ware, in de geheele wereld te betalen had.
Natuurlijk werd hij zeer verlangend naar het huwelijk.
Hij schreef nu even vele brieven, als de jufvrouw vroeger had gedaan;
hij voer hevig uit tegen uitstel en formaliteiten; hij praatte over de
genoegens van het huwelijk en over het ongeluk, dat het vuur van twee
beminnende harten te vergeefs zou branden, en over de dwaasheid om op
de toestemming van Lady Griffin te wachten. Zij was maar eene
stiefmoeder, zeide hij, en daarbij niet vriendelijk jegens hem gezind.
De jufvrouw was (voegde hij er bij) meerderjarig en kon trouwen met
wien zij verkoos, en voorzeker had zij den vereischten eerbied aan Lady
Griffin bewezen, door hare toestemming te vragen.
Op deze wijze gingen zij voort. Het wonderbare van de zaak was, dat,
wanneer aan mijnheer gevraagd werd, waarom hij alleen ’s nachts
uitging, hij zich geheimzinnig uitliet, terwijl jufvrouw Griffin,
wanneer hij haar vroeg, waarom zij niet dadelijk trouwen wilde, eene
diergelijke geheimzinnigheid aan den dag legde – of liever, zij legde
niets hoegenaamd aan den dag.
Was dat niet hard? De beker scheen beiden vóór de lippen te staan, en
toch gelukte het hun niet, op de eene of andere wijze één droppel te
krijgen.
Op zekeren morgen echter, in antwoord op een zeer wanhopend schrijven,
door mijnheer den vorigen avond opgesteld, ontving Deuceace van de
beminde van zijn hart het volgende antwoord:
„Jufvrouw Griffin aan den hoog welgeboren heer
A. P. Deuceace.”
„Mijn beminde! Gij zegt, dat gij met mij een hutje van klei zoudt
willen bewonen; dat is gelukkig niet noodig! Gij spreekt over uwe
neêrslagtigheid, dat ons huwelijk uitgesteld wordt – gelooft gij,
aangebedene, dat mijn hart door onze scheiding opgeruimder wordt?
Gij smeekt mij, de weigering van Lady Griffin te verachten, en gij
zegt, dat ik door niets meer aan haar ben gebonden.
„Aangebedene Algernon! Ik kan niet langer uwe wenschen wederstaan.
Ik verlangde echter geen gelegenheid te laten voorbij gaan, om mij
met eene ontaarde stiefmoeder te verzoenen. Eerbied voor de
nagedachtenis van mijn vader zaliger eischte, dat ik alles deed,
wat in mijne magt was, om hare toestemming tot onze vereeniging te
verkrijgen: ja, ik zal het u bekennen, de voorzigtigheid schreef
deze handelwijze voor; want aan wien zou zij het geld nalaten, haar
door het testament van mijn vader bestemd, dan aan het eenig kind
van mijn vader?
„Er zijn echter palen, binnen welke de grootste verdraagzaamheid
moet beperkt worden, en, de Hemel zij gedankt! wij behoeven niet op
het verachtelijke geld van Lady Griffin te wachten; ook buiten haar
zijn wij ruim daarvan voorzien – niet waar, dierbaarste Algernon?
„Het zij daarom, gelijk gij begeert, dierbaarste, edelste en beste
der menschen. Uwe arme Matilda heeft u reeds lang haar hart
geschonken, waarom zou zij nu haren naam willen behouden? Bestem
gij nu het uur, en ik zal geen verder uitstel zoeken, maar in uwe
armen toevlugt zoeken, tegen de verachting en de beledigingen,
waarmede ik hier dagelijks wordt overladen.
„Matilda.
„P.S. O, Algernon! wist gij maar, welk een edelen rol uw waarde
vader op zich heeft genomen: hij doet zijn best om onze plannen te
bevorderen en Lady Griffin te verzoenen! Zijne schuld is het niet,
dat zij onverbiddelijk blijft. Ik zend u hierbij een briefje, door
haar aan Lord Crabs geschreven; wij zullen er weldra over spotten –
n’est-ce pas?”
„Lady Griffin aan den Graaf van Crabs.
„Mylord!
„In antwoord op uw aanzoek om de hand van jufvrouw Griffin, ter
gunste van uwen zoon, den heer Algernon Deuceace, kan ik slechts
herhalen hetgeen ik reeds vroeger mij genoodzaakt zag, aan u te
verklaren – namelijk, dat ik niet gelooven kan, dat eene
vereeniging met iemand van het karakter van den heer Deuceace
bijdragen kan tot het geluk van mijne stiefdochter, en daarom moet
ik mijne toestemming weigeren.
„Ik moet u tevens verzoeken, den inhoud van dezen brief aan den
heer Deuceace mede te deelen, en u tevens smeeken, niet weder een
onderwerp aan te roeren, dat, gelijk gij overtuigd moet zijn, voor
mij zeer pijnlijk is.
„Ik heb de eer te zijn, Mylord,
uwe zeer onderdanige dienaresse